“Show and tell” – dynamiek, helderheid en het betrekken van de lezer

Er is een soort van regel: “Show, don’t tell”. Maar wat houdt dit in? En in hoeverre doe je dit al als schrijver?

De meeste schrijvers doen automatisch al een mix van “show” en “tell”. Waarschijnlijk al vanaf het moment dat ze afstapten van een verhaalstijl als deze: “En toen gebeurde dit. En toen gebeurde er dat. En toen zei hij ‘zus’. En toen antwoordde zij: ‘zo’. En uiteindelijk waren ze beiden blij. EINDE.”

Het is dus allemaal niet zo geheimzinnig en moeilijk als het soms lijkt.

Wat meestal wordt bedoeld met: “Show, don’t tell”

Op het moment dat iemand over een stuk in het verhaal roept: “show, don’t tell”, gebeurt dat meestal omdat het verhaal in begint te zakken en dat stuk te afstandelijk is. Teveel vanuit een beschrijving wordt verteld. Omdat er waarschijnlijk al teveel “tell” aan vooraf is gegaan en dit de lezer nu de neusgaten uit begint te komen.

Het advies: “show, don’t tell” komt in de meeste gevallen neer op: “Stop met het uitleggen van situaties, handelingen en motivaties. Laat maar zien wat er gebeurt. Ik wil de film zelf ervaren.”.

Voelen

“Show, don’t tell” kan ook leiden tot een overdracht van de gevoelens van de personages en van de emotionele lading van de situatie bij de lezer. Maar dat is geen automatisch gevolg van “show”. (We hebben eigenlijk een derde component nodig. “Show”, “tell” en “emote” of zo.) We beperken ons in dit stuk tot “show” en “tell”

Show, of: “Laat zien dan!”

“Show” doe je en kun je concreet doen met o.a. (een combinatie van):

  1. Handelingen
  2. Weergegeven gedachten(stromen)
  3. Gesprekken
  4. Innerlijke dialoog
  5. Zinsbouw en woordkeuze

Mijn hoofdpersoon, in het prachtige voorbeelden dat hierna volgt, heet Geraldien. Een willekeurige naam die als tweede in me op kwam.

Ik werk vanuit een “tell” situatie stap voor stap naar een situatie die meer en meer “show” wordt. Ik beperk mezelf tot een “show” van de eerste zin.

Geraldien was boos. Ze nam de tram. Ze kwam aan op haar werk. Daar was ze nog steeds boos.

We gaan voornamelijk die eerste zin uitwerken: “Geraldien was boos.”

Wat voor boosheid is dit? Welke vorm neemt het aan? Wat kan ik en wil ik laten zien daarvan? Bijvoorbeeld:

Geraldien was boos. Ze trok de deur met een klap achter zich dicht.

Is er iets waarmee ik die boosheid nog meer vorm kan geven, nog meer zichtbaar kan maken? Ik kies ervoor om in de volgende stap de boosheid te inverteren. Geraldien beent weg over straat en wordt door iets of iemand gedwongen te doen alsof ze niet boos is. In dit geval haar overbuurvrouw. (Ik introduceer daarmee een klein stukje conflict. In dit geval tussen Geraldiens echte emoties en wat ze denkt te kunnen tonen)

Geraldien was boos. Ze trok de deur met een klap achter zich dicht, beende de straat over en deed een poging tot vriendelijkheid toen ze Jannie van de overkant tegenkwam: “Goedemorgen buurvrouw. Fijn weertje.”

Maar is dit 100% “show”? Ik vertel nog steeds: “Geraldien was boos”. Verder vertel ik dat ze een “poging tot vriendelijkheid” doet “toen ze Jannie van de overkant tegenkwam”. Ik kan een paar dingen doen.

Ik laat in het volgende stuk “Geraldien is boos” weg en kies ter vervanging voor een stukje innerlijke reflectie waarmee de lezer het eerdere moment van “klapt de deur dicht” in context kan brengen.

Geraldien trok de deur met een klap achter zich dicht, keek om, zag haar overbuurvrouw, Jannie.

Mijn god, dacht ze. Ik heb helemaal geen zin in jou.

Ze beende de straat over en dwong zichzelf een paar passen in te houden. “Goedemorgen buurvrouw. Fijn weertje.”

