Een overzicht van seksistische clichés in verhalen

 

De hunkerende blik op het begeerlijke vrouwelijke lijf

We hebben een verhaal vol met mooie wezens die heerlijke lichaamsdelen hebben. Elk moment waar dat kan krijgen we opnieuw een glimps van stukjes huid, harde tepels, lange benen, mooie benen, mooie billen. De hunkering spat van de regels af. We kijken in deze wereld met de blik van de schrijver en de seksuele voorkeuren van de schrijver. Als die schrijver heteroseksueel is, zullen vooral de personages van het andere geslacht geseksualiseerd worden.

Een overzicht van de elementen:

  1. Veel hunkering — Borsten, billen, benen, bobbels in broeken, harde tepels onder gespannen shirts en blouses, harde piemels.
  2. Een onderliggende toon van frustratie — De hoofdpersoon is op de een of andere manier geblokkeerd. Seks is vaak een moeilijk ding. Seksualiteit lastig en onderdrukt.
  3. Begeerlijke vrouwen zijn wandelende objecten die bestaan om begeerd te worden — Ze spelen, behalve als object van begeerte en lust en hunkering nauwelijks een rol in het verhaal.
  4. De begeerlijke vrouwen vinden het heerlijk om begeerd te worden — En zeker door de hoofdpersoon.
  5. Het maakt niet heel erg veel uit of de hoofdpersoon zelf knap of begeerd is — De hoofdpersoon is een hongerige camera.

Wat maakt dit seksistisch?

 

Vrouwen staan in dit soort “hunkering-verhalen” in dienst van de geilheid van de hoofdpersoon. Het zijn in de meeste gevallen pratende en bewegende poppen van vlees, zonder persoonlijkheid.

 

Hoe lost je dit op?

Er is niets mis met hunkering, geilheid, seks en de bewondering en beschrijving van de opwindende aspecten van mannelijke en vrouwelijke lichamen.

Er zijn een paar dingen die je kunt doen:

  1. Voorgaande, bestaande relaties — Werk vanuit bestaande relaties die voor aanvang van het verhaal bestaan en bestonden. Dit maakt de eerste aanleiding eenvoudiger.
  2. Geef hem/haar een gezond seksleven — Laat je hoofdpersoon een gezond seksleven hebben, met één of (wellicht) meerdere partners (zie ook punt 1 in deze lijst). Laat dat seksleven draaien rondom plezier en wederzijdse aantrekkingskracht. Wellicht heeft hij/zij meerdere seksuele partners, die allemaal lekker en aantrekkelijk zijn. De geile blikken van je hoofdpersoon zijn in deze gevallen gewenst en prima in orde.
  3. Zorg voor menselijke partners — Een belangrijk aspect van seksisme in verhalen is het gebrek aan balans in de beschrijving van mannelijke en vrouwelijke personages. Des te meer inhoud je geeft aan de vrouwen en/of mannen waarmee je hoofdpersoon een geile relatie heeft, des te meer het een evenwichtig verhaal wordt voor al de betrokken sekses.

 

De begeerlijke vrouw als trofee

We hebben een situatie, een gevaar, een uitdaging en een held. We hebben ook een vrouw, die voornamelijk belangrijk is omdat ze heel begeerlijk is. De held lost het probleem, de situatie, het gevaar op en krijgt de vrouw als beloning.

Een overzicht van de elementen:

  1. De begeerlijke vrouw als object — Ze heeft geen echte persoonlijkheid, geen echte historie. Ze is mooi. Ze is begeerlijk. Ze wordt het bezit van de held.
  2. De begeerlijke vrouw als statussymbool — De vrouw is mooi en begeerlijk, omdat mooie en begeerlijke vrouwen worden gezien als statussymbool. Ze tilt de held op naar een nieuwe hoogte. De held heeft aan het eind van het verhaal iets dat vele anderen niet hebben: een mooie, begeerlijke vrouw.
  3. De vervulling van een lezerswens — Wie wil er geen begeerlijke mooie vrouw, die zich (uiteindelijk) zuchtend van verlangen, bewondering en opluchting in je armen stort? Zeker als de harde realiteit aanzienlijk minder tegemoetkomend en voorspelbaar is?
  4. De held die blijkbaar geen ander leven en geen andere verantwoordelijkheden heeft — Waarom gaat de held voor deze begeerlijke vrouw? Omdat ze begeerlijk is? Zijn er geen andere verantwoordelijkheden. Geen andere redenen?

Wat maakt dit seksistisch?

Mooie vrouwen (en mooie mannen in verhalen voor homoseksuele mannen) worden in een seksistische omgeving gezien als een trofee. Een statussymbool voor de man, of de lesbische vrouw. “Kijk mij! Ik neuk deze prachtige, mooie man/vrouw”. Deze trofee-man/vrouw hoeft geen persoonlijkheid te hebben, geen eigen mening, geen doel in zijn/haar leven, omdat dat irrelevant is voor zijn of haar rol.

Hoe los je dit op?

Zorg allereerst dat “de (begeerlijke) trofee” van dit verhaal een eigen persoonlijkheid en een eigen leven heeft, met haar eigen wensen en ambities en doelstellingen; als je op dat punt kansen hebt laten liggen. Laat van dat leven genoeg zien zodat de lezer een beeld en een gevoel van binding krijgt.

Er zijn vervolgens verschillende oplossingen voor dit cliché. Ik geef er twee:

  1. Ze hebben al een relatie / de romantiek was al vol in ontwikkeling voor het verhaal begint — Zorg dat je hoofdpersoon en de “trofee” van je verhaal al lang voor aanvang van het avontuur met elkaar een (seksuele) relatie hebben. Het verhaal zal hierdoor weinig veranderen, terwijl het spanningsveld tussen je hoofdpersoon en dat wat tussen hem en zijn geliefde staat, vele malen dieper kan worden.
  2. Ze is niet de trofee, maar de compaan van je held — In deze variant kun je elke vorm van (seksuele/relationele) spanning uitbuiten die je maar wilt gebruiken, terwijl je nog steeds hetzelfde soort verhaal kunt blijven vertellen. Opnieuw is het meer in je voordeel dan je nadeel als de band tussen je hoofdpersoon en zijn compaan al lang voor de aanvang van het avontuur gesmeed is. Dikke maatjes dus.

 

De vrouw als meubelstuk

Waar veel van de andere personages in het verhaal een relatief rijke persoonlijkheid kunnen hebben, met een (relatief) breed spectrum aan interesses en een (relatief) breed spectrum aan redenen om dingen te doen en te laten, zijn vrijwel al de vrouwen (zeer) beperkt en (zeer) eenzijdig in hun denken en hun verlangens.

Ze is een meubelstuk in het decor. Iets dat mogelijk het plot drijft, maar niet iemand die actief en op gelijke voet met de held participeert in dat verhaal.

Een overzicht van de elementen:

  1. Ze heeft nauwelijks tot geen eigen interesses — Het weinige dat ze leuk vindt is ter decoratie van de held, of ter ondersteuning van het verhaal.
  2. Ze heeft nauwelijks tot geen ambitie — Haar rol is dienstbaar, ondersteunend. Ze is een meubelstuk. Een mooi gezicht en een begeerlijk lichaam.
  3. Ze heeft nauwelijks tot geen eigen leven en nauwelijks tot geen eigen gedachten — Alles wat ze doet staat in het teken van de held, of ter ondersteuning van wat anderen zeggen of doen. Als ze al iets zegt of doet, dan is dat in dienst van het verhaal en het plot.
  4. De held vind haar wild-aantrekkelijk of zeer afstotend — Er is nauwelijks een tussengebied.

Wat maakt dit seksistisch?

Het bevestigt de rol van “de vrouw” als een beperkt en dienend wezen, met een beperkt aantal interesses. Bijvoorbeeld: “trouwen, kinderen krijgen, zorgen voor andere mensen” of “verleiding, seks en het veroorzaken van verdriet”. Het idee dat een vrouw een volledig persoon kan zijn, met ambities en brede interesses in veel verschillende aspecten van de wereld en het leven, wordt binnen seksistische culturen gezien als “onnatuurlijk”, “onmogelijk”, “vreemd”, “mannelijk” en “ongewoon”.

