Personages in 1, 2 en 3 dimensies

Eerst drie voorbeelden, dan wat anderen zeggen over drie-dimensionale en multi-dimensionale personages.

Eendimensionaal

“Laten we morgen een boottocht maken,” zei hij. “En dan emigreren we naar Australie.”

“Okee,” zei ze, zonder werkelijk iets hierover te denken. Er was bij haar (net als bij hem overigens) verder geen enkele werkelijke emotie of gedachte die samenhing met dit besluit, slechts een groot leeg gat waar bij ander mensen een persoonlijkheid zat.

Aangezien ze buiten de kaders van dit verhaal toch geen werk, verplichtingen, vrienden of andere zaken hadden en het plot alles bepaalde wat in het verhaal gebeurde gingen ze zonder enige problemen op een boottocht en gaf de emigratie ook geen enkel probleem dat de moeite van het melden waard was.

“We gaan toch niet naar Australie,” zei hij aan het einde van de boottocht en er was in het hele verhaal tot dan toe geen enkele andere reden te vinden dan dan dat de schrijver zich bedacht had of een plottwist nodig had.

“Ja hoor, dat is goed,” zei ze, en daarmee was het klaar.

Beiden hadden waarschijnlijk een gezicht en benen en armen en handen en een schijn van een leven en een soort van vage, rudimentaire persoonlijkheid, maar het meeste wat de schrijver toonde van dat leven en die persoonlijkheid was een reactie op het plot. En plot bepaalt, zoals we al eerder zagen, alles voor deze personages.

 

Tweedimensionaal

Hij had evenveel diepte als bordkarton en een uiterlijk had dat tot in groot detail omschreven kon worden. Zijn emoties, zoals boosheid, vrolijkheid en verdriet kwamen absoluut voor in het verhaal, maar waren vaak voor uiterlijk vertoon, zonder enige ontwikkeling, op afroep beschikbaar en wekten niet echt de indruk dat ze gevoeld werden, of impact hadden op latere scenes.

Zo was er die ochtend dat hij verdrietig was, want zijn kat was doodgegaan. “Ik ben heel verdrietig,” had hij gezegd nadat hij het lijkje begraven had en hij huilde even hartstochtelijk. Daarna ging hij naar zijn werk en die avond was hij al weer vergeten dat hij verdrietig was.

Hij twijfelde die nacht even of hij die opdracht wel echt moest aannemen om de koning van Nabuurland te vermoorden, maar het geld won van de twijfels. Uiteindelijk zei hij altijd ja tegen geld. Altijd, want hij was meer een stereotype dan een echt mens: een persoonlijkheid die kon worden samengevat in een heel eenvoudig “als dit gebeurt dan doet hij uiteraard dat” diagram.

Uiteraard had hij ook een mening over iets, bijvoorbeeld over de monarchie van Nabuurland, zodat dat hem enige schijn van diepte in het verhaal zou geven, maar echt veel moeite om die mening diepte te geven deed de schrijver niet. Net als dat de schrijver weinig moeite besteedde aan die oppervlakkige backstory (onze hoofdpersoon was een commando geweest, of een marinier of een politieagent of iets anders uit een film of een boek, en wist dus daardoor bijvoorbeeld hoe hij moest omgaan met vuurwapens), waarin duidelijk zichtbaar was dat de schrijver eigenlijk geen zin had gehad in een diepgravend onderzoek naar werkelijke mensen in werkelijke situaties.

 

Driedimensionaal

Haar leven was breder en rijker dan in het verhaal getoond werd. Ze had werk, verlangens, dromen en wensen, vrienden, vriendinnen, buren, collega’s, minnaars en ouders. Dingen die ze leuk vond en dingen die haar niet aanstonden. Mensen die ze bewonderde en mensen die ze liever ontweek, dingen waar ze goed in was en dingen waarin ze vaker faalde dan succesvol was. Haar werk en haar bezigheden hadden zeer concrete vorm en het was duidelijk zichtbaar dat de schrijver moeite had gedaan zich diep in te leven in haar wereld, degelijk was geweest in zijn / haar research.

Elk besluit dat ze maakte, elk ding dat ze toeliet, elk ding dat ze blokkeerde had consequenties op haar leven en haar toekomst. En daarom zei ze droog: “Nee,” toen hij met een voorstel kwam. Een lastige keuze, omdat ze graag wilde, maar een “ja” een conflict zou hebben veroorzaakt dat ze tegen elke prijs wilde voorkomen. En ze gaf in heldere bewoordingen drie korte redenen die direct verband hielden met haar eigen leven, haar eigen prioriteiten, haar eigen wensen, haar eigen belangen en de belangen en wensen van anderen. Voldoende om helder te zijn, en voldoende om haar eigen motieven en haar eigen gevoel van verlies verborgen te houden, want ook hij was een rond personage met eigen verlangens, wensen en doelstellingen en zodra hij ook maar een idee zou krijgen wat ze had opgegeven, zou dat zijn acties en reacties naar haar en dat onderwerp een andere koers geven.

In een ander leven, in een andere situatie had ze wellicht anders totaal gereageerd, met meer woorden, met andere woorden, of zelfs helemaal niet. Maar dit was nu. Dit was zij. En dit was hoe zij reageerde op deze situatie.

 

Driedimensionale personages volgens anderen (in het Engels)

James Frey (in: How to write a damn good novel, part 1)

[The two-dimensiona characters] are easily labeled characters who seem to have only one trait: they are greedy, or pious, or cowardly, or servile, or horny, and so on. […] They have no depth; the writer does not explore their motives or inner conflicts—their doubts, misgivings, feelings of guilt. […] when they are used for major roles, such as the principal villain, dramatic writing turns into melodrama.

Rounded characters […] have complex motives and conflicting desires and are alive with passions and ambitions. They have committed great sins and have borne agonizing sufferings; they are full of worries, woes, and unresolved grievances. The reader has a strong sense that they existed long before the novel began, having lived rich and full lives. Readers desire intimacy with such characters because they are worth knowing.

Lajos Egri (The Art of Dramatic Writing) 

Every object has three dimensions: depth, height, width. Human beings have an additional three dimensions: physiology, sociology, psychology. Without a knowledge of these three dimensions we cannot appraise a human being. It is not enough, in your study of a man, to know if: he is rude, polite, religious, atheistic, moral, degenerate. You must know why. We want to know why man is as he is, why his character is constantly changing, and why it must change whether he wishes it or no.

The first dimension, in the order of simplicity, is the physiological. It would be idle to argue that a hunchback sees the world exactly opposite from a perfect physical specimen. A lame, a blind, a deaf, an ugly, a beautiful, a tall, a short person -each of these sees everything differently from the other. A sick man sees health as the supreme good; a healthy person belittles the importance of health, if he thinks of it at all. […]

Sociology is the second dimension to be studied. If you were born in a basement, and your playground was the dirty city street, your reactions would differ from those of the boy who was born in a mansion and played in beautiful and antiseptic surroundings.
But we cannot make an exact analysis of your differences from him, or from the little boy who lived next door in the same tenement, until we know more about both of you. Who was your father, your mother? Were they sick or well? […]

The third dimension, psychology, is the product of the other two. Their combined influence gives life to ambition, frustration, temperament, attitudes, complexes. Psychology, then, rounds out the three dimensions.
If we wish to understand the action of any individual, we
must look at the motivation which compels him to act as he
does. […]

E.M. Forster (Aspects of the novel)

Dickens’ people are nearly all flat (Pip and David Copper-field attempt roundness, but so diffidently that they seem more like bubbles than solids). Nearly every one can be summed up in a sentence, and yet there is this wonderful feeling of human depth. Probably the immense vitality of Dickens causes his characters to vibrate a little, so that they borrow his life and appear to lead one of their own. It is a conjuring trick; at any moment we may look at Mr. Pickwick edgeways and find him no thicker than a gramophone record. But we never get the sideway view.

