Een plot dat werkt en een plot dat faalt

Gisteren, terwijl ik een plot-probleem probeerde op te lossen in mijn roman (we zijn halverwege en het primaire conflict is opgelost. “En nu?”) vond ik de meest simpele vergelijking om dit plotprobleem op te lossen.

Waarom faalt mijn plot?

Mijn basisverhaal (“hoofdpersoon wil ontsnappen, doet moeite, slaagt of faalt”) eindigt in hoofdstuk 4. Ze slaagt.

En ik heb in die roman een totaal van 7 hoofdstukken.

In die resterende 3 hoofdstukken zien we de consequenties van haar daden. Omdat het verhaal bij hoofdstuk 4 “al is afgelopen” heb ik als lezer weinig zin in de rest van het boek. “Ze is ontsnapt.” Klaar is klaar. De rest is geneuzel.

Ik had een ingeving. En die ingeving kwam door een beeld van een plank met drie flessen. Waarvan er één plotseling verdwenen was. “Waar is die fles?”

Dit bracht me uiteindelijk tot het volgende:

Stelling 1: Het kernprobleem moet onopgelost blijven, tot het einde

Het is belangrijk om het kernprobleem onopgelost te houden, tot het einde.

Als mijn hoofdpersoon al in hoofdstuk 4 met alles klaar is, is de hele noodzaak om het verhaal nog verder door te lezen zo goed als verdwenen.

Als de mol met de drol (zie later) die drol op bladzijde 2 zou verwijderen, als Walter White uit “Breaking bad” gewoon een behandeling vanuit zijn verzekering zou kunnen ontvangen, dan zou het verhaal dat volgt lang niet zo intrigerend zijn.

Het probleem is namelijk al opgelost en de rest is slechts afwikkeling van de “wie” of de “wat” vraag: “Wie heeft dat gedaan?” “Wat gaat er verder nog gebeuren?”. Wat zeker bij dit soort verhalen al snel heel saai kan worden.

Voorbeeld 1: Breaking Breaking Bad

Breaking bad volgt het patroon van: “Er was iets (de gezondheid van Walter White). Nu is dat er niet meer (hij heeft kanker). Dat moet weer terug komen (via stink-dure chemotherapie).”

Voor wie “Breaking bad” niet heeft gezien: Walter White is een chemie-leraar met een kutbaan. Hij heeft kanker. Hij heeft geen geld voor een peperdure behandeling, maar wel een leerling in zijn klas die drugs dealt. Om zijn behandelingen te betalen, komt hij op het twijfelachtige plan om zelf crystal meth te maken: een harddrug. Vanaf daar gaan we verschillende seizoenen in waarin het geweld en de problematiek rondom de drugs-fabricage alleen maar groter wordt.

Dit basisgegeven (kanker, stinkdure behandelingen, geen verzekering, wanhopige oplossing) werkt, omdat het zich in Amerika afspeelt. Waar je –in de tijd dat Breaking Bad begon– zelf opdraait voor de ziekenhuiskosten.

Zie hoe dat zelfde basisconcept van “Breaking Bad” in Canada zou werken:

631

Er is in de “Canada-versie” geen verhaal voor Walter White. Geen overkoepelende arc meer die vergelijkbaar is met de Amerikaanse versie. Geen motivatie die hem dusdanig uit zijn comfort-zone haalt dat we trouw blijven aan zijn personage. Zelfs als dat personage al vrij snel gruwelijke dingen doet. Het probleem is namelijk opgelost. Het verhaal afgelopen. Walter White is teruggeworpen op zichzelf. Als een middelmatig personage zonder echte problemen.

Stelling 2: Dit is de basis van elk overkoepelend plot

Er is een stelling dat er iets van 20 basisplots zijn. Ik stel dat er niet meer dan 3 of 4 kern-plotten zijn. Hier zijn de vier die ik nu zie

Variatie 1 – Iets moet er komen: Iets dat er zou moeten zijn is er niet. Het moet er komen. Uiteindelijk komt het er, of niet.