Hoe los je dit op?

  1. Zorg dat je vrouwelijke personages volledige en consistente personages zijn, met eigen interesses, eigen ambities, eigen wensen en een eigen leven dat zowel goede punten heeft (vervulling) als een paar mindere elementen (dingen die ze graag anders zou willen zien of doen in haar leven). Laat haar tegengas geven, vanuit haar eigen overtuigingen.
  2. Stel haar niet ten dienste van het plot, maar ten diensten van haar eigen leven binnen die wereld.

 

“Ze is de oorzaak van al de ellende”

In dit soort verhalen raakt de hoofdpersoon in (grote) problemen door de interactie met een (vaak verleidelijke, of manipulatieve en vaak ijskoude) vrouw of man. Seks kan een rol spelen. Overspel kan een thema zijn. De held of hoofdpersoon doet door de invloed van deze man of vrouw dingen waardoor het leven van die held volledig kapot kan gaan. In sommige gevallen leidt dit tot moord. In andere gevallen tot een echtscheiding of breuk.

Een overzicht van de elementen:

  1. Ze heeft macht over de hoofdpersoon — Zij is het die de hoofdpersoon aanzet tot daden die uiteindelijk schadelijk zijn.
  2. Door haar toedoen ontstaan de problemen — Ze verleidt de hoofdpersoon, manipuleert hem, zet hem aan tot daden die uiteindelijk tot ondergang of verlies zullen leiden.
  3. Ze heeft geen medelijden — Uiteindelijk blijkt ze een sociopaat te zijn. Iemand die geen medelijden heeft, alleen maar aan zichzelf kan denken.
  4. De hoofdpersoon is het (willoze) slachtoffer — De hoofdpersoon is verstrikt, weet zich niet los te maken en maakt uiteindelijk fatale fouten.

Wanneer wordt dit seksistisch?

  1. Haar geslacht is het probleem en de oorzaak — Niet het feit dat ze een sociopaat is, of het slechte beoordelingsvermogen van de hoofdpersoon. Ze is een vrouw. En manipulatief en slecht.
  2. Ze is geen persoon, maar een verzameling clichés en stereotypen — Inplaats van een eigen innerlijk leven, met haar eigen wensen en inplaats van een consistente persoonlijkheid, is ze een plakwerk van allerlei stereotypische en vaak tegenstrijdige elementen die voornamelijk tot doel hebben te laten zien hoe slecht en onbetrouwbaar en gevaarlijk en manipulatief ze is.

Wat speelt er vaak nog meer?

  1. De hoofdpersoon is niet in staat de fout bij zichzelf te leggen — Hij of zij is uiteindelijk het ultieme slachtoffer. Overgeleverd. Hulpeloos. Onschuldig aan het eigen leed.

Wat maakt dit seksistisch?

In sociale kringen waarin vrouwen geen macht mogen hebben, geen zeggenschap mogen hebben geldt dit soort verhalen vaak als “waarschuwing”. Denk bijvoorbeeld aan: “De krachtige, zelfstandige vrouw (die geen man nodig heeft) is een gevaar omdat ze mannen kan manipuleren en mannen in het verderf kan storten”.

Zodra “de vrouw” en “elke vrouw” over één kam wordt gescheerd met een sociopaat (manipulatief, zonder medelijden, volledig zelfzuchtig) en de enige reden voor haar gedrag is:

  • “omdat ze een vrouw is”
  • “omdat vrouwen nu eenmaal zo zijn”
  • “omdat alle vrouwen manipulatief zijn” of:
  • “omdat vrouwen zwakker zijn dan mannen”

dan zitten we midden in de drek van een seksistische vertelling.

Hoe los je dit op?

  1. Bouw je veroorzakende personage verder uit — Begin ook hier met het verder uitbouwen van het personage dat de ellende veroorzaakt, als je die kans hebt laten liggen. Wat maakt hem of haar sympathiek? Waarom zou je hoofdpersoon met hem of haar in zee gaan? Is hij/zij sociopaat of is de schade die ze veroorzaakt onvoorzien, ongewenst, onbedoeld?
  2. Besluit in hoeverre je hoofdpersoon dom is of niet — Wist hij of zij echt niet wat er gaande was? Kon hij of zij echt niet zien wat de consequenties zouden zijn? Waarom loog je hoofdpersoon, als je hoofdpersoon loog? Wat had hij of zij te winnen van deze relatie en deze acties?
  3. Schrap alles dat de schuld plaatst op het geslacht of de geaardheid van het veroorzakende personage  — Wellicht is dit de kern van je verhaal. Wellicht is dat waar je mee begon. “Ze deed het omdat ze een vrouw was die bla bla bla” wordt dan bijvoorbeeld: “ze deed het omdat ze bla bla bla”.

 

“Ze stierf op gruwelijke wijze, als straf voor haar zonden”

De vrouw of homoseksuele man heeft in de ogen van de maatschappij een gruwelijke zonde begaan en sterft een passende dood door een ongeluk, een ziekte, marteling, een beroving. Uit de moralistische ondertoon van het verhaal is behoorlijk duidelijk dat dit zijn of haar eigen schuld is.

Een overzicht van de elementen:

  1. De oorzaak is relatief anoniem — Een ongeluk, een ziekte, etc.
  2. Des te erger haar zonden, des te erger de straf — Heeft ze weinig fout gedaan, dan is haar dood mild, maar was ze een gruwelijke zondaar, dan is de dood navenant gruwelijk.

 

“Ze heeft het over haarzelf afgeroepen”

De vrouw of homoseksuele man in dit verhaal doet iets, of draagt iets waardoor hij/zij het slachtoffer wordt van (seksuele) intimidatie en/of lichamelijk geweld. De daders worden in het gelijk gesteld, “omdat het slachtoffer dit over zichzelf heeft afgeroepen”.

Een overzicht van de elementen:

  1. “Het slachtoffer lokte dit uit” — door gedrag of kleding
  2. “De daders hebben het recht aan hun kant” — Het slachtoffer doorbrak  immers een taboe of brak een regel, of nodigde uit tot bepaalde handelingen. De straf die het slachtoffer gekregen heeft is terecht.

Wat maakt dit seksistisch? 

In deze waanzinnige en onlogische redenatie wordt de rol van het slachtoffer omgedraaid in dat van de dader, waardoor de werkelijke daders buiten schot blijven. (Seksueel) geweld jegens homoseksuele mensen en vrouwen die zich anders kleden en anders gedragen wordt hierdoor goed gepraat.

De machtsverhoudingen zijn binnen dit denkkader volledig in het nadeel van het slachtoffer en volledig in het voordeel van de dader, omdat het slachtoffer (A) een vrouw is en/of (B) homoseksueel.

 

De anderling met een beperkt spectrum

We hebben een personage van een andere etnische achtergrond, een niet-heternormatieve seksuele interesse, niet-normatieve overtuigingen. Waar veel van de andere personages het verhaal een relatief rijke persoonlijkheid hebben, met een (relatief) breed spectrum aan interesses en een (relatief) breed spectrum aan redenen om dingen te doen en te laten, is de anderling of de vrouw slechts beperkt tot een kleine set van redenen.

 

Wanneer is dit racistisch?

Zodra de enige rol en het enige nut van de vrouw in het verhaal dat van een beloning is, praten we over een ongelijke situatie.

 

 

 

 

Bijvoorbeeld:

  1. Geweld, intimidatie en discriminatie — Mensen die aan de ontvangende kant hebben gestaan van (seksueel) geweld, (seksuele) intimidatie, discriminatie op basis van sekse, seksuele voorkeur, religie of etnische afkomst.

;

Advertisements

Personages in 1, 2 en 3 dimensies

Eerst drie voorbeelden, dan wat anderen zeggen over drie-dimensionale en multi-dimensionale personages.

Eendimensionaal

“Laten we morgen een boottocht maken,” zei hij. “En dan emigreren we naar Australie.”

“Okee,” zei ze, zonder werkelijk iets hierover te denken. Er was bij haar (net als bij hem overigens) verder geen enkele werkelijke emotie of gedachte die samenhing met dit besluit, slechts een groot leeg gat waar bij ander mensen een persoonlijkheid zat.