[…]

The test of a round character is whether it is capable of surprising in a convincing way. If it never surprises, it is flat. If it does not convince, it is a flat pretending to be round. It has the incalculability of life about it—life within the pages of a book.

[…]

All her [Jane Austen’s] characters are round, or capable of rotundity. Even Miss Bates has a mind, even Elizabeth Eliot a heart, and Lady Bertram’s moral fervour ceases to vex us when we realize this: the disk has suddenly extended and become a little globe. […]  her characters though smaller than [those by Dickens] are more highly organized. They function all round, and even if her plot made greater demands on them than it does, they would still be adequate. […] All the Jane Austen characters are ready for an extended life, for a life which the scheme of her books seldom requires them to lead

[…]

The test of a round character is whether it is capable of surprising in a convincing way. If it never surprises, it is flat. If it does not convince, it is a flat pretending to be round. It has the incalculability of life about it—life within the pages of a book.

Will Dunne (The dramatic writer’s companion toolkit)

If you do not fully understand the character’s needs and motivations, you may find yourself with a twodimensional “villain” who fails to emerge from the page in an interesting and believable way. […]

Stock villains—such as the heartless landlord or evil stepsister—are the stuff of fables, but in a complex dramatic story they are the products of writers who did not know their characters well enough to write them. In the end, the antagonists whom we hate or fear most are often those whom the writer loved most

[…]

Dramatic characters tend to be active beings. They do things because they want things, and they cause stories to happen. From a technical point of view, their behavior has two functions: to show us who they really are— especially when they say one thing but do another—and to move the dramatic journey forward. In a great story, these functions have been so seamlessly combined that one rarely occurs without the other: character revelation and story movement go hand in hand. […]

Through the course of a story, a multidimensional character will act many different ways for many different reasons. Even if some of these actions seem contradictory—and they often do in a great character—they all flow from the same source: the root action or “spine” of the character.

[…]

A multidimensional character manifests many different traits—both positive and negative—during the course of a story.

James Frey (in: How to write a damn good novel, part 2)

Edwin A. Peeples says in A Professional Storywriter’s Handbook that characters “must have the uniqueness of real people. They must have the contrasts of inconsistent behavior common to individuals . . . contrasts make character.” It is through such contrasts that fully rounded, three-dimensional characters are brought to life. It is through contrast that good characters can become great characters who are truly worth knowing.
Great characters are so extraordinarily interesting that if you met them at a cocktail party you’d later want to tell others about them. A good dramatic character, then, is interesting in the normal sense of what makes people interesting.

Diversiteit, inclusiviteit en politieke correctheid

Diversiteit

In de afgelopen 30 jaar is de diversiteit in Nedelrand alleen maar toegenomen. Eén voorbeeld daarvan: er zijn in Amsterdam in 2007 meer dan 177 nationaliteiten geteld. Verder is  diversiteit zeker in Nederland (dat ooit voor een groot deel uit moerasland bestond en voornamelijk door immigranten uit omringende landen werd bevolkt) een integraal onderdeel van de geschiedenis.

Wat doe je als schrijver met een diverse realiteit zoals de onze?

Wat als ‘de norm’ jou als lezer buitensluit?

Wat doe je- en wat wil je als schrijver met personages die binnen jouw genre nauwelijks tot niet gerepresenteerd worden?

Hoe kun je je als lezer identificeren met een verhaal waarin jijzelf, of jouw soort persoonlijkheid, of waarin personages met eigenschappen die binnen jouw voorkeuren vallen, (volledig) afwezig zijn?

Een voorbeeld: jouw lezer is niet-heteroseksueel, niet blank en niet van een blank-Europese achtergrond, maar 95% van de verhalen die beschikbaar zijn in jouw markt gaat over blanke, heteroseksuele mensen met een blank-Europese (en vaak Judeo-Christelijke) achtergrond.

Is (of wordt) diversiteit een speerpunt in je werk? Schuif je die diversiteit onder het tapijt? Hou je het allemaal vaag in het midden (bijvoorbeeld door niets te benoemen en neutrale namen te kiezen) en laat je het (geheel) over aan de lezer?  Of doe je er gewoon helemaal niets mee en is iedereen zoals jijzelf?

 

Racisme

En hoe zit het met racisme? Wanneer ben je als schrijver bezig met het bevestigen van racistische denkbeelden in je verhaal? Is het racistisch (zoals sommigen beweren) als je juist de aandacht verplaatst naar de dominantie van blanke mensen en een blanke cultuur in een bepaalde context?

Is het racistisch om bepaalde groepen uit te sluiten van je verhalen en je verhaalwereld?

 

Seksisme

Seksisme is een ander heet hangijzer. Is het seksistisch als er alleen maar mannen of alleen maar vrouwen in een verhaal voorkomen? Of als slechts één van deze partijen de macht in handen heeft en de ander niet?

Is het mogelijk sappige verhalen vol seks te schrijven, zonder seksistisch te zijn?

Zou je jezelf daar eigenlijk wel druk over willen of moeten maken?

 

Discriminatie

Breder praten we (met racisme én seksisme) over discriminatie. Drie voorbeelden:

  1. Superioriteit — Handelen naar het idee dat één volk of één specifiek geslacht (man óf vrouw) (genetisch of anderzijds) “superieur” is aan het andere.
  2. Privileges — Het (structureel) ontnemen of ontzeggen van bepaalde privileges, op basis van het geslecht, een bepaalde huidskleur of een bepaalde etnische afkomst.
  3. Uitsluiting — Het (structureel) uitsluiten van mensen die van een ander geslacht of van een andere etnische achtergrond zijn.

Een paar voorbeelden:

“Mannen zijn superieur aan vrouwen, blanken superieur aan mensen met een donkere huidskleur.”

“Mannen hebben recht op een hoger loon dan vrouwen. Mensen van een andere etnische afkomst hebben minder recht op sociale bijstand.”

“Vrouwen en mensen van een andere etnische achtergrond zijn hier niet welkom.”

In elk van deze voorbeelden is sprake van een (vaak genormaliseerde en scheve) machtsverhouding. “Wij hebben de macht. Jij niet.”

Verder is sprake van een veroordeling op basis van uiterlijke kenmerken (vrouw zijn, een andere huidskleur hebben) of op basis van herkomst (een andere buurt, een andere stad, een ander land, een ander werelddeel).

Tot slot is in heel veel gevallen sprake van een systematische herhaling van onzin/onwaarheden over die andere partijen. (“Ik ben genetisch superieur aan jou” is daar één voorbeeld van. “Mannen zijn jagers en vrouwen zorgdragers” is een tweede.)

Discriminatie is geen willekeurig is, maar heeft een heel duidelijk aantal doelen, waaronder:

  1. Het klein houden van die ‘ander’ (door hem of haar macht en zeggenschap te ontnemen).
  2. Het drijven van een wig tussen jou en die ‘ander’ (zodat er o.a. geen reden is tot samenwerking).

