Personages in 1, 2 en 3 dimensies

Eerst drie voorbeelden, dan wat anderen zeggen over drie-dimensionale en multi-dimensionale personages.

Eendimensionaal

“Laten we morgen een boottocht maken,” zei hij. “En dan emigreren we naar Australie.”

“Okee,” zei ze, zonder werkelijk iets hierover te denken. Er was bij haar (net als bij hem overigens) verder geen enkele werkelijke emotie of gedachte die samenhing met dit besluit, slechts een groot leeg gat waar bij ander mensen een persoonlijkheid zat.

Aangezien ze buiten de kaders van dit verhaal toch geen werk, verplichtingen, vrienden of andere zaken hadden en het plot alles bepaalde wat in het verhaal gebeurde gingen ze zonder enige problemen op een boottocht en gaf de emigratie ook geen enkel probleem dat de moeite van het melden waard was.

“We gaan toch niet naar Australie,” zei hij aan het einde van de boottocht en er was in het hele verhaal tot dan toe geen enkele andere reden te vinden dan dan dat de schrijver zich bedacht had of een plottwist nodig had.

“Ja hoor, dat is goed,” zei ze, en daarmee was het klaar.

Beiden hadden waarschijnlijk een gezicht en benen en armen en handen en een schijn van een leven en een soort van vage, rudimentaire persoonlijkheid, maar het meeste wat de schrijver toonde van dat leven en die persoonlijkheid was een reactie op het plot. En plot bepaalt, zoals we al eerder zagen, alles voor deze personages.

 

Tweedimensionaal

Hij had evenveel diepte als bordkarton en een uiterlijk had dat tot in groot detail omschreven kon worden. Zijn emoties, zoals boosheid, vrolijkheid en verdriet kwamen absoluut voor in het verhaal, maar waren vaak voor uiterlijk vertoon, zonder enige ontwikkeling, op afroep beschikbaar en wekten niet echt de indruk dat ze gevoeld werden, of impact hadden op latere scenes.

Zo was er die ochtend dat hij verdrietig was, want zijn kat was doodgegaan. “Ik ben heel verdrietig,” had hij gezegd nadat hij het lijkje begraven had en hij huilde even hartstochtelijk. Daarna ging hij naar zijn werk en die avond was hij al weer vergeten dat hij verdrietig was.

Hij twijfelde die nacht even of hij die opdracht wel echt moest aannemen om de koning van Nabuurland te vermoorden, maar het geld won van de twijfels. Uiteindelijk zei hij altijd ja tegen geld. Altijd, want hij was meer een stereotype dan een echt mens: een persoonlijkheid die kon worden samengevat in een heel eenvoudig “als dit gebeurt dan doet hij uiteraard dat” diagram.

Uiteraard had hij ook een mening over iets, bijvoorbeeld over de monarchie van Nabuurland, zodat dat hem enige schijn van diepte in het verhaal zou geven, maar echt veel moeite om die mening diepte te geven deed de schrijver niet. Net als dat de schrijver weinig moeite besteedde aan die oppervlakkige backstory (onze hoofdpersoon was een commando geweest, of een marinier of een politieagent of iets anders uit een film of een boek, en wist dus daardoor bijvoorbeeld hoe hij moest omgaan met vuurwapens), waarin duidelijk zichtbaar was dat de schrijver eigenlijk geen zin had gehad in een diepgravend onderzoek naar werkelijke mensen in werkelijke situaties.

 

Driedimensionaal

Haar leven was breder en rijker dan in het verhaal getoond werd. Ze had werk, verlangens, dromen en wensen, vrienden, vriendinnen, buren, collega’s, minnaars en ouders. Dingen die ze leuk vond en dingen die haar niet aanstonden. Mensen die ze bewonderde en mensen die ze liever ontweek, dingen waar ze goed in was en dingen waarin ze vaker faalde dan succesvol was. Haar werk en haar bezigheden hadden zeer concrete vorm en het was duidelijk zichtbaar dat de schrijver moeite had gedaan zich diep in te leven in haar wereld, degelijk was geweest in zijn / haar research.

Elk besluit dat ze maakte, elk ding dat ze toeliet, elk ding dat ze blokkeerde had consequenties op haar leven en haar toekomst. En daarom zei ze droog: “Nee,” toen hij met een voorstel kwam. Een lastige keuze, omdat ze graag wilde, maar een “ja” een conflict zou hebben veroorzaakt dat ze tegen elke prijs wilde voorkomen. En ze gaf in heldere bewoordingen drie korte redenen die direct verband hielden met haar eigen leven, haar eigen prioriteiten, haar eigen wensen, haar eigen belangen en de belangen en wensen van anderen. Voldoende om helder te zijn, en voldoende om haar eigen motieven en haar eigen gevoel van verlies verborgen te houden, want ook hij was een rond personage met eigen verlangens, wensen en doelstellingen en zodra hij ook maar een idee zou krijgen wat ze had opgegeven, zou dat zijn acties en reacties naar haar en dat onderwerp een andere koers geven.

In een ander leven, in een andere situatie had ze wellicht anders totaal gereageerd, met meer woorden, met andere woorden, of zelfs helemaal niet. Maar dit was nu. Dit was zij. En dit was hoe zij reageerde op deze situatie.