Aangezien ze buiten de kaders van dit verhaal toch geen werk, verplichtingen, vrienden of andere zaken hadden en het plot alles bepaalde wat in het verhaal gebeurde gingen ze zonder enige problemen op een boottocht en gaf de emigratie ook geen enkel probleem dat de moeite van het melden waard was.

“We gaan toch niet naar Australie,” zei hij aan het einde van de boottocht en er was in het hele verhaal tot dan toe geen enkele andere reden te vinden dan dan dat de schrijver zich bedacht had of een plottwist nodig had.

“Ja hoor, dat is goed,” zei ze, en daarmee was het klaar.

Beiden hadden waarschijnlijk een gezicht en benen en armen en handen en een schijn van een leven en een soort van vage, rudimentaire persoonlijkheid, maar het meeste wat de schrijver toonde van dat leven en die persoonlijkheid was een reactie op het plot. En plot bepaalt, zoals we al eerder zagen, alles voor deze personages.

 

Tweedimensionaal

Hij had evenveel diepte als bordkarton en een uiterlijk had dat tot in groot detail omschreven kon worden. Zijn emoties, zoals boosheid, vrolijkheid en verdriet kwamen absoluut voor in het verhaal, maar waren vaak voor uiterlijk vertoon, zonder enige ontwikkeling, op afroep beschikbaar en wekten niet echt de indruk dat ze gevoeld werden, of impact hadden op latere scenes.

Zo was er die ochtend dat hij verdrietig was, want zijn kat was doodgegaan. “Ik ben heel verdrietig,” had hij gezegd nadat hij het lijkje begraven had en hij huilde even hartstochtelijk. Daarna ging hij naar zijn werk en die avond was hij al weer vergeten dat hij verdrietig was.

Hij twijfelde die nacht even of hij die opdracht wel echt moest aannemen om de koning van Nabuurland te vermoorden, maar het geld won van de twijfels. Uiteindelijk zei hij altijd ja tegen geld. Altijd, want hij was meer een stereotype dan een echt mens: een persoonlijkheid die kon worden samengevat in een heel eenvoudig “als dit gebeurt dan doet hij uiteraard dat” diagram.

Uiteraard had hij ook een mening over iets, bijvoorbeeld over de monarchie van Nabuurland, zodat dat hem enige schijn van diepte in het verhaal zou geven, maar echt veel moeite om die mening diepte te geven deed de schrijver niet. Net als dat de schrijver weinig moeite besteedde aan die oppervlakkige backstory (onze hoofdpersoon was een commando geweest, of een marinier of een politieagent of iets anders uit een film of een boek, en wist dus daardoor bijvoorbeeld hoe hij moest omgaan met vuurwapens), waarin duidelijk zichtbaar was dat de schrijver eigenlijk geen zin had gehad in een diepgravend onderzoek naar werkelijke mensen in werkelijke situaties.

 

Driedimensionaal

Haar leven was breder en rijker dan in het verhaal getoond werd. Ze had werk, verlangens, dromen en wensen, vrienden, vriendinnen, buren, collega’s, minnaars en ouders. Dingen die ze leuk vond en dingen die haar niet aanstonden. Mensen die ze bewonderde en mensen die ze liever ontweek, dingen waar ze goed in was en dingen waarin ze vaker faalde dan succesvol was. Haar werk en haar bezigheden hadden zeer concrete vorm en het was duidelijk zichtbaar dat de schrijver moeite had gedaan zich diep in te leven in haar wereld, degelijk was geweest in zijn / haar research.

Elk besluit dat ze maakte, elk ding dat ze toeliet, elk ding dat ze blokkeerde had consequenties op haar leven en haar toekomst. En daarom zei ze droog: “Nee,” toen hij met een voorstel kwam. Een lastige keuze, omdat ze graag wilde, maar een “ja” een conflict zou hebben veroorzaakt dat ze tegen elke prijs wilde voorkomen. En ze gaf in heldere bewoordingen drie korte redenen die direct verband hielden met haar eigen leven, haar eigen prioriteiten, haar eigen wensen, haar eigen belangen en de belangen en wensen van anderen. Voldoende om helder te zijn, en voldoende om haar eigen motieven en haar eigen gevoel van verlies verborgen te houden, want ook hij was een rond personage met eigen verlangens, wensen en doelstellingen en zodra hij ook maar een idee zou krijgen wat ze had opgegeven, zou dat zijn acties en reacties naar haar en dat onderwerp een andere koers geven.

In een ander leven, in een andere situatie had ze wellicht anders totaal gereageerd, met meer woorden, met andere woorden, of zelfs helemaal niet. Maar dit was nu. Dit was zij. En dit was hoe zij reageerde op deze situatie.

 

Driedimensionale personages volgens anderen (in het Engels)

James Frey (in: How to write a damn good novel, part 1)

[The two-dimensiona characters] are easily labeled characters who seem to have only one trait: they are greedy, or pious, or cowardly, or servile, or horny, and so on. […] They have no depth; the writer does not explore their motives or inner conflicts—their doubts, misgivings, feelings of guilt. […] when they are used for major roles, such as the principal villain, dramatic writing turns into melodrama.

Rounded characters […] have complex motives and conflicting desires and are alive with passions and ambitions. They have committed great sins and have borne agonizing sufferings; they are full of worries, woes, and unresolved grievances. The reader has a strong sense that they existed long before the novel began, having lived rich and full lives. Readers desire intimacy with such characters because they are worth knowing.

Lajos Egri (The Art of Dramatic Writing) 

Every object has three dimensions: depth, height, width. Human beings have an additional three dimensions: physiology, sociology, psychology. Without a knowledge of these three dimensions we cannot appraise a human being. It is not enough, in your study of a man, to know if: he is rude, polite, religious, atheistic, moral, degenerate. You must know why. We want to know why man is as he is, why his character is constantly changing, and why it must change whether he wishes it or no.

The first dimension, in the order of simplicity, is the physiological. It would be idle to argue that a hunchback sees the world exactly opposite from a perfect physical specimen. A lame, a blind, a deaf, an ugly, a beautiful, a tall, a short person -each of these sees everything differently from the other. A sick man sees health as the supreme good; a healthy person belittles the importance of health, if he thinks of it at all. […]

Sociology is the second dimension to be studied. If you were born in a basement, and your playground was the dirty city street, your reactions would differ from those of the boy who was born in a mansion and played in beautiful and antiseptic surroundings.
But we cannot make an exact analysis of your differences from him, or from the little boy who lived next door in the same tenement, until we know more about both of you. Who was your father, your mother? Were they sick or well? […]

The third dimension, psychology, is the product of the other two. Their combined influence gives life to ambition, frustration, temperament, attitudes, complexes. Psychology, then, rounds out the three dimensions.
If we wish to understand the action of any individual, we
must look at the motivation which compels him to act as he
does. […]

E.M. Forster (Aspects of the novel)

Dickens’ people are nearly all flat (Pip and David Copper-field attempt roundness, but so diffidently that they seem more like bubbles than solids). Nearly every one can be summed up in a sentence, and yet there is this wonderful feeling of human depth. Probably the immense vitality of Dickens causes his characters to vibrate a little, so that they borrow his life and appear to lead one of their own. It is a conjuring trick; at any moment we may look at Mr. Pickwick edgeways and find him no thicker than a gramophone record. But we never get the sideway view.

[…]

The test of a round character is whether it is capable of surprising in a convincing way. If it never surprises, it is flat. If it does not convince, it is a flat pretending to be round. It has the incalculability of life about it—life within the pages of a book.

[…]

All her [Jane Austen’s] characters are round, or capable of rotundity. Even Miss Bates has a mind, even Elizabeth Eliot a heart, and Lady Bertram’s moral fervour ceases to vex us when we realize this: the disk has suddenly extended and become a little globe. […]  her characters though smaller than [those by Dickens] are more highly organized. They function all round, and even if her plot made greater demands on them than it does, they would still be adequate. […] All the Jane Austen characters are ready for an extended life, for a life which the scheme of her books seldom requires them to lead

[…]

The test of a round character is whether it is capable of surprising in a convincing way. If it never surprises, it is flat. If it does not convince, it is a flat pretending to be round. It has the incalculability of life about it—life within the pages of a book.