 

 

Inclusiviteit

Het idee van inclusivitiet binnen het schrijversvak, is dat je andere mensen, met andere kenmerken gaat betrekken in je werelden.

Niet als stereotypen en “omdat het moet” maar omdat ze ook aanwezig zijn in die wereld. Wie en wat en hoe en hoe veel of hoe vaak is aan jou als schrijver zelf.

Maar hoe doe je dat?

De meest eenvoudige manier (zeker als je dat nog nooit eerder hebt gedaan) is door ze precies zo te schrijven als je zou doen met je andere personages.

Denk hierin bijvoorbeeld aan Reilly in de eerste “Alien” film. Gespeeld door een vrouw, maar oorspronkelijk geschreven als een mannelijk personage. Hoe ‘raar’ dat is, komt bijvoorbeeld naar voren in deze quote: “She’s not a sidekick, arm candy, or a damsel to be rescued. Starting with Alien, Ripley was a fully competent member of a crew or ensemble — not always liked and sometimes disrespected, but doing her job all the same.” (bron)

Wie zijn dat? Een greep:

  1. Beroepen — Mannen in ‘vrouwenberoepen’ en vrouwen in ‘mannenberoepen’
  2. Windstreken — Mensen uit verschillende windstreken, die vanwege diverse redenen daar gekomen zijn waardoor ze voor dat verhaal relevant zijn geworden
  3. Geaardheden — Mensen met verschillende geaardheden (seksueel en anderzijds) die dat zijn omdat ze dat nu eenmaal zijn van hun geboorte
  4. Interne bedrading — Mensen met een andere ‘interne bedrading’, waardoor ze de werkelijkheid anders waarnemen; zich binnen hun eigen normaliteit anders denken en/of zich anders gedragen dan de meeste mensen rondom.
  5. Geloofssystemen — Mensen met andere geloofssystemen (en overtuigingen) die binnen hun eigen denkkaders volledig logische verklaringen vinden voor wat voor andere mensen vreemd is of vreemd lijkt.

Benoem je dan ook hun kenmerken? Hun ‘anders’ zijn? Hoe veel aandacht gaat daar naar uit? Hoe doe je dat?

Hier drie uitgangspunten:

  1. Relevantie — Is het belangrijk voor jouzelf en jouw specifieke doelgroep dat dit helder is? Zoja: draai niet om de hete brij heen.
  2. Sfeer en identificatie — Voegt het voor jou en je lezers toe aan de sfeer van dat verhaal en de identificeerbaarheid met dat verhaal en die personages als die verschillen helder zijn? Zoja: wees dan helder over die verschillen en eigenschappen.
  3. Eigenheid — Zijn de personages die je schrijft eigen aan jezelf? Komt het uit je hart of uit een diepe wens dit te doen? Doe het dan gewoon, naar je eigen inzicht.

Het is hierin zeker handig research te doen naar de levens- en belevingswerelden van de personages die je probeer te schrijven. Zeker als die verder bij jouzelf en wat bij jou bekend is vandaan liggen en leven.

De meest eenvoudige manier om die afstand te overbruggen is als volgt:

  1. Research — Doe research. Lees je in. Volg discussies online van mensen die dat leven leiden en in die situaties leven.
  2. Begrip — Leef je in in hun uitganspunten. Kun je hun gezichtspunt begrijpen en overnemen in je verhalen?
  3. Keuzes — Kies hoe je dat wilt doen. Wat toon je? Vanuit welk perspectief? En met wat voor soort persoonlijkheid? (Denk opnieuw aan Ripley uit “Alien”, die kundig én toevallig ook een vrouw is.)

 

Politieke correctheid

Politieke correctheid is wat mij betreft een stok. Waarmee mensen geslagen worden.

Doe je dingen omdat je graag ‘politiek correct’ wilt zijn, heroverweeg dan je redenen om meer diversiteit in je werk te brengen.

De weerstand vanuit de wereld rondom kan behoorlijk hoog worden als je bepaalde taboes of bepaalde denkbeelden expliciet en weloverwogen en goed onderbouwd in je werk naar voren brengt.

De bewering dat iets gedaan wordt “uit politieke correctheid” is wat mij betreft vaak een bewering met een politieke reden: “Hou je bek over mensen die we voornamelijk negeren. Maak ze niet zichtbaar.”

Interessant is dat “politieke correctheid” (soms nabijheid van het woord gutmensch) vaak gebezigd wordt in verband met menselijke verhalen over mensen die (vaak) buiten hun schuld in kutsituaties leven. Alsof het fout is om empathisch te zijn.

 

Je huiswerk doen

Dat “goed onderbouwd” is kern. Als je andere mensen dan de standaard keuzes (die overigens verschillen per genre en doelgroep) binnen je verhaal bestaansrecht gaat geven, is het handig als je goed onderzoek doet. (Zie wat hierboven daarover staat)

Des te beter jij je kunt inleven in je personages, des te echter ze over gaan komen in je werk.

Hoe je dat invult (en hoe ver je gaat in het benoemen van expliciete zaken) is aan jou als schrijver.

 

Uitsluiting versus fouten maken

Moet je ‘andersoortige’ personages (niet-jouw-geaardheid, niet-jouw-huidskleur, niet-jouw-overtuigingen-delend, niet-jouw-afkomst/herkomst) vermijden? (Ongeveer de meest voorkomende vraag op dit onderwerp.)

Ik zelf vind van niet. Juist het verkennen van dat soort personages waar ik vrij weinig over lees en juist het verkennen van die eigenschappen die ik bij mezelf ontken of ontwijk is voor mij wat het schrijven extra leuk maakt.

Ik maak liever fouten dan dat ik me laat opsluiten in ‘meer van mijn veilige zelf, zoals ik wil dat de buitenwereld mij ziet’.

Ik probeer daarin ook steeds explicieter te worden, zonder dat verhaal een draak te maken van — vooral — armzalige/slechtgeschreven karakterschetsen. Elke nieuwe expressievorm (in dit geval het insluiten van meer diversiteit) vereist nieuwe skills. En het leren van die skills kost tijd en moeite en gaat met vallen en struikelen en opstaan en nog meer vallen en struikelen.

 

Tot slot

Ik persoonlijk vind het resultaat daarvan (iets meer diversiteit in mijn eigen werk, een betere representatie van de wereld rondom mijzelf) lonend.

 

 

 

De echo-kamer met een beperkte set van schrijfregels

Show, don’t tell, beginnen in media-res, beperking van het aantal gezichtspunten in een (kort) verhaal, simpele woorden gebruiken en heldere zinnen schrijven, vooral een heldere en lineaire verhaalopbouw gebruiken zodat je je lezers niet verliest, het principe van ‘Chekhofs gun‘ respecteren, bloemrijke taal vermijden, bijwoorden zoveel mogelijk schrappen, de lezer niet teveel laten nadenken, de lezer niet teveel lastig vallen met moeilijke dingen.

Zomaar een greep uit schrijftips en aanbevelingen waar — in bepaalde echo-kamers van schrijvers — in mijn optiek soms teveel nadruk wordt gelegd als een ‘waarheid’.