Variatie 2 – Iets moet terug komen: Iets was er. Nu is het er niet meer. Het moet weer terug komen. Uiteindelijk is het weer terug. Of faalt men.

Variatie 3 – Iets mag er nooit komen: Iets komt er aan, maar mag nooit aankomen of nooit gaan gebeuren. Uiteindelijk komt het aan, of wordt het tegengehouden, of deels tegengehouden.

Variatie 4 – Iets moet weg: Iets is er wel, maar moet weg. Uiteindelijk is het verdwenen. Of faalt men om dat te laten verdwijnen.

Variaties 3 en 4 zijn inversies van variaties 1 en 2.

Versimpeld / andere variant

  1. Iets is veranderd en moet worden teruggedraaid
  2. Iets is zoals het is en moet veranderen

Stelling 3: Er is dwang, of het is deel van de routine

Er zijn twee redenen waarom een personage overgaat tot actie:

  1. Routine — Het hoort bij zijn of haar werk of routine.
  2. Dwang — Hij of zij wordt (bijvoorbeeld door omstandigheden) gedwongen om tot die actie over te gaan.

Van een soldaat of een brandweerman zullen we ons niet afvragen waarom hij/zij zich in een gevaarlijk gebied beweegt. Van een huurmoordenaar zullen we het niet gek vinden dat hij/zij op een gegeven moment een moord zal plegen. En zo voorts.

Zodra iemand in een situatie komt die niet bij zijn of haar routine past, gedwongen wordt daarmee om te gaan, kan dat komen door omstandigheden (pech) of door een externe factor (directe dwang).

“Maar wat is de uitkomst dan?”

Simpel gezegd zijn er drie mogelijke uitkomsten:

  1. Het lukt. Wat de personages ook nastreven en welke offers ook gegeven worden, uiteindelijk lukt het
  2. Het mislukt. Wat de personages ook nastreven, hoe rooskleurig het uiteindelijk ook mag lijken en welke offers ook gegeven worden, uiteindelijk mislukt het.
  3. Het lukt (mislukt) gedeeltelijk. Wat de personages ook nastreven, hoe rooskleurig het uiteindelijk ook mag lijken en welke offers ook gegeven worden, uiteindelijk likt/mislukt slechts een deel van dat streven.

Drie varianten en alternatieven:

  1. Het was niet belangrijk.
  2. Iedereen gaat dood.
  3. Alles begint weer overnieuw.

Uiteraard zijn er meer dan drie varianten en alternatieven. Deze zijn slechts om je een idee te geven.

Het probleem is opgelost: Wat nu? Opeenstapeling of breuk

In mijn geval is het basisprobleem in hoofdstuk 4 opgelost. Mijn hoofdpersoon slaagt.

Er is echter een serie gebeurtenissen NA dat moment die minstens zo relevant zijn. Bijvoorbeeld de consequenties van haar daden voor de mensen die ze heeft achtergelaten.

Ik kan twee dingen doen:

  1. Ik stapel een nieuw probleem op het oude en zet het verhaal door. “Het doel is bereikt, maar daarmee wordt een nieuwe en direct gerelateerde ontwikkeling gestart voor de hoofdpersoon.
  2. Ik introduceer een nieuw probleem en begin een nieuw verhaal. “Het doel is bereikt. Er doet zich een nieuw probleem voor, vanuit een andere hoek en oorzaak.”

En in het geval van mijn roman kies ik voor de eerste optie. Vanuit de oplossing van het oude probleem komt een nieuw en direct gerelateerd probleem voort.

Hiermee wek ik voor de lezer de indruk dat het probleem nog helemaal niet is opgelost. “De mol heeft nog steeds een drop op z’n kop.”

Een voorbeeld van een basisplot: “er was iets niet, nu is het er wel en het moet weg

images (1)

“Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn hoofd heeft gepoept” (hier op Bol.com) is in mijn optiek een briljant voorbeeld van plotvariant 3: “er was iets niet, nu is het er wel en het moet weg”.

Kort: De mol heeft een drol op zijn kop. Die drol hoort daar niet en moet weg.