Will Dunne (The dramatic writer’s companion toolkit)

If you do not fully understand the character’s needs and motivations, you may find yourself with a twodimensional “villain” who fails to emerge from the page in an interesting and believable way. […]

Stock villains—such as the heartless landlord or evil stepsister—are the stuff of fables, but in a complex dramatic story they are the products of writers who did not know their characters well enough to write them. In the end, the antagonists whom we hate or fear most are often those whom the writer loved most

[…]

Dramatic characters tend to be active beings. They do things because they want things, and they cause stories to happen. From a technical point of view, their behavior has two functions: to show us who they really are— especially when they say one thing but do another—and to move the dramatic journey forward. In a great story, these functions have been so seamlessly combined that one rarely occurs without the other: character revelation and story movement go hand in hand. […]

Through the course of a story, a multidimensional character will act many different ways for many different reasons. Even if some of these actions seem contradictory—and they often do in a great character—they all flow from the same source: the root action or “spine” of the character.

[…]

A multidimensional character manifests many different traits—both positive and negative—during the course of a story.

James Frey (in: How to write a damn good novel, part 2)

Edwin A. Peeples says in A Professional Storywriter’s Handbook that characters “must have the uniqueness of real people. They must have the contrasts of inconsistent behavior common to individuals . . . contrasts make character.” It is through such contrasts that fully rounded, three-dimensional characters are brought to life. It is through contrast that good characters can become great characters who are truly worth knowing.
Great characters are so extraordinarily interesting that if you met them at a cocktail party you’d later want to tell others about them. A good dramatic character, then, is interesting in the normal sense of what makes people interesting.

Diversiteit, inclusiviteit en politieke correctheid

Diversiteit

In de afgelopen 30 jaar is de diversiteit in Nedelrand alleen maar toegenomen. Eén voorbeeld daarvan: er zijn in Amsterdam in 2007 meer dan 177 nationaliteiten geteld. Verder is  diversiteit zeker in Nederland (dat ooit voor een groot deel uit moerasland bestond en voornamelijk door immigranten uit omringende landen werd bevolkt) een integraal onderdeel van de geschiedenis.

Wat doe je als schrijver met een diverse realiteit zoals de onze?

Wat als ‘de norm’ jou als lezer buitensluit?

Wat doe je- en wat wil je als schrijver met personages die binnen jouw genre nauwelijks tot niet gerepresenteerd worden?

Hoe kun je je als lezer identificeren met een verhaal waarin jijzelf, of jouw soort persoonlijkheid, of waarin personages met eigenschappen die binnen jouw voorkeuren vallen, (volledig) afwezig zijn?

Een voorbeeld: jouw lezer is niet-heteroseksueel, niet blank en niet van een blank-Europese achtergrond, maar 95% van de verhalen die beschikbaar zijn in jouw markt gaat over blanke, heteroseksuele mensen met een blank-Europese (en vaak Judeo-Christelijke) achtergrond.

Is (of wordt) diversiteit een speerpunt in je werk? Schuif je die diversiteit onder het tapijt? Hou je het allemaal vaag in het midden (bijvoorbeeld door niets te benoemen en neutrale namen te kiezen) en laat je het (geheel) over aan de lezer?  Of doe je er gewoon helemaal niets mee en is iedereen zoals jijzelf?

 

Racisme

En hoe zit het met racisme? Wanneer ben je als schrijver bezig met het bevestigen van racistische denkbeelden in je verhaal? Is het racistisch (zoals sommigen beweren) als je juist de aandacht verplaatst naar de dominantie van blanke mensen en een blanke cultuur in een bepaalde context?

Is het racistisch om bepaalde groepen uit te sluiten van je verhalen en je verhaalwereld?

 

Seksisme

Seksisme is een ander heet hangijzer. Is het seksistisch als er alleen maar mannen of alleen maar vrouwen in een verhaal voorkomen? Of als slechts één van deze partijen de macht in handen heeft en de ander niet?

Is het mogelijk sappige verhalen vol seks te schrijven, zonder seksistisch te zijn?

Zou je jezelf daar eigenlijk wel druk over willen of moeten maken?

 

Discriminatie

Breder praten we (met racisme én seksisme) over discriminatie. Drie voorbeelden:

  1. Superioriteit — Handelen naar het idee dat één volk of één specifiek geslacht (man óf vrouw) (genetisch of anderzijds) “superieur” is aan het andere.
  2. Privileges — Het (structureel) ontnemen of ontzeggen van bepaalde privileges, op basis van het geslecht, een bepaalde huidskleur of een bepaalde etnische afkomst.
  3. Uitsluiting — Het (structureel) uitsluiten van mensen die van een ander geslacht of van een andere etnische achtergrond zijn.

Een paar voorbeelden:

“Mannen zijn superieur aan vrouwen, blanken superieur aan mensen met een donkere huidskleur.”

“Mannen hebben recht op een hoger loon dan vrouwen. Mensen van een andere etnische afkomst hebben minder recht op sociale bijstand.”

“Vrouwen en mensen van een andere etnische achtergrond zijn hier niet welkom.”

In elk van deze voorbeelden is sprake van een (vaak genormaliseerde en scheve) machtsverhouding. “Wij hebben de macht. Jij niet.”

Verder is sprake van een veroordeling op basis van uiterlijke kenmerken (vrouw zijn, een andere huidskleur hebben) of op basis van herkomst (een andere buurt, een andere stad, een ander land, een ander werelddeel).

Tot slot is in heel veel gevallen sprake van een systematische herhaling van onzin/onwaarheden over die andere partijen. (“Ik ben genetisch superieur aan jou” is daar één voorbeeld van. “Mannen zijn jagers en vrouwen zorgdragers” is een tweede.)

Discriminatie is geen willekeurig is, maar heeft een heel duidelijk aantal doelen, waaronder:

  1. Het klein houden van die ‘ander’ (door hem of haar macht en zeggenschap te ontnemen).
  2. Het drijven van een wig tussen jou en die ‘ander’ (zodat er o.a. geen reden is tot samenwerking).

 

 

Inclusiviteit

Het idee van inclusivitiet binnen het schrijversvak, is dat je andere mensen, met andere kenmerken gaat betrekken in je werelden.

Niet als stereotypen en “omdat het moet” maar omdat ze ook aanwezig zijn in die wereld. Wie en wat en hoe en hoe veel of hoe vaak is aan jou als schrijver zelf.

Maar hoe doe je dat?

De meest eenvoudige manier (zeker als je dat nog nooit eerder hebt gedaan) is door ze precies zo te schrijven als je zou doen met je andere personages.

Denk hierin bijvoorbeeld aan Reilly in de eerste “Alien” film. Gespeeld door een vrouw, maar oorspronkelijk geschreven als een mannelijk personage. Hoe ‘raar’ dat is, komt bijvoorbeeld naar voren in deze quote: “She’s not a sidekick, arm candy, or a damsel to be rescued. Starting with Alien, Ripley was a fully competent member of a crew or ensemble — not always liked and sometimes disrespected, but doing her job all the same.” (bron)

Wie zijn dat? Een greep:

  1. Beroepen — Mannen in ‘vrouwenberoepen’ en vrouwen in ‘mannenberoepen’
  2. Windstreken — Mensen uit verschillende windstreken, die vanwege diverse redenen daar gekomen zijn waardoor ze voor dat verhaal relevant zijn geworden
  3. Geaardheden — Mensen met verschillende geaardheden (seksueel en anderzijds) die dat zijn omdat ze dat nu eenmaal zijn van hun geboorte
  4. Interne bedrading — Mensen met een andere ‘interne bedrading’, waardoor ze de werkelijkheid anders waarnemen; zich binnen hun eigen normaliteit anders denken en/of zich anders gedragen dan de meeste mensen rondom.
  5. Geloofssystemen — Mensen met andere geloofssystemen (en overtuigingen) die binnen hun eigen denkkaders volledig logische verklaringen vinden voor wat voor andere mensen vreemd is of vreemd lijkt.

Benoem je dan ook hun kenmerken? Hun ‘anders’ zijn? Hoe veel aandacht gaat daar naar uit? Hoe doe je dat?