 

1: Fuck de regels

Veel ‘schrijfregels’ zijn voornamelijk bevindingen. “Dit werkt in veel gevallen beter dan dat” waarbij rekening moet worden gehouden met het type lezer en het type verhaal. En net als bij sociale interacties heb je regels die:

  1. Helpen om die interactie tussen jou en je lezer makkelijker te maken
  2. Voor jou persoonlijke schrijven meer als een dwangbuis werken dan een hulpmiddel
  3. Totaal verkeerd aan je worden uitgelegd en daardoor een negatief effect hebben op je denken, je begrip en je werk

Een verhaal kan voornamelijk show zijn, kan helder en lineair zijn opgebouwd, kan zich richten op één personage, kan met de actie in media-res beginnen, kan een belangrijk plotpunt direct in het begin introduceren, kan zo worden opgebouwd dat elk element in het verhaal een groter cohesief geheel gaat vormen (Chekhofs gun), kan helder en efficient zijn in zinsbouw en woordgebruik. Het hoeft echter niet.

Daarom les 1: fuck de regels. Wat andere mensen graag in jouw verhaal terug zien is niet noodzakelijk wat jij wilt (of moet) schrijven. En in veel gevallen horen mensen (inclusief ikzelf) op dit vlak vaak de klok luiden maar hebben ze de fuck verstand waar werkelijk de klepel hangt.

 

2: Lees jezelf in

Literatuur en lectuur zijn geen statische objecten. Ook in de literatuur is vaak sprake van een ‘gevestigde orde’ met regeltjes die bepaald worden door een beperkte groep mensen met een grote bek en een groot genoeg platform om door (te) veel anderen gehoord te worden.

Het zijn vaak juist de tegenbewegingen die deze gevestigde orde (met hun vaak te nauwe regeltjes) zwaar onder druk zet en die deze gevestigde orde zelfs volledig in de vergetelheid kan duwen.

Zeker in de laatste 150 jaar zijn er binnen dit kader veel stijlvormen ontwikkeld waarmee je een verhaal zou kunnen vertellen (lees voor een beginpuntje dit stuk).

Twijfel je aan de dogma’s, lees jezelf dan in, in die verschillende stromingen en (bijbehorende) stijlvormen. Wat zijn de basisbeginselen bijvoorbeeld? Hoe zouden die bij jouw eigen aanpak kunnen passen? En welke effecten denk jij als schrijver daarmee teweeg te kunnen brengen bij de lezer?

 

3: Maak keuzes

Ik begin meestal met twee kernvragen:

  1. Wat wil ik overbrengen?
  2. Hoe wil ik mijn verhaal vertellen?

De stijl (het hoe in mijn geval) van een verhaal kan onder andere de emotie versterken die ik als schrijver over wil brengen (het wat in mijn geval).

Hier zijn vervolgens een aantal stijl-opties waar ik uit kies:

  1. Lineair / non lineair — Het verhaal volgt een heldere causale lijn waarin de ene actie op de andere volgt / het verhaal volgt een non-causale lijn, die zich bijvoorbeeld richt op de emotionele ontwikkeling van het personage
  2. Eén hoofdperonage / meerdere gezichtspunten — Het verhaal wordt vanuit één persoon verteld / meerdere personages geven elk hun eigen gezichtspunt, bijvoorbeeld rondom een bepaalde gebeurtenis of reeks van gebeurtenissen.
  3. Beschouwend / stream of conciousness — Het verhaal is een heldere beschouwing achteraf / we zitten midden in de actie en beleven vanuit de eerste hand (soms zonder duiding en soms chaotisch) wat er gebeurt.
  4. Afgerond / open — Het verhaal rondt netjes af waar het mee begon / het begin is slechts een aanzet tot andere gebeurtenissen die mogelijk geen conclusie bereiken.
  5. Focus op verhaal / focus op emotie — Het verhaal is de kern / de emotionele belevenis (van de lezer) is de kern van het verhaal en de gebeurtenissen ondersteunen dit proces slechts.
  6. Betrouwbare / onbetrouwbare verteller — Wat je leest is ook echt wat er binnen die verhaalwereld gebeurd is / wat je leest is een zeer subjectieve interpretatie van gebeurtenissen, die zich niet noodzakelijk werkelijk zo, of in die volgorde hebben voorgedaan.

(Ik ben hierin in de afgelopen jaren merkbaar conservatiever geworden, wat één van de redenen is dat ik de noodzaak voelde om hier een blogpost over te schrijven.)

Verder kun je verhalen schrijven als een serie brieven of e-mails, in de vorm van artikelen en berichtgevingen, in mengvormen waarin (bijvoorbeeld) emails en/of berichtgeving door journalisten en bloggers wordt afgewisseld met eerstehands ervaringen van één of meer personages.

Vanuit verhaaltechnisch oogpunt bestaan er eigenlijk geen beperkingen meer. Elke schrijfregel is al een keer grondig stukgemaakt. Sommige schrijvers hebben daar vervolgens weer een grote en prestigieuze literaire prijs mee gewonnen en de Aarde draait nog steeds rond de zon.

De vraag is daarom dan ook: wat wil jij? Waarom? Hoe? En hoe ga je dat invullen?

 

4: Gééf om je lezer, maar hou zelf de regie in handen

Lezers zijn mensen. En met sommige mensen zul je nooit een vriendschap op kunnen bouwen (omdat het gewoon een stel enorme eikels zijn, of omdat hun primaire interesses te ver van jouw eigen primaire interesses af liggen bijvoorbeeld). Daarom is het goed na te denken over wie je probeert te dienen en welke beloning je daar zelf uit hoopt te gaan halen. Ook lezers geven iets terug.

Dus:

  1. Wie is je lezer? Wie wil je (gaan) bereiken?
  2. Waarom wil jij die lezer iets geven dat aansluit op hun interesses?
  3. Hoe wil je dat gaan doen?
  4. Waarom zou jij die specifieke lezer leuk, aardig of interessant kunnen gaan vinden?

Stel een profiel op. Begin met jezelf. Wat voor persoon ben jij, of zou je (juist niet?) willen zijn? Wat maakt een verhaal voor jou (rete)interessant? Welk soort verhalen worden volgens jou te weinig geschreven? Hoe zou jij daar als schrijver in willen en kunnen voorzien?

Omdat je waarschijnlijk niet alleen voor jezelf schrijft, is het nuttig om ook naar je lezer en de markt te kijken.

Wat is belangrijk voor die lezer? Waar wordt die lezer helemaal lyrisch van? Waar knapt die lezer (die mogelijk heel veel op jouzelf lijkt) juist op af?

Wat zijn de goedlopende genres? Wie zijn de meest verkopende schrijvers? Wat maakt hun werk aantrekkelijk voor dat (grote) lezerspubliek? Welke stijlvormen gebruiken ze? Kun je die zelf ook toepassen? Kun je daar iets eigens aan toevoegen. Is het werk dat jij wilt lezen en schrijven een commercieel succesvolle stroming of juist een slechtlopende niche? Voel je je — zeker als het een niche is — daar comfortabel bij?

Waar en wanneer begin je je eigen doelen te verliezen? Waar en wanneer beginnen de verhalen voornamelijk voor andere mensen te zijn en niet meer voor jezelf?

 

5: Kwaliteit?

Kwaliteit is een subjectief begrip. Elke lezer heeft zijn/haar eigen eisen aan jouw verhaal.