Ik kan dat uitbreiden tot een innerlijke dialoog (de nuance daar zit in “geen zin in jou. Maar als ik haar“. De tweede zin is een “antwoord” op het eerste.):

Geraldien trok de deur met een klap achter zich dicht, keek om, zag haar overbuurvrouw: Jannie.

Mijn god, dacht ze. Ik heb helemaal geen zin in jou. Maar ik als haar niet groet, gaat straks het gerucht dat het niet goed gaat tussen mij en Willem.

Ze beende de straat over en dwong zichzelf een paar passen in te houden. Haar glimlach was bijna echt. “Goedemorgen buurvrouw. Fijn weertje.”

Elk stuk dat ik toevoeg, voegt naast een bepaalde dynamiek ook een nieuw detail toe. “Geraldien was boos. Ze nam de tram.” is nu:

  1. Geraldien is boos
  2. Ze ontmoet haar buurvrouw.
  3. Ze heeft een niet verder gedefinieerde relatie met Willem. Die relatie is publiekelijk bekend.
  4. Er wordt blijkbaar geroddeld.

We zijn nog niet eens bij de tram aangekomen en ons verhaal heeft al 3 nieuwe elementen gekregen.

Voegt het iets toe?

Elk detail dat ik toevoeg kan het verhaal rijker maken, maar ook saaier. Het kan de lezer dieper in het verhaal trekken, maar ook totaal uit het verhaal werpen.

Bij elk detail dat ik toe voeg, bij alles wat ik meer laat zien, stel ik mezelf de vraag: “voegt dit iets toe aan het verhaal? Aan de beleving van de lezer? Aan de vorming van mijn personages?”

Als het niets toevoegt

Laten we de laatste versie pakken

Geraldien trok de deur met een klap achter zich dicht, keek om, zag haar overbuurvrouw.

Mijn god, dacht ze. Ik heb helemaal geen zin in jou. Maar ik als haar niet groet, gaat straks het gerucht dat het niet goed gaat tussen mij en Willem.

Ze beende de straat over en dwong zichzelf een paar passen in te houden. Haar glimlach was bijna echt. “Goedemorgen buurvrouw. Fijn weertje.”

Als zowel de buurvrouw, als de roddels, als de relationele situatie van Geraldien niet relevant zijn binnen de ontwikkelingen in het verhaal, heeft het geen zin om dit stuk verder uit te breiden. Het volgende volstaat, voordat we overgaan op de tweede zin: “Ze nam de tram.”

Geraldien was boos. Ze trok de deur met een klap achter zich dicht. (Ze nam de tram.)

Als de nadruk van dit verhaal echter (en bijvoorbeeld) ligt op Geraldiens werk, als professional, dan is het nuttig om na te denken over de relevantie van het noemen van Willem. Als niet WIllem, maar haar werk relevant is (bijvoorbeeld) dan wordt de scene als volgt:

Geraldien trok de deur met een klap achter zich dicht, keek om, zag haar overbuurvrouw.

Mijn god, dacht ze. Ik heb helemaal geen zin in jou. Maar ik als haar niet groet, gaat straks het gerucht dat het niet goed gaat op mijn werk.

Ze beende de straat over en dwong zichzelf een paar passen in te houden. Haar glimlach was bijna echt. “Goedemorgen buurvrouw. Fijn weertje.”

Het is een kleine nuancewijziging.

Minimalistisch, met: “Ze nam de tram”

Als we deze scene minimaal houden en nog iets van die woede in de tram willen laten zien, komen we op iets als het volgende:

Geraldien was boos. Ze trok de deur met een klap achter zich dicht. De tram was zoals gewoonlijk stampvol en het koste haar moeite om niet in het gezicht van de man — die zich op de volgende halte naar binnen drukte — te schreeuwen dat er ook nog andere mensen in de tram stonden.

Uiteraard kan ook de situatie van de tram verder uitgewerkt worden. Hoe vol is die tram werkelijk? Hoe is het om in te stappen? Te wachten? Hoe is het om die overvolle tram aan te zien komen? Is het koud buiten? Staan mensen in de halte te wachten die irritatie opwekken? Of nog meer bekenden? Komt ze even tot rust (bijvoorbeeld dankzij een luchtig gesprek met een mede-wachtende) of wordt ze alleen maar bozer?

Ook daarin speel relevantie. Is het relevant om te melden wat er tijdens het wachten en de tram-rit gebeurt? Of kunnen we volstaan met het noemen en zelfs weglaten van die tram-rit?