Hier drie uitgangspunten:

  1. Relevantie — Is het belangrijk voor jouzelf en jouw specifieke doelgroep dat dit helder is? Zoja: draai niet om de hete brij heen.
  2. Sfeer en identificatie — Voegt het voor jou en je lezers toe aan de sfeer van dat verhaal en de identificeerbaarheid met dat verhaal en die personages als die verschillen helder zijn? Zoja: wees dan helder over die verschillen en eigenschappen.
  3. Eigenheid — Zijn de personages die je schrijft eigen aan jezelf? Komt het uit je hart of uit een diepe wens dit te doen? Doe het dan gewoon, naar je eigen inzicht.

Het is hierin zeker handig research te doen naar de levens- en belevingswerelden van de personages die je probeer te schrijven. Zeker als die verder bij jouzelf en wat bij jou bekend is vandaan liggen en leven.

De meest eenvoudige manier om die afstand te overbruggen is als volgt:

  1. Research — Doe research. Lees je in. Volg discussies online van mensen die dat leven leiden en in die situaties leven.
  2. Begrip — Leef je in in hun uitganspunten. Kun je hun gezichtspunt begrijpen en overnemen in je verhalen?
  3. Keuzes — Kies hoe je dat wilt doen. Wat toon je? Vanuit welk perspectief? En met wat voor soort persoonlijkheid? (Denk opnieuw aan Ripley uit “Alien”, die kundig én toevallig ook een vrouw is.)

 

Politieke correctheid

Politieke correctheid is wat mij betreft een stok. Waarmee mensen geslagen worden.

Doe je dingen omdat je graag ‘politiek correct’ wilt zijn, heroverweeg dan je redenen om meer diversiteit in je werk te brengen.

De weerstand vanuit de wereld rondom kan behoorlijk hoog worden als je bepaalde taboes of bepaalde denkbeelden expliciet en weloverwogen en goed onderbouwd in je werk naar voren brengt.

De bewering dat iets gedaan wordt “uit politieke correctheid” is wat mij betreft vaak een bewering met een politieke reden: “Hou je bek over mensen die we voornamelijk negeren. Maak ze niet zichtbaar.”

Interessant is dat “politieke correctheid” (soms nabijheid van het woord gutmensch) vaak gebezigd wordt in verband met menselijke verhalen over mensen die (vaak) buiten hun schuld in kutsituaties leven. Alsof het fout is om empathisch te zijn.

 

Je huiswerk doen

Dat “goed onderbouwd” is kern. Als je andere mensen dan de standaard keuzes (die overigens verschillen per genre en doelgroep) binnen je verhaal bestaansrecht gaat geven, is het handig als je goed onderzoek doet. (Zie wat hierboven daarover staat)

Des te beter jij je kunt inleven in je personages, des te echter ze over gaan komen in je werk.

Hoe je dat invult (en hoe ver je gaat in het benoemen van expliciete zaken) is aan jou als schrijver.

 

Uitsluiting versus fouten maken

Moet je ‘andersoortige’ personages (niet-jouw-geaardheid, niet-jouw-huidskleur, niet-jouw-overtuigingen-delend, niet-jouw-afkomst/herkomst) vermijden? (Ongeveer de meest voorkomende vraag op dit onderwerp.)

Ik zelf vind van niet. Juist het verkennen van dat soort personages waar ik vrij weinig over lees en juist het verkennen van die eigenschappen die ik bij mezelf ontken of ontwijk is voor mij wat het schrijven extra leuk maakt.

Ik maak liever fouten dan dat ik me laat opsluiten in ‘meer van mijn veilige zelf, zoals ik wil dat de buitenwereld mij ziet’.

Ik probeer daarin ook steeds explicieter te worden, zonder dat verhaal een draak te maken van — vooral — armzalige/slechtgeschreven karakterschetsen. Elke nieuwe expressievorm (in dit geval het insluiten van meer diversiteit) vereist nieuwe skills. En het leren van die skills kost tijd en moeite en gaat met vallen en struikelen en opstaan en nog meer vallen en struikelen.

 

Tot slot

Ik persoonlijk vind het resultaat daarvan (iets meer diversiteit in mijn eigen werk, een betere representatie van de wereld rondom mijzelf) lonend.

 

 

 

De echo-kamer met een beperkte set van schrijfregels

Show, don’t tell, beginnen in media-res, beperking van het aantal gezichtspunten in een (kort) verhaal, simpele woorden gebruiken en heldere zinnen schrijven, vooral een heldere en lineaire verhaalopbouw gebruiken zodat je je lezers niet verliest, het principe van ‘Chekhofs gun‘ respecteren, bloemrijke taal vermijden, bijwoorden zoveel mogelijk schrappen, de lezer niet teveel laten nadenken, de lezer niet teveel lastig vallen met moeilijke dingen.

Zomaar een greep uit schrijftips en aanbevelingen waar — in bepaalde echo-kamers van schrijvers — in mijn optiek soms teveel nadruk wordt gelegd als een ‘waarheid’.

 

1: Fuck de regels

Veel ‘schrijfregels’ zijn voornamelijk bevindingen. “Dit werkt in veel gevallen beter dan dat” waarbij rekening moet worden gehouden met het type lezer en het type verhaal. En net als bij sociale interacties heb je regels die:

  1. Helpen om die interactie tussen jou en je lezer makkelijker te maken
  2. Voor jou persoonlijke schrijven meer als een dwangbuis werken dan een hulpmiddel
  3. Totaal verkeerd aan je worden uitgelegd en daardoor een negatief effect hebben op je denken, je begrip en je werk

Een verhaal kan voornamelijk show zijn, kan helder en lineair zijn opgebouwd, kan zich richten op één personage, kan met de actie in media-res beginnen, kan een belangrijk plotpunt direct in het begin introduceren, kan zo worden opgebouwd dat elk element in het verhaal een groter cohesief geheel gaat vormen (Chekhofs gun), kan helder en efficient zijn in zinsbouw en woordgebruik. Het hoeft echter niet.

Daarom les 1: fuck de regels. Wat andere mensen graag in jouw verhaal terug zien is niet noodzakelijk wat jij wilt (of moet) schrijven. En in veel gevallen horen mensen (inclusief ikzelf) op dit vlak vaak de klok luiden maar hebben ze de fuck verstand waar werkelijk de klepel hangt.

 

2: Lees jezelf in

Literatuur en lectuur zijn geen statische objecten. Ook in de literatuur is vaak sprake van een ‘gevestigde orde’ met regeltjes die bepaald worden door een beperkte groep mensen met een grote bek en een groot genoeg platform om door (te) veel anderen gehoord te worden.

Het zijn vaak juist de tegenbewegingen die deze gevestigde orde (met hun vaak te nauwe regeltjes) zwaar onder druk zet en die deze gevestigde orde zelfs volledig in de vergetelheid kan duwen.

Zeker in de laatste 150 jaar zijn er binnen dit kader veel stijlvormen ontwikkeld waarmee je een verhaal zou kunnen vertellen (lees voor een beginpuntje dit stuk).

Twijfel je aan de dogma’s, lees jezelf dan in, in die verschillende stromingen en (bijbehorende) stijlvormen. Wat zijn de basisbeginselen bijvoorbeeld? Hoe zouden die bij jouw eigen aanpak kunnen passen? En welke effecten denk jij als schrijver daarmee teweeg te kunnen brengen bij de lezer?

 

3: Maak keuzes

Ik begin meestal met twee kernvragen:

  1. Wat wil ik overbrengen?
  2. Hoe wil ik mijn verhaal vertellen?

De stijl (het hoe in mijn geval) van een verhaal kan onder andere de emotie versterken die ik als schrijver over wil brengen (het wat in mijn geval).