Als schrijver kun je daarom maar één ding doen. En dat is je eigen kwaliteitsdoelen stellen. Een voorbeeld:

  1. Hoe moeten zinnen zijn opgesteld? Hoe moet de ritme en de flow zijn van je verhaal?
  2. Hoe diep graaf je als je onderzoek doet naar de onderwerpen die je aanhaalt in je werk? Hoe vergevingsgezind ben je als blijkt dat je feitelijk fout zit?
  3. Hoe belangrijk zijn de innerlijke werelden van je personages? Moeten ze emotioneel en inhoudelijk overtuigen of is bordkarton voldoende?
  4. Hoe coherent moeten de gebeurtenissen in je verhaal samenhangen? Mogen er absoluut geen (merkbare) plotgaten zijn, of is gatenkaas met onsamenhangende zaken goed genoeg zolang het verhaal maar lekker loopt?

 

 

Tot slot

Een korte checklist:

  1. Wat wil je zelf? Wat zijn je kaders en je eigen schrijf- en groeidoelen?
  2. Wie is je publiek? Pas jij daar zelf ook bij?
  3. Hoe past gegeven advies bij jou persoonlijke doelen? Ga je binnen je eigen kaders werkelijk beter werk leveren als je dat advies gaat volgen? Is het schrijven nog wel lonend als je het op die manier gaat doen?

 

 

 

Vehicle design and some skin rendering

Vehicle design

I am doing some vehicle-design, which is quite time consuming and full of moments where I learn something new. Currently I am just playing around a bit, learning and not pushing the designs. (Mostly because I dont have time to do more.

I started with this:

render1 A spider-like vehicle that has quite a boxe-like shape.

Being an armored vehicle for personal use, I boxed it using simple shapes and a human form I already created as the basis.

boxing-spider1

At some point, after something like 3 weeks working on it from time to time, I got bored by the shape. It reminded me too much of this kind of design:

1971-daf-kalmar-1100

So I decided to redo the shape into someting more streamlined:

render12-closedss

Using a more classic shape with round curves, taking classic cars like Ferrari as  an example.

render12-closedss-a

It’s something different. I am not satisfied yet. Since this is a body-armour/vehicle the conceptual approach should be more like a motor cycle instead of a car, I guess.

Human skin

For the human character, I first used a simple skin-material I created myself, mixing different gloss/Fresnel materials together with simple specular. Resulting in this:

render11-detail1

Unsatisfied with the flatness, I decided to use the CG Blender SSS setup (see for links further down below). Compared with the previous renders, the skin on the next render is much more varied, without doing anything else than applying a meterial that has sub-surface scattering. A thing that happens for any and all materials that have some level of transparancy — like the human skin.

render12-detail1

 

The greyness in the first image is mostly because I deliberately mixed that grey in the original setup I used to create the skin material used in the second image.

More tuning with the settings and colors will result in warmer skin tones.

I downloaded the subsurface scattering skin material from this source .

The grass is still a work in progress.

 

Dropping hair-particles

I started out using hair-particles (as many others probably did) but switched to simple meshes because:

  1. I got frustrated by the lack of real control over shape.
  2. Grass made from hair-particles takes shitloads of resources, crashing Blender over and over
  3. With grass made from particles (and compared to using meshes instead) it takes Blender shitloads of time to build/prepare the scene for rendering.

 

Hair in Blender

While promising as a concept for noobs like me, hair-particles in Blender have turned to be mostly frustrating.

So I started to work on “alternative ways of making hair” as shown in several videos you can find on Youtube, aiming at a simple workflow that allows me to shape hair quick and easily.

My result after 2 hours of fun in that new workflow?

hair2

It completely relies on a simple base-image to create strands using transparancy and bump maps in Blender. This is the one I used, based on meshing together other peoples work:

hairstrands

Here is the summary of the process I used to create the hair:

1: Working on the 3D mesh:

Step 1: creating the surface to project the hair on.

  1. Create a plane to create a simple base-mesh based.
  2. Stretch it to your liking in edit mode.
  3. Use “Loop cut and slide” to subdivide the mesh so it has a “spine”
  4. Raise the “spine” to create a wedge so that the thing gets “volume”.
  5. Add “ribs”.
  6. Done.

This is what such a hair-plane might look like:

hair-plane

I start out with a simple plane, stretch it in edit mode and mainly use Loop cut and slide to create the “ribs” and the “spine”. Then I tweak the shape so it gets volume.

 

Step 2: creating a bezier curve, to shape the surface

This is the fun part. Instead of spending (many frustrating) hours melding your hair-meshes to fit the head of the model, you simply use a bezier curve. This curve allows you to shape and reshape the planes along any set of curves you like.

Easy hairdressing for the win.

  1. Create a bezier curve where you need it.
  2. Straighten it out.
  3. Position it correctly in the direction you want your hair to run
  4. Curve it properly.
  5. Done (with this step)

This is what it will look like (depending on your model and other facotrs)

beziercurves

In the image you see a selected Bezier-curve with nodes and their handles to determine the direction and strenght of the curve from those nodes.

Along with it I kept several planes visible, that follow that specific bezier-curve.

As you tweak the curve itself, Blender will updat the attached planes as well.

 

Step 3: adding de “Deform – Curve” modifier

Note: Do NOT apply the modifier until (ever never) (or when) you are done.

This point in yoir process is where the “look mom! almost without hands” hair-sculpting magic happens.

  1. Select the “hair” plane you created.
  2. Add the “Deform – curve” modifier.
  3. Select the appropriate bezier-curve in the “object” drop down (underneath the apply-button and marked yellow)
  4. Move the hair-plane so that it will nicely follow the curve as you want or need it to do.
  5. Play with the bezier-curve that you added in the previous step, to get things right
  6. Use ALT-D to duplicate your hair-plaine as a linked object. (More on that below) And plce them where wanted/needed.
  7. Done (for this step).

beziercurves-deform

Marked in yellow are the important bits.

What you see in this image:

We selected the 2D plane. Then we applied the Deform – Curve-modifier. The bezier curve I marked yellow is the one we use as the modifier. It is called: “Side left”. Notice how the selected plane follows that curve nicely.

The more horizontal and vertical distance you use, the more it will start “guessing”  the path to follow, making it less and less precise.

 

Limitations

There is at least one limitation to this method: you can’t use the bezier-curve to twist the plane. It will move through 3D-space, but you cant rotate the object around the axis you bend it along.

 

Using ALD-D to duplicate

One thing I started doing recently is to create linked objects instead of copies. The big benefit is that if I need to change the resolution of all hair-planes, I can do so on the one single object I “duplicated” all others will automatically update as well.

 

Rotating the object (in object mode) so it is easier to place

To make your plane move nicely along the curve, position it properly first by rotating it. Also note I try and put the 0/0 point at the “root”  of the hair-plane.

Below some examples, based on planes I already placed.

 

Forward:

b-forward-facing

Sideways:

b-sideways-facing

Backwards:

backwards-facing

After applying the Deform – Curve modifier, these hair-planes will follow the bezier nicely.

 

2: Applying the “hair material”

The hair-material is created with the following nodes (click for full-size image):

hair-material

There are 4 parts here:

  1. VisibilityPurpose: we want to make all part of the surfaces that are not hair-strands 100% tranparant. Solution: I use the grey- and white-values of the hair-map as a pass-through filter. White = 0% transparancy. Black = 100% transparancy. Issue: As the hair-map contains grey-values, I want to “boost” the white-levels. I do that with the RGB-curves thingy.
  2. Bump mapPurpose: we want life-like hair and to do so, we want to simulate light-fall on individual hair strands. Solution: use the hair-map also as bump-map. It contains nice grey-values to simulate the height-differences.
  3. Hair colorPupose: the hair has a specific color.  Solution: we simply choose a dark-brown for the Diffuse BSDF.
  4. Hair glossPurpose: hair is quite glossy. Solution: we add a Gloss BSDF. Notice that we use a lighter brown. Most natural hair has a slightly different gloss-color. This makes the hair itself more interesting as well, I think.