Maar voordat de mol rust heeft en voordat die drol verwijderd kan worden, MOET hij weten van wie die drol afkomstig is. In het boek zien we vervolgens verschillende dieren poepen zodat de mol uiteindelijk en EINDELIJK het raadsel op kan lossen en wraak kan nemen.

Stelling 4: Het gaat erom wat je er mee doet

Het gaat niet zozeer om dat basisplot zelf, maar WAT je er mee doet.

Het basisplot is een “hook” waarmee je het brein van je lezer kunt pakken, vervolgens daarmee en daaromheen allerlei truukjes uit kunt halen om de lezer bij dat verhaal te houden.

Maar wat wil je?

Ongeacht wat het verhaal doet, helpt het om te weten wat je uiteindelijk wilt met het verhaal. Wat is je hoofdlijn? “Moet er iets weg”? Moet het juist komen? Moet iets dat gebroken is hersteld worden? Iets dat niet gebroken is kapot gemaakt?

Waar zitten de plotontwikkelingen?

De plotontwikkelingen vinden plaats in het middengedeelte.

“[A] Iets was er, [B] het moet terugkomen. [C] Plotontwikkelingen. [D] Uiteindelijk falen of slagen we.”

[A] en [B] vormen onze setup. Bijvoorbeeld: “Iets was er. Het moet terug komen.” “Iets was er niet. Het moet er komen.”

[D] is de conclusie van het verhaal: “Het is geluk. Het is mislukt. Het is deels gelukt.”

[C] Zijn de plotontwikkelingen: “Eerst gebeurt er dit. Dan dat. Dat levert dit op, maar leidt tot dat verlies.”

Formules

Er zijn verschillende formules om van A naar D te komen. Ik benoem ze hier. En hoewel ze een verhaal kunnen helpen om scherper te worden en sneller te “klikken” bij de lezer, zijn het slechts hulpmiddelen.

  1. Doe je hele (of eerste) setup (A en B) in de eerste 500 woorden — Het idee is dat je lezer vanaf bladzijde 2 weet wat de uitdaging is, de drijvende kracht, datgene waarover het verhaal zal gaan.
  2. Gebruik obstakels en uitdagingen — Als het personage ongestoord van A naar D kan lopen, zonder uitdagingen, zonder conflictsituaties, zonder interne conflicten dan is een verhaal vaak vrij saai.
  3. Gebruik conflict — Conflicten kunnen fysiek zijn (gevechten, bekvechten) maar ook intern zijn (het conflict tussen interne waarden en wat anderen van een personage verwachten, bijvoorbeeld)
  4. Werk naar een climax — Het kan helpen als in het C-deel, de plotontwikkelingen die vanaf je setup naar je conclusie leidt, een oplopende spanning zit, die naar een climax leidt.
  5. Plaats die climax dicht bij het einde — Want als je climax helemaal aan het begin, of ergens halverwege gebeurt, wat volgt daarna dan?

Uiteraard kun je (en moet je in mijn optiek, al is het alleen voor het experiment) breken met die formule. Wat de uitkomst van die climax is, verschilt per verhaal.

“Hij werd gered” is een mogelijke uitkomst. “Eindelijk kon hij gaan zitten” is een mogelijke uitkomst. “En alles begon weer opnieuw” is een mogelijke uitkomst.

Als je dit zou weergeven in een soort van grafiek, dan zou die er in de meest basale uitvoering zo uit zien:

AA BB CCCC CCCC CCC CCC CCCC CCC CCC CCC DD

We introduceren het probleem [A] en de relevantie van dat probleem [B]. Vervolgens ontwikkelt het plot zich [C]  om tot de onknoping te komen [D]

Maar dat is niet de enige manier om een verhaal te vertellen.

Voor meer complexe romans is elke combinatie mogelijk. Een voorbeeld:

AA CC AA CC BB AA CC BB CCCCC CCC CCCC CC DD

“Iets was er” (bijvoorbeeld). We exposen dat. Er volgen wat plotontwikkelingen. We laten opnieuw zien dat iets er was (of niet). Vervolgens maken we duidelijk dat het terug moet komen. Waarna we weer laten zien dat het er niet is. Meer plotontwikkelingen. Ontknoping.