Hier zijn vervolgens een aantal stijl-opties waar ik uit kies:

  1. Lineair / non lineair — Het verhaal volgt een heldere causale lijn waarin de ene actie op de andere volgt / het verhaal volgt een non-causale lijn, die zich bijvoorbeeld richt op de emotionele ontwikkeling van het personage
  2. Eén hoofdperonage / meerdere gezichtspunten — Het verhaal wordt vanuit één persoon verteld / meerdere personages geven elk hun eigen gezichtspunt, bijvoorbeeld rondom een bepaalde gebeurtenis of reeks van gebeurtenissen.
  3. Beschouwend / stream of conciousness — Het verhaal is een heldere beschouwing achteraf / we zitten midden in de actie en beleven vanuit de eerste hand (soms zonder duiding en soms chaotisch) wat er gebeurt.
  4. Afgerond / open — Het verhaal rondt netjes af waar het mee begon / het begin is slechts een aanzet tot andere gebeurtenissen die mogelijk geen conclusie bereiken.
  5. Focus op verhaal / focus op emotie — Het verhaal is de kern / de emotionele belevenis (van de lezer) is de kern van het verhaal en de gebeurtenissen ondersteunen dit proces slechts.
  6. Betrouwbare / onbetrouwbare verteller — Wat je leest is ook echt wat er binnen die verhaalwereld gebeurd is / wat je leest is een zeer subjectieve interpretatie van gebeurtenissen, die zich niet noodzakelijk werkelijk zo, of in die volgorde hebben voorgedaan.

(Ik ben hierin in de afgelopen jaren merkbaar conservatiever geworden, wat één van de redenen is dat ik de noodzaak voelde om hier een blogpost over te schrijven.)

Verder kun je verhalen schrijven als een serie brieven of e-mails, in de vorm van artikelen en berichtgevingen, in mengvormen waarin (bijvoorbeeld) emails en/of berichtgeving door journalisten en bloggers wordt afgewisseld met eerstehands ervaringen van één of meer personages.

Vanuit verhaaltechnisch oogpunt bestaan er eigenlijk geen beperkingen meer. Elke schrijfregel is al een keer grondig stukgemaakt. Sommige schrijvers hebben daar vervolgens weer een grote en prestigieuze literaire prijs mee gewonnen en de Aarde draait nog steeds rond de zon.

De vraag is daarom dan ook: wat wil jij? Waarom? Hoe? En hoe ga je dat invullen?

 

4: Gééf om je lezer, maar hou zelf de regie in handen

Lezers zijn mensen. En met sommige mensen zul je nooit een vriendschap op kunnen bouwen (omdat het gewoon een stel enorme eikels zijn, of omdat hun primaire interesses te ver van jouw eigen primaire interesses af liggen bijvoorbeeld). Daarom is het goed na te denken over wie je probeert te dienen en welke beloning je daar zelf uit hoopt te gaan halen. Ook lezers geven iets terug.

Dus:

  1. Wie is je lezer? Wie wil je (gaan) bereiken?
  2. Waarom wil jij die lezer iets geven dat aansluit op hun interesses?
  3. Hoe wil je dat gaan doen?
  4. Waarom zou jij die specifieke lezer leuk, aardig of interessant kunnen gaan vinden?

Stel een profiel op. Begin met jezelf. Wat voor persoon ben jij, of zou je (juist niet?) willen zijn? Wat maakt een verhaal voor jou (rete)interessant? Welk soort verhalen worden volgens jou te weinig geschreven? Hoe zou jij daar als schrijver in willen en kunnen voorzien?

Omdat je waarschijnlijk niet alleen voor jezelf schrijft, is het nuttig om ook naar je lezer en de markt te kijken.

Wat is belangrijk voor die lezer? Waar wordt die lezer helemaal lyrisch van? Waar knapt die lezer (die mogelijk heel veel op jouzelf lijkt) juist op af?

Wat zijn de goedlopende genres? Wie zijn de meest verkopende schrijvers? Wat maakt hun werk aantrekkelijk voor dat (grote) lezerspubliek? Welke stijlvormen gebruiken ze? Kun je die zelf ook toepassen? Kun je daar iets eigens aan toevoegen. Is het werk dat jij wilt lezen en schrijven een commercieel succesvolle stroming of juist een slechtlopende niche? Voel je je — zeker als het een niche is — daar comfortabel bij?

Waar en wanneer begin je je eigen doelen te verliezen? Waar en wanneer beginnen de verhalen voornamelijk voor andere mensen te zijn en niet meer voor jezelf?

 

5: Kwaliteit?

Kwaliteit is een subjectief begrip. Elke lezer heeft zijn/haar eigen eisen aan jouw verhaal.

Als schrijver kun je daarom maar één ding doen. En dat is je eigen kwaliteitsdoelen stellen. Een voorbeeld:

  1. Hoe moeten zinnen zijn opgesteld? Hoe moet de ritme en de flow zijn van je verhaal?
  2. Hoe diep graaf je als je onderzoek doet naar de onderwerpen die je aanhaalt in je werk? Hoe vergevingsgezind ben je als blijkt dat je feitelijk fout zit?
  3. Hoe belangrijk zijn de innerlijke werelden van je personages? Moeten ze emotioneel en inhoudelijk overtuigen of is bordkarton voldoende?
  4. Hoe coherent moeten de gebeurtenissen in je verhaal samenhangen? Mogen er absoluut geen (merkbare) plotgaten zijn, of is gatenkaas met onsamenhangende zaken goed genoeg zolang het verhaal maar lekker loopt?

 

 

Tot slot

Een korte checklist:

  1. Wat wil je zelf? Wat zijn je kaders en je eigen schrijf- en groeidoelen?
  2. Wie is je publiek? Pas jij daar zelf ook bij?
  3. Hoe past gegeven advies bij jou persoonlijke doelen? Ga je binnen je eigen kaders werkelijk beter werk leveren als je dat advies gaat volgen? Is het schrijven nog wel lonend als je het op die manier gaat doen?

 

 

 

Vehicle design and some skin rendering

Vehicle design

I am doing some vehicle-design, which is quite time consuming and full of moments where I learn something new. Currently I am just playing around a bit, learning and not pushing the designs. (Mostly because I dont have time to do more.

I started with this:

render1 A spider-like vehicle that has quite a boxe-like shape.

Being an armored vehicle for personal use, I boxed it using simple shapes and a human form I already created as the basis.

boxing-spider1

At some point, after something like 3 weeks working on it from time to time, I got bored by the shape. It reminded me too much of this kind of design:

1971-daf-kalmar-1100

So I decided to redo the shape into someting more streamlined:

render12-closedss

Using a more classic shape with round curves, taking classic cars like Ferrari as  an example.

render12-closedss-a

It’s something different. I am not satisfied yet. Since this is a body-armour/vehicle the conceptual approach should be more like a motor cycle instead of a car, I guess.

Human skin

For the human character, I first used a simple skin-material I created myself, mixing different gloss/Fresnel materials together with simple specular. Resulting in this:

render11-detail1

Unsatisfied with the flatness, I decided to use the CG Blender SSS setup (see for links further down below). Compared with the previous renders, the skin on the next render is much more varied, without doing anything else than applying a meterial that has sub-surface scattering. A thing that happens for any and all materials that have some level of transparancy — like the human skin.

render12-detail1

 

The greyness in the first image is mostly because I deliberately mixed that grey in the original setup I used to create the skin material used in the second image.

More tuning with the settings and colors will result in warmer skin tones.

I downloaded the subsurface scattering skin material from this source .

The grass is still a work in progress.

 

Dropping hair-particles

I started out using hair-particles (as many others probably did) but switched to simple meshes because:

  1. I got frustrated by the lack of real control over shape.
  2. Grass made from hair-particles takes shitloads of resources, crashing Blender over and over
  3. With grass made from particles (and compared to using meshes instead) it takes Blender shitloads of time to build/prepare the scene for rendering.

 

Hair in Blender

While promising as a concept for noobs like me, hair-particles in Blender have turned to be mostly frustrating.

So I started to work on “alternative ways of making hair” as shown in several videos you can find on Youtube, aiming at a simple workflow that allows me to shape hair quick and easily.

My result after 2 hours of fun in that new workflow?

hair2

It completely relies on a simple base-image to create strands using transparancy and bump maps in Blender. This is the one I used, based on meshing together other peoples work:

hairstrands

Here is the summary of the process I used to create the hair:

1: Working on the 3D mesh:

Step 1: creating the surface to project the hair on.

  1. Create a plane to create a simple base-mesh based.
  2. Stretch it to your liking in edit mode.
  3. Use “Loop cut and slide” to subdivide the mesh so it has a “spine”
  4. Raise the “spine” to create a wedge so that the thing gets “volume”.
  5. Add “ribs”.
  6. Done.