A visual breakdown :

All (gloss, bump, transparancy) implemented:

Notice the individual strands of hair. (I forgot to switch visibility on for some of the back strands, hence the gap showing the skull)

hair-all

Without transparancy:

hair-notransp

Without gloss:

hair-nogloss

Without bump map:

hair-nobump

And that’s basically it. 🙂

 

 

 

 

 

 

Redactie: hoe ik mijn verhalen doodschrijf of juist levendiger maak

Subtitel: “(Intensief) Redigeren: gevaar of goed idee?”

Perfectie. Of “mijn variant” daarvan

Er zijn even simpel gezegd twee kampen:

  1. De criticasters die soms of vaak totale perfectie wensen en eisen.
  2. De lezer die een leuk en fijn verhaal wil lezen

Het is aan de schrijver zelf welke schrijfdoelen hij of zij stelt. In mijn geval ben ik een zeer kritische lezer en een criticaster die “totale perfectie” eist. Ook in mijn eigen werk.

Maar mijn schrijfdoelen zijn niet heilig. Schrijvers die niet aan mijn (perfectionistische) schrijfdoelen voldoen, zijn niet minder schrijver dan ik: een redenering die ik vaak online voorbij zie komen. “Schrijvers MOETEN dit en dat!”

Bullshit.

Schrijvers die niet schrijven zoals ik, zijn schrijvers met andere doelstellingen en voor een ander publiek. Zo simpel is het. En als ik als lezer geen zin heb in het werk van die schrijvers, lees ik ze niet.

Ik ga verder niet proberen die schrijvers te veranderen (zodat ze gaan schrijven wat ik wil bijvoorbeeld).

Schrijvers zijn vrij om te doen wat ze willen. Klaar.

Fouten durven maken

Elk verhaal is in principe nieuw. Schrijven is daarom ook: experimenteren. Dingen doen die je al kent, dingen doen die je nog nooit geprobeerd hebt. Combineren. Lostrekken van dingen die je voorheen samen deed. Falen. Slagen. Opnieuw uitproberen. Zijpaden verkennen. Dingen loslaten. Jezelf laten verrassen. Fouten maken en fouten herstellen.

Als je verder wilt, hoger wilt: redigeer

Als je verder wilt met je schrijven, hoger wilt klimmen op je eigen ladder van mogelijkheden (wat een persoonlijke keuze is) dan is redactie essentieel. Geen enkele eerste versie van een verhaal (ongeacht wat je op dat moment mag denken en voelen) is het beste wat je uit dat werk kan halen.

Er zijn altijd dingen die onderbelicht zijn gebleven, pareltjes in je verhaal die nog niet uit de oesters zijn gehaald, goud op de grond en in de berm van het verhaal dat nog niet is opgeraapt, diamantjes die wel gevonden, maar nog niet (helemaal goed) geslepen zijn.

In mijn eigen ervaring begint een verhaal pas echt goed te glanzen na drie schrijf- en redactierondes. De eerste is de ruwe en eerste draft en de afronding daarvan, zodat het “af” is en gelezen kan worden. De tweede is de redactie na feedback. De derde versie is nadat het verhaal even gelegen heeft, eventueel nog wat feedback heeft gekregen en een derde schrijf en redactieronde heeft gekregen.

Redactie en doodschrijven

Ik schrijf en redigeer verhalen dood zodra ik ga nadenken over “de lezer”. Een hypothetische en zeer eenzijdige groep zeikerds/mensen, of een bepaalde azijnpisser/persoon, die voornamelijk in mijn hoofd bestaat en die (heel) kritisch naar mijn werk kijkt.

  1. “Kan ik dit wel doen?” — “Is dit wel goed genoeg volgens die persoon of die groep?” “Neem ik niet teveel risico?”
  2. “Sta ik niet voor schut?” — Waar ik anders wild zal dansen en grote risico’s zal nemen ga ik nu nadenken over die risico’s zelf. “Sta ik niet voor schut? Neem ik teveel risico? Maak ik geen domme fouten?”
  3. “Gaan mensen dit wel snappen?” — Waar ik hele spannende dingen en “complexe zaken” zou kunnen doen, ga ik het verhaal simpel maken “voor de lezer”.
  4. “Doe ik hier X wel een plezier mee?” — Waarbij “X” de jury van een wedstrijd kan zijn, of een specifieke criticus of “belangrijke persoon” die ik graag aan mijn kant wil krijgen. “Kijk eens wat een mooi verhaal ik voor jou geschreven heb!”

In dit proces en in mijn geval gaat mijn verhaal hierdoor vaak enorm dood, omdat ik niet meer mijn eigen flow volg, maar dans op de melodie van een verzonnen criticaster die (in mijn hoofd) alleen (nog) maar de slechte dingen ziet.

Of ik loop keihard vast met dat idee. (Schrijversblok)

Over externe kritiek

Proeflezers zijn essentieel, maar voornamelijk om te ontdekken waar het verhaal mijn eigen doelstellingen niet haalt. “Komt dit en dat over?”

Als het antwoord “nee” is, zal ik daar meer aandacht aan moeten geven (zie “Levendiger maken” hier beneden voor de stappen die ik normaal gesproken neem).

Het verhaal blijft mijn verhaal. Met mijn (schrijf)doelstellingen.

Dat een verhaal na kritiek wel eens drastisch kan veranderen komt voornamelijk doordat:

  1. De uitwerking van mijn verhaal op dat moment, gewoon niet meer voldoet.
  2. Ik vertrouwen heb verloren in mijn eigen uitvoering tot dan toe.

Dat laatste kan een slecht teken zijn. Het kan zijn dat ik onzeker wordt over mijn eigen schrijven. Zie mijn stukje over: “Redactie en doodschrijven” hierboven.

Levendiger maken

Ik heb in de afgelopen jaren een andere aanpak gevonden. Die ziet er zo uit:

  1. Doelstellingen scherp stellen — Ik zet eerst voor mezelf op een rijtje wat ik wil met dit verhaal.
  2. Inhoud scherp stellen — Ik wil weten waarover ik schrijf. “Wie is wie? Waarom doet hij/zij dat wel of niet? Welke elementen spelen een rol in die wereld? Waarom? Waarom andere dingen niet? Of ook?” En ook: “klopt dit wel? Klopt dit wel in verband met andere zaken in het verhaal?” [1]
  3. Nog wilder, nog mooier, nog extremer — Ik ga kijken of ik de boel (binnen bepaalde grenzen) nog verder naar de rand kan duwen. “Haal ik het meeste uit deze scene, in dit moment van dit verhaal? Kan het scherper? Mooier? Wilder? Extremer? Meer verstild?”
  4. Resonantie — Resoneert het? Emotioneel? Voel ik wat hier gaande is? Niet? Kan ik dit stuk zo herschrijven dat dat wel gebeurt?
  5. Vertrouwen in wat er staat — Als mijn eerste draft staat, is dat meestal (in ruwe vorm) het verhaal dat ik wil vertellen. Het kan zijn dat er nog wat kleine aanpassingen gebeuren, maar dat verhaal is wel het verhaal. Als die ruwe schets (totaal) niet werkt, ligt dat vaak aan de manier waarop ik het op dat moment geschreven heb, of de manier waarop ik dat moment weergeef.
  6. Terug in de koelkast — En soms is het idee en het (mogelijke) verhaal gewoon nog niet rijp genoeg en moet ik het later nog een keer proberen en niet nu. Dat verhaal gaat terug naar de koelkast. Het is waarschijnlijk nog zo rauw dat het herschreven moet worden.
  7. Schrappen — Sommige stukken in mijn verhaal waren leuk, of leken belangrijk toen ik ze schreef, maar voegen na afronding van dat verhaal niets (meer) toe aan dat verhaal. En kunnen dus worden weggesmeten. (“Kill your darlings”)
  8. Herschrijven — Sommige stukken moeten opnieuw. Regel na regel. Niet zozeer inhoudelijk (uitzonderingen daargelaten) maar in de manier waarop het gepresenteerd wordt. “Van ‘afstandelijk en beschrijvend’ naar ‘op de huid van het personage'” bijvoorbeeld.
  9. Veranderen van volgorde om de impact te vergroten — Soms komt een stuk harder, beter, effectiever aan als bepaalde informatie eerder, of pas later wordt gegeven. Dit kan een volledig hoofdstuk zijn, een paragraaf, of een scene.