Je kunt de boel omdraaien en rondhusselen:

DD CC CC CCC AA BB CC D AA CCCCCCCC CCC AA DD

“Dit is de ontknoping”, gevolgd door plotontwikkelingen, een exposure over “wat er was” en “waarom het terug moet komen” waarna weer meer plotontwikkelingen volgen en een nieuw stuk ontknoping, eindigend in “dit was er”. Detective-stories met een minneur-einde kunnen bijvoorbeeld op deze manier worden opgezet.

Belang van die setup

Die setup helpt mij, de lezer, te begrijpen WAAROM dit belangrijk is. Net als dat belangrijk is te weten WAARHEEN we gaan als we de trein pakken. Blind meereizen gaat (mij althans) snel op de zenuwen werken. Zeker als die reis een paar uur duurt je je geen enkel idee hebt waarheen.

Voorbeelden van de vier grote plotlijnen:

1: Het is er niet, het moet er komen

Dit is een subiele maar belangrijke variatie op de tweede versie. Verschil is deze: “Het was er misschien ooit, maar niemand in het verhaal heeft dat meegemaakt.”

  1. Jongen of meisje is eenzaam en wil liefde. Ergens is een bekende of onbekende liefde. Uiteindelijke vervulling is “jongen vind meisje” of “jongen vind meisje niet” of “jongen vind meisje en verliest haar weer”. De plotontwikkelingen vormen het verhaal.
  2. Het land is in duisternis gehuld. Het licht moet komen. We zien personages van alles doen om dat licht (bevrijding uit onderdrukking, etcetera) te laten komen. Het lukt, lukt niet, of lukt gedeeltelijk.
  3. Het land is in licht gehuld. Het wordt tijd dat het in duisternis wordt geworpen. We zien personages van alles doen om de duisternis (een totalitair regiem, een overheersing door demonen, whatever) te veroorzaken. Het lukt, lukt niet, of lukt gedeeltelijk.

2: Het was er en het moet terug komen

  1. Jongen of meisje was ooit verliefd, verloor zijn lief en wil deze terug winnen
  2. Ooit was er licht in het land, maar nu niet meer (door onderdrukking). Dat licht (de vrijheid b.v.) moet terugkeren.
  3. Ooit was er duisternis (in het land). Nu niet meer. Het moet terugkeren.

Het verschil op de eerste variant is het element van sentiment. “Er was iets. Dat zijn we nu (gedeeltelijk) kwijt.” Dat sentiment helpt vaak om een probleem heel snel heel concreet te maken vanuit de personages.

3: Er gaat iets gebeuren dat niet plaats mag vinden

  1. Een despoot gaat mogelijk eigenaar worden van het land. Bijvoorbeeld door oorlog, of een verkiezing.
  2. Er is in een deel van de wereld een ziekte uitgebroken die wereldwijd kan uitslaan.

4: Het is er, maar moet weg

  1. Er is iets dat er niet hoort te zijn. Bijvoorbeeld een despoot die het land onderdrukt, een wet die voornamelijk negatieve gevolgen heeft, de rottende vuilnis in de vuilnisbak. En dit moet weg.
  2. Er is iets dat niet goed werkt. Bijvoorbeeld een relatie, een auto die niet goed werkt en dit moet weg. Dit leidt niet noodzakelijk tot vervanging.
  3. Er is iets dat vervangen moet worden. Bijvoorbeeld een oud huis, of een oude printer, of een collega. En voordat het nieuwe er kan komen, moet het oude weg.

Slot

Ik ga niet beweren dat dit de alles-overkoepelende super-theorie is die elk plot dekt en elk plot verklaart.

Want dat is het niet.

De structuur die ik hier beschrijf is simpelweg een structuur die inhaakt op een deel van ons brein dat antwoorden zoekt en dat vrij makkelijk getriggerd kan worden. “Het is er niet! Dan moet het terugkomen!”

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s