This is what such a hair-plane might look like:

hair-plane

I start out with a simple plane, stretch it in edit mode and mainly use Loop cut and slide to create the “ribs” and the “spine”. Then I tweak the shape so it gets volume.

 

Step 2: creating a bezier curve, to shape the surface

This is the fun part. Instead of spending (many frustrating) hours melding your hair-meshes to fit the head of the model, you simply use a bezier curve. This curve allows you to shape and reshape the planes along any set of curves you like.

Easy hairdressing for the win.

  1. Create a bezier curve where you need it.
  2. Straighten it out.
  3. Position it correctly in the direction you want your hair to run
  4. Curve it properly.
  5. Done (with this step)

This is what it will look like (depending on your model and other facotrs)

beziercurves

In the image you see a selected Bezier-curve with nodes and their handles to determine the direction and strenght of the curve from those nodes.

Along with it I kept several planes visible, that follow that specific bezier-curve.

As you tweak the curve itself, Blender will updat the attached planes as well.

 

Step 3: adding de “Deform – Curve” modifier

Note: Do NOT apply the modifier until (ever never) (or when) you are done.

This point in yoir process is where the “look mom! almost without hands” hair-sculpting magic happens.

  1. Select the “hair” plane you created.
  2. Add the “Deform – curve” modifier.
  3. Select the appropriate bezier-curve in the “object” drop down (underneath the apply-button and marked yellow)
  4. Move the hair-plane so that it will nicely follow the curve as you want or need it to do.
  5. Play with the bezier-curve that you added in the previous step, to get things right
  6. Use ALT-D to duplicate your hair-plaine as a linked object. (More on that below) And plce them where wanted/needed.
  7. Done (for this step).

beziercurves-deform

Marked in yellow are the important bits.

What you see in this image:

We selected the 2D plane. Then we applied the Deform – Curve-modifier. The bezier curve I marked yellow is the one we use as the modifier. It is called: “Side left”. Notice how the selected plane follows that curve nicely.

The more horizontal and vertical distance you use, the more it will start “guessing”  the path to follow, making it less and less precise.

 

Limitations

There is at least one limitation to this method: you can’t use the bezier-curve to twist the plane. It will move through 3D-space, but you cant rotate the object around the axis you bend it along.

 

Using ALD-D to duplicate

One thing I started doing recently is to create linked objects instead of copies. The big benefit is that if I need to change the resolution of all hair-planes, I can do so on the one single object I “duplicated” all others will automatically update as well.

 

Rotating the object (in object mode) so it is easier to place

To make your plane move nicely along the curve, position it properly first by rotating it. Also note I try and put the 0/0 point at the “root”  of the hair-plane.

Below some examples, based on planes I already placed.

 

Forward:

b-forward-facing

Sideways:

b-sideways-facing

Backwards:

backwards-facing

After applying the Deform – Curve modifier, these hair-planes will follow the bezier nicely.

 

2: Applying the “hair material”

The hair-material is created with the following nodes (click for full-size image):

hair-material

There are 4 parts here:

  1. VisibilityPurpose: we want to make all part of the surfaces that are not hair-strands 100% tranparant. Solution: I use the grey- and white-values of the hair-map as a pass-through filter. White = 0% transparancy. Black = 100% transparancy. Issue: As the hair-map contains grey-values, I want to “boost” the white-levels. I do that with the RGB-curves thingy.
  2. Bump mapPurpose: we want life-like hair and to do so, we want to simulate light-fall on individual hair strands. Solution: use the hair-map also as bump-map. It contains nice grey-values to simulate the height-differences.
  3. Hair colorPupose: the hair has a specific color.  Solution: we simply choose a dark-brown for the Diffuse BSDF.
  4. Hair glossPurpose: hair is quite glossy. Solution: we add a Gloss BSDF. Notice that we use a lighter brown. Most natural hair has a slightly different gloss-color. This makes the hair itself more interesting as well, I think.

A visual breakdown :

All (gloss, bump, transparancy) implemented:

Notice the individual strands of hair. (I forgot to switch visibility on for some of the back strands, hence the gap showing the skull)

hair-all

Without transparancy:

hair-notransp

Without gloss:

hair-nogloss

Without bump map:

hair-nobump

And that’s basically it. 🙂

 

 

 

 

 

 

Redactie: hoe ik mijn verhalen doodschrijf of juist levendiger maak

Subtitel: “(Intensief) Redigeren: gevaar of goed idee?”

Perfectie. Of “mijn variant” daarvan

Er zijn even simpel gezegd twee kampen:

  1. De criticasters die soms of vaak totale perfectie wensen en eisen.
  2. De lezer die een leuk en fijn verhaal wil lezen

Het is aan de schrijver zelf welke schrijfdoelen hij of zij stelt. In mijn geval ben ik een zeer kritische lezer en een criticaster die “totale perfectie” eist. Ook in mijn eigen werk.

Maar mijn schrijfdoelen zijn niet heilig. Schrijvers die niet aan mijn (perfectionistische) schrijfdoelen voldoen, zijn niet minder schrijver dan ik: een redenering die ik vaak online voorbij zie komen. “Schrijvers MOETEN dit en dat!”

Bullshit.

Schrijvers die niet schrijven zoals ik, zijn schrijvers met andere doelstellingen en voor een ander publiek. Zo simpel is het. En als ik als lezer geen zin heb in het werk van die schrijvers, lees ik ze niet.

Ik ga verder niet proberen die schrijvers te veranderen (zodat ze gaan schrijven wat ik wil bijvoorbeeld).

Schrijvers zijn vrij om te doen wat ze willen. Klaar.

Fouten durven maken

Elk verhaal is in principe nieuw. Schrijven is daarom ook: experimenteren. Dingen doen die je al kent, dingen doen die je nog nooit geprobeerd hebt. Combineren. Lostrekken van dingen die je voorheen samen deed. Falen. Slagen. Opnieuw uitproberen. Zijpaden verkennen. Dingen loslaten. Jezelf laten verrassen. Fouten maken en fouten herstellen.

Als je verder wilt, hoger wilt: redigeer

Als je verder wilt met je schrijven, hoger wilt klimmen op je eigen ladder van mogelijkheden (wat een persoonlijke keuze is) dan is redactie essentieel. Geen enkele eerste versie van een verhaal (ongeacht wat je op dat moment mag denken en voelen) is het beste wat je uit dat werk kan halen.

Er zijn altijd dingen die onderbelicht zijn gebleven, pareltjes in je verhaal die nog niet uit de oesters zijn gehaald, goud op de grond en in de berm van het verhaal dat nog niet is opgeraapt, diamantjes die wel gevonden, maar nog niet (helemaal goed) geslepen zijn.

In mijn eigen ervaring begint een verhaal pas echt goed te glanzen na drie schrijf- en redactierondes. De eerste is de ruwe en eerste draft en de afronding daarvan, zodat het “af” is en gelezen kan worden. De tweede is de redactie na feedback. De derde versie is nadat het verhaal even gelegen heeft, eventueel nog wat feedback heeft gekregen en een derde schrijf en redactieronde heeft gekregen.

Redactie en doodschrijven

Ik schrijf en redigeer verhalen dood zodra ik ga nadenken over “de lezer”. Een hypothetische en zeer eenzijdige groep zeikerds/mensen, of een bepaalde azijnpisser/persoon, die voornamelijk in mijn hoofd bestaat en die (heel) kritisch naar mijn werk kijkt.

  1. “Kan ik dit wel doen?” — “Is dit wel goed genoeg volgens die persoon of die groep?” “Neem ik niet teveel risico?”
  2. “Sta ik niet voor schut?” — Waar ik anders wild zal dansen en grote risico’s zal nemen ga ik nu nadenken over die risico’s zelf. “Sta ik niet voor schut? Neem ik teveel risico? Maak ik geen domme fouten?”
  3. “Gaan mensen dit wel snappen?” — Waar ik hele spannende dingen en “complexe zaken” zou kunnen doen, ga ik het verhaal simpel maken “voor de lezer”.
  4. “Doe ik hier X wel een plezier mee?” — Waarbij “X” de jury van een wedstrijd kan zijn, of een specifieke criticus of “belangrijke persoon” die ik graag aan mijn kant wil krijgen. “Kijk eens wat een mooi verhaal ik voor jou geschreven heb!”