Als het wel iets toevoegt: het uitbuiten van een situatie

Terug naar de buurvrouw. We gaan er even van uit dat het werk belangrijk is. Terug naar de laatste versie:

Geraldien trok de deur met een klap achter zich dicht, keek om, zag haar overbuurvrouw.

Mijn god, dacht ze. Ik heb helemaal geen zin in jou. Maar als ik haar niet groet, gaat straks het gerucht dat het niet goed gaat tussen op mijn werk.

Ze beende de straat over en dwong zichzelf een paar passen in te houden. Haar glimlach was bijna echt. “Goedemorgen buurvrouw. Fijn weertje.”

Doordat we hier en nu een situatie hebben, kunnen we daar verder gebruik van maken om een stukje informatie te geven. Bijvoorbeeld dat er veel mensen ontslagen zijn en we kunnen iets prijsgeven over wat ze doet.

Geraldien trok de deur met een klap achter zich dicht, keek om, zag haar overbuurvrouw.

Mijn god, dacht ze. Ik heb helemaal geen zin in jou. Maar ik als haar niet groet, gaat straks het gerucht dat het niet goed gaat op mijn werk.

Er waren het afgelopen jaar veel ontslagen gevallen op het Arnelius-college en hat was waarschijnlijk dat ook in januari weer meer mensen op straat zouden komen te staan.

Ze beende de straat over en dwong zichzelf een paar passen in te houden. Haar glimlach was bijna echt. “Goedemorgen buurvrouw. Fijn weertje.”

Nuances en veranderingen in nuances

Is het je opgevallen dat bij elke toevoeging de nuance verandert in dat laatste stuk? Ter vergelijking: als we verder niets prijsgeven.

Geraldien trok de deur met een klap achter zich dicht, keek om, zag haar overbuurvrouw. Ze beende de straat over en dwong zichzelf een paar passen in te houden. Haar glimlach was bijna echt. “Goedemorgen buurvrouw. Fijn weertje.”

Wat voelt Geraldien? Het mist de motivatie. Het mist een stukje diepte. Geraldien doet alsof, maar waarom dan? Verder zien we wel dat Geraldien de deur met een klap dicht trekt, maar dat kan ook zijn omdat ze bruusk is.

De minimalistische vorm van het voorgaande stuk, waarin we het meeste meepakken om een impressie te geven van de boosheid en hoe Geraldien daar in een publieke ruimte mee om gaat, maar waarin alle niet-relevante info voor het verhaal zijn weggelaten:

Geraldien trok de deur met een boze klap achter zich dicht, keek om, zag haar overbuurvrouw. Ze beende de straat over en dwong zichzelf een paar passen in te houden, begon te glimlachen.

Als ik jou nu niet groet, gaat straks het gerucht dat het niet goed gaat op mijn werk.

 “Goedemorgen buurvrouw. Fijn weertje.”

Wat is goed? Wat niet?

“Show, don’t tell” is een stuk gereedschap. En net als elk ander stuk gereedschap heeft het een handleiding, een nut, een aantal consequenties en een aantal redenen om het niet te gebruiken.

Hier een aantal dingen op een rijtje:

  1. “Show” voegt details toe aan het verhaal
  2. Die details kunnen het verhaal verrijken
  3. Die details kunnen het verhaal (onnodig) vertragen
  4. “Show” kan een gevoel van intimiteit opwekken, kan de lezer helpen om dichter bij het personage te komen.
  5. “Tell” is in de meest basale vorm een opsomming van handelingen en gebeurtenissen, met een soort tweedehands inzicht in het personage zelf (iemand anders vertelt ons al die dingen over dat personage. We maken ze gevoelsmatig niet zelf mee).
  6. “Show” vereist interpretatie en werk van de lezer. Er gebeuren dingen, maar wat de reden of achtergrond van die dingen is, moet de lezer vaak grotendeels zelf zien te achterhalen. Tenzij we ook een stuk “tell” toepassen.
  7. “Tell” vereist nauwelijks interpretatie en vraagt weinig werk van de lezer, zeker als de schrijver concreet is in wat er gezegd wordt.
  8. Zowel “show” als “tell” hebben nut in een verhaal.