 

Driedimensionale personages volgens anderen (in het Engels)

James Frey (in: How to write a damn good novel, part 1)

[The two-dimensiona characters] are easily labeled characters who seem to have only one trait: they are greedy, or pious, or cowardly, or servile, or horny, and so on. […] They have no depth; the writer does not explore their motives or inner conflicts—their doubts, misgivings, feelings of guilt. […] when they are used for major roles, such as the principal villain, dramatic writing turns into melodrama.

Rounded characters […] have complex motives and conflicting desires and are alive with passions and ambitions. They have committed great sins and have borne agonizing sufferings; they are full of worries, woes, and unresolved grievances. The reader has a strong sense that they existed long before the novel began, having lived rich and full lives. Readers desire intimacy with such characters because they are worth knowing.

Lajos Egri (The Art of Dramatic Writing) 

Every object has three dimensions: depth, height, width. Human beings have an additional three dimensions: physiology, sociology, psychology. Without a knowledge of these three dimensions we cannot appraise a human being. It is not enough, in your study of a man, to know if: he is rude, polite, religious, atheistic, moral, degenerate. You must know why. We want to know why man is as he is, why his character is constantly changing, and why it must change whether he wishes it or no.

The first dimension, in the order of simplicity, is the physiological. It would be idle to argue that a hunchback sees the world exactly opposite from a perfect physical specimen. A lame, a blind, a deaf, an ugly, a beautiful, a tall, a short person -each of these sees everything differently from the other. A sick man sees health as the supreme good; a healthy person belittles the importance of health, if he thinks of it at all. […]

Sociology is the second dimension to be studied. If you were born in a basement, and your playground was the dirty city street, your reactions would differ from those of the boy who was born in a mansion and played in beautiful and antiseptic surroundings.
But we cannot make an exact analysis of your differences from him, or from the little boy who lived next door in the same tenement, until we know more about both of you. Who was your father, your mother? Were they sick or well? […]

The third dimension, psychology, is the product of the other two. Their combined influence gives life to ambition, frustration, temperament, attitudes, complexes. Psychology, then, rounds out the three dimensions.
If we wish to understand the action of any individual, we
must look at the motivation which compels him to act as he
does. […]

E.M. Forster (Aspects of the novel)

Dickens’ people are nearly all flat (Pip and David Copper-field attempt roundness, but so diffidently that they seem more like bubbles than solids). Nearly every one can be summed up in a sentence, and yet there is this wonderful feeling of human depth. Probably the immense vitality of Dickens causes his characters to vibrate a little, so that they borrow his life and appear to lead one of their own. It is a conjuring trick; at any moment we may look at Mr. Pickwick edgeways and find him no thicker than a gramophone record. But we never get the sideway view.

[…]

The test of a round character is whether it is capable of surprising in a convincing way. If it never surprises, it is flat. If it does not convince, it is a flat pretending to be round. It has the incalculability of life about it—life within the pages of a book.

[…]

All her [Jane Austen’s] characters are round, or capable of rotundity. Even Miss Bates has a mind, even Elizabeth Eliot a heart, and Lady Bertram’s moral fervour ceases to vex us when we realize this: the disk has suddenly extended and become a little globe. […]  her characters though smaller than [those by Dickens] are more highly organized. They function all round, and even if her plot made greater demands on them than it does, they would still be adequate. […] All the Jane Austen characters are ready for an extended life, for a life which the scheme of her books seldom requires them to lead

[…]

The test of a round character is whether it is capable of surprising in a convincing way. If it never surprises, it is flat. If it does not convince, it is a flat pretending to be round. It has the incalculability of life about it—life within the pages of a book.

Will Dunne (The dramatic writer’s companion toolkit)

If you do not fully understand the character’s needs and motivations, you may find yourself with a twodimensional “villain” who fails to emerge from the page in an interesting and believable way. […]

Stock villains—such as the heartless landlord or evil stepsister—are the stuff of fables, but in a complex dramatic story they are the products of writers who did not know their characters well enough to write them. In the end, the antagonists whom we hate or fear most are often those whom the writer loved most

[…]

Dramatic characters tend to be active beings. They do things because they want things, and they cause stories to happen. From a technical point of view, their behavior has two functions: to show us who they really are— especially when they say one thing but do another—and to move the dramatic journey forward. In a great story, these functions have been so seamlessly combined that one rarely occurs without the other: character revelation and story movement go hand in hand. […]

Through the course of a story, a multidimensional character will act many different ways for many different reasons. Even if some of these actions seem contradictory—and they often do in a great character—they all flow from the same source: the root action or “spine” of the character.

[…]

A multidimensional character manifests many different traits—both positive and negative—during the course of a story.

James Frey (in: How to write a damn good novel, part 2)

Edwin A. Peeples says in A Professional Storywriter’s Handbook that characters “must have the uniqueness of real people. They must have the contrasts of inconsistent behavior common to individuals . . . contrasts make character.” It is through such contrasts that fully rounded, three-dimensional characters are brought to life. It is through contrast that good characters can become great characters who are truly worth knowing.
Great characters are so extraordinarily interesting that if you met them at a cocktail party you’d later want to tell others about them. A good dramatic character, then, is interesting in the normal sense of what makes people interesting.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s