[1]

Soms zijn mijn karakterschetsen en mijn lijstjes met achtergrondgegevens even omvangrijk als (en soms zelf groter dan) het verhaal zelf.

Research is daar verder een (belangrijk) onderdeel van. Veel googlen als dat nodig is en zorgen dat ik (goed genoeg) snap waar ik het over heb om niet al te dom over te komen als iemand een expert is op dat vlak.

Impact? Emotionele resonantie?

De impact van- en binnen een verhaal is in mijn geval: “de emoties die overblijven”.  Nadat de lezer een stuk- of een verhaal gelezen heeft bijvoorbeeld.

De emotionele resonantie binnen een verhaal is in mijn aanpak: “De emoties die loskomen tijdens het lezen van dat specifieke stuk”. Nagel ik je aan je stoel? Voel je (en ikzelf, tijdens het lezen en redigeren) het verdriet of de vreugde van dat personage?

Die emotionele resonantie is heel lastig te vatten. Net als bij muziek heeft die emotie een opbouw, is het een resultaat van een combinatie van “klanken”. Het is heel erg voelen als schrijver, om dat punt te pakken. En heel veel schrappen van zinnen die teveel sturend zijn.

“Ze is blij/verdrietig. Het was heel erg eng/heel erg erg/heel erg leuk.” Voel ik dit? Nee? Herschrijven die hap. En dan: bijschaven. Herlezen. Voelen. Bijschaven. Herlezen. Voelen. Net zo lang tot het (bij mij) gaat resoneren. En ik bij herlezing weken later spontaan tranen voel opkomen, of blijdschap. Of woede. Of angst. Of een “Fuck! Dit werkt!”.

Vertrouwen in wat er staat

Ik heb in 2012 een stelling ingenomen: “Er bestaat niet zoiets als ‘een slecht idee’. Het probleem ligt vaak bij de uitwerking.”

Als een idee niet werkt, ligt dat vaak niet aan dat idee zelf, maar aan de manier waarop dat is uitgewerkt. Om een heel lang verhaal kort te houden:

  1. Slechte research — Het idee kan best goed zijn, of goed werken, maar de schrijver heeft geen research gedaan. En daardoor klopt er geen zak van de uitwerking van dat idee. Ongeloofwaardige gebeurtenissen en plotgaten als gevolg.
  2. Luie uitwerking — De research kan best OK zijn, maar de uitwerking van het idee zelf is lui. Bijvoorbeeld door het volgen van al gebaande paden, of de keuze van oninteressante momenten en oninteressante personages
  3. Armzalige karakterisering — De personages doen van alles, maar zijn zo armzalig neergezet, dat ik –als lezer– geen binding met ze kan krijgen. Reacties die teveel over de top zijn, of te klungelig, of te geforceerd of juist totaal plat en afwezig. Alsof je naar een toneelstuk aan het kijken bent met acteurs die maar wat aan het rondkloten zijn.
  4. Te weinig samenhang/geratel — De scenes kunnen op zich goed zijn, maar ik kan als lezer de weg kwijtraken. “Waarom is dit stuk belangrijk voor het verhaal? Want ik zie het niet”. En soms kan een (stuk van dat) verhaal letterlijk bestaan uit het geratel van de schrijver.
  5. Teveel willen / gebrek aan focus — Soms bevat één verhaal teveel lijnen, zonder een duidelijke hoofdlijn te hebben. Het gaat over van alles, maar het is onduidelijk wat nu echt het kernpunt is van het verhaal. Waarvan geen enkele lijn geheel tot z’n recht komt. Dit komt bijvoorbeeld als de schrijver teveel wilt vertellen in één verhaal, en/of als de schrijver een gebrek aan focus heeft, bijvoorbeeld.
  6. Angst voor de lezer/risicomijdend schrijfgedrag — Een van de slechtste raadgevers bij het schrijven is “de fictieve lezer”. Fuck die fictieve lezer. Schrijf wat je wilt schrijven. Neem risico.

En hoe fix je dit soort problemen? Zie het begin van deze blogpost.

“Waarom is dit relevant?” Over personages, hun motivaties en de lezer

Ik vergelijk in dit kader het verloop van een verhaal in mijn hoofd vaak met een auto-ritje, waarbij de schrijver de bestuurder is en de lezer de passagier.

Modellen die ik gebruik

  1. Belofte en vervulling van die belofte — Waar gaat dit verhaal naartoe? Wat wil de hoofdpersoon? Wat kunnen we als lezer verwachten?
  2. Motivatie en conflict — Wat wil het personage? Wat is daarvan niet mogelijk? Niet acceptabel voor de omgeving? Wat wordt tegengewerkt? Welke drijfveren heeft de hoofdpersoon? Welke daarvan botsen met de dingen die door de buitenwereld worden verwacht van dat personage?
  3. Waarden — Vanuit welke waarden werken de personages? Welke waarden liggen er onder die drijfveren?
  4. Rode draad — Wat is door het hele verhaal de leidraad? De kern? Het thema dat terug blijft keren?

Ik splits een aantal van die modellen uit in sub-modellen. Omdat ik daarmee meer antwoorden krijg. Voor elke nieuwe omgeving werk ik opnieuw die lijst uit.

Reden?

Mijn werelden en mijn personages wijken vaak van gebaande paden af. Het ligt voor mij heel vaak niet echt voor de hand waarom ze een bepaalde handeling juist wel of niet plegen.

Zonder na te denken over het “waarom?” blijven die personages vaak oppervlakkig. Deze modellen (hoewel “uitgebreid”) helpen me om op verschillende manieren naar die personages te kijken en met vrij simpele vragen antwoorden te vinden waarmee ik scenes vaak van “meh” naar “Fukkerdefuck. Dat was intens” kan tillen.

 

Verveling en doelstelling

Verveling slaat vaak toe als ik geen flauw idee heb van waar we naartoe gaan. “Waar gaan we naartoe? We zijn nu al drie uur onderweg. Zijn we er al? Waarom zijn we in Belgie?”

“We gaan naar Parijs.”

“OK. Waarom zijn we met de auto?”

“Omdat dat uiteindelijk sneller is dan het vliegtuig of de TGV. We moeten in een buitenwijk zijn.”

“OK. Waarom nemen we deze stomme afslagen?”