Het nut van “show”

Het nut van show in drie punten:

  1. Opbouwen van emotionele band — “Show” kan de lezer helpen om (sneller) een emotionele band met de personages op te bouwen. Inplaats van droge informatie “zien” we waarom en hoe een personage door een bepaalde situatie gaat. De keuzes die daar getoond worden, en het proces waar het personage doorheen gaat, o.a. zichtbaar gemaakt in de (innerlijke) dialogen helpt ons als lezer om herkenning te vinden.
  2. Organische expositie van — op dat moment — relevante informatie — Inplaats van plompverloren een info-dump te doen, kunnen we met “show” een situatie creëren waarin die informatie als terloops kan worden prijsgegeven. In het voorbeeld van Geraldien werd het stuk dat volgde uit: “Toon dan dat Gerladien boos is!” aangevuld met informatie over haar werk, het bestaan van haar buurvrouw en haar vriend of man: Willem.
  3. Dynamiek — “Show” voegt verder een stuk (potentiële) dynamiek toe aan het verhaal. Elk moment waarin de schrijver een “show” doet, gebeuren er dingen.

Het nut van “tell”

Het nut van “tell” in drie punten:

  1. Kort en bondig — “Tell” is kort en bondig. (Mits de schrijver dat ook is). Waar je met “show” heel veel kermis rondom dat gegeven hebt, om de situatie te schetsen, de innerlijke dialogen weer te geven, en zo voorts kun je met “tell” in een paar zinnen een hele reeks gebeurtenissen samenvatten.
  2. Snel — “Tell” werkt sneller dan “tell”. Zowel in schrijven als in het lezen. Ik hoef als schrijver niet te verzinnen hoe dingen gingen. Ik hoef me slechts te beperken tot het wat. “Wat gebeurde er? Wat was de oorzaak of aanleiding? Wat is het eindresultaat?”  Ik hoef als lezer niet door eindeloze situatieschetsen heen te gaan en als een soort puzzle dingen in elkaar te zetten om uit te vinden wat er plaats heeft gevonden, waarom dat was en welke gebeurtenissen daarin relevant waren.
  3.  Helder — “Tell” beperkt zich over het algemeen tot de hoofdlijnen. “Dit gebeurde er eerst. Toen dat. Dit was de reden. Dit is de uitkomst.”

Afwisselen of niet?

Zowel “show” als “tell” kunnen los van elkaar gebruikt worden. Beiden hebben hun eigen uitdagingen..

Twee uitdagingen en gevaren van “Show”:

  1. Toenemende abstractie — Als niemand de lezer vertelt: “dit is er gaande” en de focus puur op “show” ligt, kan een verhaal uitzonderlijk abstract worden. Er gebeuren wel dingen, maar hoe hangen die samen?
  2. Toenemende traagheid — Als werkelijk alles getoond moet worden, inclusief bepaalde nuances die alleen heel omzichtig beschreven kunnen worden, bestaat het risico dat het verhaal inzakt. Sommige dingen kunnen — zeker als dat de helderheid en puntigheid van een situatie bevordert — beter samengevat worden in een “tell”-zin.

Twee uitdagingen en gevaren van “tell”:

  1. Lastiger om met situaties en personages te verbinden — “Tell” vertelt wel wat er gebeurt en wellicht waarom dat belangrijk is, maar we zin in pure “tell” stukken nauwelijks waarom dat voor de personages zelf zo is. We moeten dingen voornamelijk aannemen van de schrijver.
  2. Doodsheid in het verhaal — De dynamiek in “show” komt uit actie. Bij “tell” (waarin we de situatie schetsen van buitenaf) komt die dynamiek voornamelijk uit taal en ritme.

De dynamiek van om en om

Als schrijver doe je waarschijnlijk van nature al een mix van “show” en “tell”.

De truuk is om dit met meer bewustzijn te doen. Lees je verhaal en kijk per stuk en in de feedback van anderen:

  1. Vertraagt het?
  2. Is of wordt het onduidelijk? (Wat het doel en nut is van een handeling of een personage bijvoorbeeld?)
  3. Te droog?
  4. Kunnen je proeflezers zich niet echt inleven in je personages?

Het bewust toepassen en afwisselen van “show” en “tell” kan al heel veel verandering brengen. Soms om dingen korter, duidelijker en bondiger neer te zetten (“tell”) soms om scenes personages en situaties meer diepte en dynamiek te geven (“show”).

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s