In dit proces en in mijn geval gaat mijn verhaal hierdoor vaak enorm dood, omdat ik niet meer mijn eigen flow volg, maar dans op de melodie van een verzonnen criticaster die (in mijn hoofd) alleen (nog) maar de slechte dingen ziet.

Of ik loop keihard vast met dat idee. (Schrijversblok)

Over externe kritiek

Proeflezers zijn essentieel, maar voornamelijk om te ontdekken waar het verhaal mijn eigen doelstellingen niet haalt. “Komt dit en dat over?”

Als het antwoord “nee” is, zal ik daar meer aandacht aan moeten geven (zie “Levendiger maken” hier beneden voor de stappen die ik normaal gesproken neem).

Het verhaal blijft mijn verhaal. Met mijn (schrijf)doelstellingen.

Dat een verhaal na kritiek wel eens drastisch kan veranderen komt voornamelijk doordat:

  1. De uitwerking van mijn verhaal op dat moment, gewoon niet meer voldoet.
  2. Ik vertrouwen heb verloren in mijn eigen uitvoering tot dan toe.

Dat laatste kan een slecht teken zijn. Het kan zijn dat ik onzeker wordt over mijn eigen schrijven. Zie mijn stukje over: “Redactie en doodschrijven” hierboven.

Levendiger maken

Ik heb in de afgelopen jaren een andere aanpak gevonden. Die ziet er zo uit:

  1. Doelstellingen scherp stellen — Ik zet eerst voor mezelf op een rijtje wat ik wil met dit verhaal.
  2. Inhoud scherp stellen — Ik wil weten waarover ik schrijf. “Wie is wie? Waarom doet hij/zij dat wel of niet? Welke elementen spelen een rol in die wereld? Waarom? Waarom andere dingen niet? Of ook?” En ook: “klopt dit wel? Klopt dit wel in verband met andere zaken in het verhaal?” [1]
  3. Nog wilder, nog mooier, nog extremer — Ik ga kijken of ik de boel (binnen bepaalde grenzen) nog verder naar de rand kan duwen. “Haal ik het meeste uit deze scene, in dit moment van dit verhaal? Kan het scherper? Mooier? Wilder? Extremer? Meer verstild?”
  4. Resonantie — Resoneert het? Emotioneel? Voel ik wat hier gaande is? Niet? Kan ik dit stuk zo herschrijven dat dat wel gebeurt?
  5. Vertrouwen in wat er staat — Als mijn eerste draft staat, is dat meestal (in ruwe vorm) het verhaal dat ik wil vertellen. Het kan zijn dat er nog wat kleine aanpassingen gebeuren, maar dat verhaal is wel het verhaal. Als die ruwe schets (totaal) niet werkt, ligt dat vaak aan de manier waarop ik het op dat moment geschreven heb, of de manier waarop ik dat moment weergeef.
  6. Terug in de koelkast — En soms is het idee en het (mogelijke) verhaal gewoon nog niet rijp genoeg en moet ik het later nog een keer proberen en niet nu. Dat verhaal gaat terug naar de koelkast. Het is waarschijnlijk nog zo rauw dat het herschreven moet worden.
  7. Schrappen — Sommige stukken in mijn verhaal waren leuk, of leken belangrijk toen ik ze schreef, maar voegen na afronding van dat verhaal niets (meer) toe aan dat verhaal. En kunnen dus worden weggesmeten. (“Kill your darlings”)
  8. Herschrijven — Sommige stukken moeten opnieuw. Regel na regel. Niet zozeer inhoudelijk (uitzonderingen daargelaten) maar in de manier waarop het gepresenteerd wordt. “Van ‘afstandelijk en beschrijvend’ naar ‘op de huid van het personage'” bijvoorbeeld.
  9. Veranderen van volgorde om de impact te vergroten — Soms komt een stuk harder, beter, effectiever aan als bepaalde informatie eerder, of pas later wordt gegeven. Dit kan een volledig hoofdstuk zijn, een paragraaf, of een scene.

[1]

Soms zijn mijn karakterschetsen en mijn lijstjes met achtergrondgegevens even omvangrijk als (en soms zelf groter dan) het verhaal zelf.

Research is daar verder een (belangrijk) onderdeel van. Veel googlen als dat nodig is en zorgen dat ik (goed genoeg) snap waar ik het over heb om niet al te dom over te komen als iemand een expert is op dat vlak.

Impact? Emotionele resonantie?

De impact van- en binnen een verhaal is in mijn geval: “de emoties die overblijven”.  Nadat de lezer een stuk- of een verhaal gelezen heeft bijvoorbeeld.

De emotionele resonantie binnen een verhaal is in mijn aanpak: “De emoties die loskomen tijdens het lezen van dat specifieke stuk”. Nagel ik je aan je stoel? Voel je (en ikzelf, tijdens het lezen en redigeren) het verdriet of de vreugde van dat personage?

Die emotionele resonantie is heel lastig te vatten. Net als bij muziek heeft die emotie een opbouw, is het een resultaat van een combinatie van “klanken”. Het is heel erg voelen als schrijver, om dat punt te pakken. En heel veel schrappen van zinnen die teveel sturend zijn.

“Ze is blij/verdrietig. Het was heel erg eng/heel erg erg/heel erg leuk.” Voel ik dit? Nee? Herschrijven die hap. En dan: bijschaven. Herlezen. Voelen. Bijschaven. Herlezen. Voelen. Net zo lang tot het (bij mij) gaat resoneren. En ik bij herlezing weken later spontaan tranen voel opkomen, of blijdschap. Of woede. Of angst. Of een “Fuck! Dit werkt!”.

Vertrouwen in wat er staat

Ik heb in 2012 een stelling ingenomen: “Er bestaat niet zoiets als ‘een slecht idee’. Het probleem ligt vaak bij de uitwerking.”

Als een idee niet werkt, ligt dat vaak niet aan dat idee zelf, maar aan de manier waarop dat is uitgewerkt. Om een heel lang verhaal kort te houden:

  1. Slechte research — Het idee kan best goed zijn, of goed werken, maar de schrijver heeft geen research gedaan. En daardoor klopt er geen zak van de uitwerking van dat idee. Ongeloofwaardige gebeurtenissen en plotgaten als gevolg.
  2. Luie uitwerking — De research kan best OK zijn, maar de uitwerking van het idee zelf is lui. Bijvoorbeeld door het volgen van al gebaande paden, of de keuze van oninteressante momenten en oninteressante personages
  3. Armzalige karakterisering — De personages doen van alles, maar zijn zo armzalig neergezet, dat ik –als lezer– geen binding met ze kan krijgen. Reacties die teveel over de top zijn, of te klungelig, of te geforceerd of juist totaal plat en afwezig. Alsof je naar een toneelstuk aan het kijken bent met acteurs die maar wat aan het rondkloten zijn.
  4. Te weinig samenhang/geratel — De scenes kunnen op zich goed zijn, maar ik kan als lezer de weg kwijtraken. “Waarom is dit stuk belangrijk voor het verhaal? Want ik zie het niet”. En soms kan een (stuk van dat) verhaal letterlijk bestaan uit het geratel van de schrijver.
  5. Teveel willen / gebrek aan focus — Soms bevat één verhaal teveel lijnen, zonder een duidelijke hoofdlijn te hebben. Het gaat over van alles, maar het is onduidelijk wat nu echt het kernpunt is van het verhaal. Waarvan geen enkele lijn geheel tot z’n recht komt. Dit komt bijvoorbeeld als de schrijver teveel wilt vertellen in één verhaal, en/of als de schrijver een gebrek aan focus heeft, bijvoorbeeld.
  6. Angst voor de lezer/risicomijdend schrijfgedrag — Een van de slechtste raadgevers bij het schrijven is “de fictieve lezer”. Fuck die fictieve lezer. Schrijf wat je wilt schrijven. Neem risico.

En hoe fix je dit soort problemen? Zie het begin van deze blogpost.