“Omdat er een file is.”

“OK. Maar waarom stoppen we elke 30 minuten bij een tankstation?”

“Omdat ik zwanger ben en ik geen zin heb om in mijn broek te pissen.”

“OK.”

 

Belofte, vervulling van die belofte

Het overkoepelende model dat ik bij het schrijven gebruik is dat van “Promise & delivery”. Ik maak aan het begin een belofte. Gedurende het verhaal vervul ik die. Of niet.

Ik moet op een gegeven moment weten wat die belofte is. Wat ga ik je bieden? Waar gaan we uitkomen? En ik moet weten waarom zowel de belofte als de uitkomst van die belofte relevant zijn.

De MANIER WAAROP ik die belofte vervul, is wat mijn verhaal mijn verhaal maakt.

De helderheid waarmee ik zelf kan antwoorden wat die belofte en de vervulling is, maakt voor een groot deel of mijn verhaal meer wordt dan een aaneenschakeling van gebeurtenissen.

Vertrouwen: samen op reis

Eén manier waarop ik de band tussen lezer (jij) en schrijver (ik) zie is die van vertrouwen. Jij: de lezer, gaat samen met mij op reis. Een reis die ik georganiseerd heb.

Belofte, vervulling, obstakel, bijstelling, hernieuwde belofte, vervulling,

In het bovenstaande voorbeeld (“We gaan naar Parijs”) is –naast dat vertrouwen– sprake van een belofte, die niet zomaar wordt ingevuld. En niet zomaar met de meest voordehandliggende oplossingen — voor de passagier. “Waarom stoppen we zo vaak? Waarom gaan we niet met de TGV?” en zo voorts.

Elke keer als ik als schrijver een nieuw obstakel opwerpt, of afwijkt van de route, is het binnen mijn model –dat ik steeds strakker probeer toe te passen– belangrijk dat de lezer (nog steeds) het gevoel heeft dat dit een reden heeft die samenhangt met het doel.

“Waarom wijken we af?” “Omdat er een file is.”

Ik wil dat die zijsporen relevant zijn. Van toegevoegde waarde zijn. En dat voor de lezer elk van die zijsporen iets toevoegt dat past bij de totaalbeleving. En dat alleen datgene getoond wordt wat toevoegt.

“We gaan naar Parijs” is de belofte. “Er is een file” is een obstakel. “We gaan nu een B-weg op” is een zijspoor. “We stoppen bij een tankstation” is een onderbreking.

Motivatie en conflict: het personage en de lezer

Wat voor het personage HEEL BELANGRIJK is, kan voor de lezer in eerste instantie totaal niet relevant zijn.

“Waarom zou me dit boeien? Waarom zou ik dit lezen?”

Een van de meest eenvoudige middelen om hier antwoord op te geven is via conflict. Dit conflict is niet “een schreeuwende ruzie”, maar iets dat spanning veroorzaakt tussen “wat zou moeten zijn / zou moeten gebeuren” en wat in werkelijkheid door een personage wordt uitgevoerd.

Een simpel model: Nurture, Nature & Culture

“Nurture” is in dit model: “Datgene wat een persoon vanuit zijn of haar opvoeding meekrijgt”. Die opvoeding is in de breedste zin van het woord.

“Nature” is in dit model: “Datgene wat een persoon inwendig motiveert”. Natuurlijke drijfveren. Regels en meningen die vanuit de persoon zelf komen.

“Culture” is in dit model: “Datgene wat het personage omringt”. Die cultuur kan heel dwingend zijn, maar ook nauwelijks zichtbaar zijn.

Onderwerp, Nurture, Nature, Culture & Conflict

Dit (voor mij nieuwe model) werkt als volgt (in bold de conflicten):

Onderwerp: Vrijheid

Nature: Mijn hoofdpersoon wil vrij zijn. In elke mogelijke vorm.

Nurture: Haar sturende omgeving en haar opvoeding is gericht op gehoorzaamheid. Vrijheid is toegestaan, maar binnen zeer beperkte kaders. Waaronder een soort “bargevechten” die oogluikend worden toegestaan.

Culture: Vrijheid is relatief. De meeste mensen voelen zich vrij in de omgeving waarin ze leven. Niet iedereen wordt opgevoed zoals dit personage. Veel mensen snappen haar probleem niet en voelen zich vrij.

Conflicten:

  1. Tussen haarzelf en haar directe omgeving (moeder, meesters)
  2. Tussen haarzelf en de mensen in die cultuur. Haar eigen gevoel van gevangenschap wordt niet gedeeld. Ze is onbegrepen.

Dit is een simpel voorbeeld en het begin van de volgende stap: drijfveren.

Interne en externe drijfveren, conflict

Een persoon wordt –in de modellen die ik gebruik– gedreven door twee verschillende drijfveren:

  1. Intern — De dingen die een persoon zelf wil
  2. Extern — De dingen die door de omgeving van dat personage veroorzaakt of verwacht worden en waaraan dat personage zich (mogelijk en ofwel) verbonden heeft of niet meer uit kan onttrekken.

Een drijfveer is sterker dan “gewoon maar iets willen”. Een drijfveer zet een persoon in beweging. Een drijfveer zorgt dat plannen ook werkelijk uitgevoerd worden. En ook drijfveren kunnen botsen.

In mijn geval:

  1. Interne drijfveer: “Ik wil vrij zijn”
  2. Externe drijfveer: “Ik moet het bedrijf van mijn moeder voortzetten”
  3. Conflict: “Als ik mezelf vrijmaak, zal het bedrijf mogelijk kapot gaan.”

Nut en verschil

Diepte: Wat uit het “Nature, Nurture, Culture” model komt is voornamelijk handig om het personage diepte te geven. Hoe reageert hij/zij op bepaalde gesprekken en situaties? Wat maakt hem of haar herkenbaar en zelfs uitzonderlijk in de ervaring van de lezer? Waarom is dat personage meer dan een instrument? Meer dan een pop die maar wat door de schrijver wordt rondgeduwd? Waar is de weerstand? Waar ligt de passie?

Verscherping van het conflict: Dat model helpt verder als instrument om het conflict, dat uit de interne en externe drijfveren kan voortkomen, scherper te stellen. Doordat we het personage ook op andere vlakken beter leren kennen, gaan we beter begrijpen waarom de eigen belangen in dit conflict zo relevant zijn voor dat personage.

Oorzaak van primair conflict: Een botsing tussen de Interne en Externe drijfveren helpen (zoals gezegd) om de oorzaak van het primaire conflict duidelijk te stellen. “Waarom doe je dit?” kan uit dit model een goed antwoord krijgen.

Externe drijfveren?

Een paar voorbeelden:

  1. Er is een oorlog gaande. De hoofdpersoon wordt meegesleept.
  2. De hoofdpersoon is alles kwijtgeraakt en moet een deel weer terugvinden om te overleven.
  3. De omgeving is van mening dat je alleen van waarde bent als je X of Y bent of doet. De hoofdpersoon gaat daarin mee.
  4. De omgeving dwingt een bepaald gedrag af, omdat niet-conformeren nare consequenties kan hebben.

Interne drijfveren?

Vier voorbeelden:

  1. Het personage wil (koste wat kost) zelf vrij zijn
  2. Het personage wil graag iemand anders dienen.
  3. Het personage wil koste wat koste een heel specifiek eigen doel bereiken.
  4. Het personage wil eigenlijk met rust gelaten worden.