Vloeken en grof taalgebruik in verhalen

“Schelden doet geen zeer”. Maar ook weer wel. “Woorden doen geen pijn” en toch ook wel. “Woorden zijn niet echt” en toch weer wel.

Het hangt allemaal af van de context, de herhaling en de intentie achter die woorden.

Woorden kunnen iemand tot wanhoop drijven en zelfs (bij herhaaldelijk pesten en constante negatieve bevestiging bijvoorbeeld) tot depressie en zelfmoord leiden.

Dit is even een snelle dump (en draftversie) van mijn gedachten rondom grof taalgebruik, naar aanleiding van de kinderboekenweek en de Bond tegen vloeken.

Vloek

Wikipedia:

Een vloek in de betekenis van “onheilsbezwering” is een meestal geritualiseerd gebaar of gezegde met de bedoeling een persoon of een plaats kwaad te berokkenen. Motieven daarbij zijn woede of een verlangen om te straffen of om zich te wreken.

En:

Een vloek is een krachtterm die ontleend is aan het domein van de godsdienst, zoals in het Nederlands godverdomme of jezus. In ruimere zin kan vloek ook slaan op ieder soort krachtterm.

“Krijg de tyfus” valt onder de eerste categorie. “Godverdomme”of: “God verdom me / stort me in verdoemenis” valt onder de tweede.

Bond tegen vloeken

De Bond tegen vloeken richt zich volgens haar “over ons” voornamelijk op die tweede categorie. De naam van God mag niet zomaar (oneerbiedig) gebruikt worden en het in Gods naam afroepen van vloeken over jezelf of over anderen (zeldzamer in ons taalgebruik) is schokkend en negatief en kan echte gevolgen hebben als die God echt bestaat.

Los van de aard van de bemoeienis en los van de vraag of God bestaat (in die vorm waarin er in God wordt geloofd): vloeken kunnen heel concreet heel kwetsend zijn voor bepaalde mensen met een bepaalde geloofsovertuiging. En dit is waar de Bond zich onder andere tegen inzet.

Ik ga hier verder niet in op de uitvoer van die doelstelling, omdat ik daar persoonlijk nooit mee geconfronteerd ben geweest. Met andere woorden: ik weet het niet.

Deze blogpost is verder geen ding vóór of tegen grof taalgebruik in verhalen. Alhoewel ik vind dat het moet kunnen en mogen en dat we niet al te preuts moeten zijn of gaan worden.

Grof taalgebruik

Grof taalgebruik is niet hetzelfde als vloeken. Vloeken kan wel weer onderdeel zijn van grof taalgebruik.

Grof taalgebruik zit vol referenties naar taboe-zaken. In Nederland zijn dat voornamelijk ziektes en geslachtsdelen (“kanker”, “tyfus”, “kut”). In het Engelse zijn (menselijke) uitwerpselen en seksuele handelingen (o.a. “shit”, “fuck”, “bugger”) favoriet.

In mijn persoonlijke optiek werken die referenties als smaakmakers. Het maakt de conversatie malser. Dit is in ieder geval hoe ik het zelf gebruik.

Vijf redenen voor grof taalgebruik

Grof taalgebruik heeft in mijn (werk) ervaring verschillende functies, waaronder:
  1. Het ontladen van spanningen (door overdrijving of accurate omschrijving). “Wat een ongelofelijke tyfus-kanker kutzooi was dat!” bijvoorbeeld.
  2. Het afstoten of wegjagen van een ander. “Rot op, vieze kankerlijer!” bijvoorbeeld.
  3. Het daadwerkelijk toewensen van bepaalde dingen aan bepaalde personen of situaties. “Krijg de tyfus” bijvoorbeeld.
  4. Het accuraat, maar in korte en grove bewoordingen beschrijven van een bepaalde situatie. “Kutzooi” bijvoorbeeld.
  5. Het bereiken van een schok-effect. “Dit is kut!”
Dit kan in combinatie van elkaar, maar ook los.

Context

Ik kom uit een omgeving waarin fouten tijdens het werk letterlijk kunnen leiden tot afgerukte of verpletterde ledematen en waarin fouten en dom werk tot kostbaar tijdsverlies gaat leiden omdat de oogst of wat dan ook binnen een heel kort tijdsbestek binnengehaald moet worden.
Mensen schreeuwen naar elkaar, gebruiken grof taalgebruik, maken grove grappen als er iets is gebeurd dat ofwel gruwelijk was, of gruwelijke gevolgen had kunnen hebben. De redenen die ik ken zijn simpel: het werk moet door. Er is geen tijd voor lange gesprekken en diepe bespiegelingen. Je accepteert de situatie, maakt er een paar (grove) opmerkingen over die treffend en overtreffend zijn, lacht erom, komt er misschien nog een paar keer op terug die dag en die week, en gaat weer verder.
In die context dient grof taalgebruik o.a het volgende doel:
  1. Plaatsing van de situatie: O.a. wat is er gebeurt? Hoe is dit zo effectief mogelijk te verwoorden?)
  2. Erkenning van die situatie. O.a. het is gebeurt. Het was heel erg / tragisch / kut.
  3. Ontlading van de emotie Door o.a. plaats geven aan het gebeurde, het trekken van het gebeurde naar het absurde, zodat er ook om gelachen kan worden)
  4. Verwerking van de schok O.a. door herhaling van de kern-duiding van de gebeurtenissen en door overdrijving. “Het had nog erger gekund, hij/zij had bijvoorbeeld ook [vul maar in]” is daar een voorbeeld van.
Ik ken ook de kwetsende kant. “Vuile homo,” bijvoorbeeld (of wat dan ook), waarbij de intentie kan zijn dat anderen het horen, of waarin het als een soort bedreiging wordt gebruikt. Daar wordt grof taalgebruik gebruikt om:
  1. Iemand (structureel) in een contextuele hoek te plaatsen. Iemand die stinkt, iemand die aan een zieke lijdt, iemand die niet bij zijn of haar volle verstand is, iemand die wereldvreemd of gek is.
  2. Iemand (zeggings)kracht te ontnemen. In dit geval “hoef je niet naar X te luisteren want X is [dom / gek / een vrouw / een man / een asielzoeker / een profiteur en vul maar iets in]”.
  3. Iemand verbaal te pijnigen. Schelden doet weldegelijk zeer. Veel pestkoppen hebben een talent in het vinden van zwakke plekken in hun doelwitten.
Ik noemde eerder grof taalgebruik als smaakmakers. Grof taalgebruik kan een conversatie smeuiger maken, meer smaak geven. Hier zijn twee voorbeelden:
  1. Overdrijving. Hierin is iets niet zomaar een object, maar een object met een bepaalde lading, die groter is dan de werkelijkheid. “Dat was een enorme kloterige shitzooi.”
  2. Decoratie. Hierin dient grof taalgebruik primair als verrijking. “En dan komt die shit naar beneden vallen” klinkt smeuiger dan “en dan komt die stapel papier naar beneden vallen”

Er zijn ongetwijfeld meer te verzinnen.

Dan is er “milieu” of “herkomst” of “omgeving” of “afkomst”. In sommige omgevingen is het totaal normaal om overal krachtwoorden te gebruiken. In anderen worden die krachttermen zoveel mogelijk vermeden.

De combinaties van factoren zijn zo complex dat daar nauwelijks iets over te zeggen valt.

Censuur, verwerking en zelfcensuur

Mijn moeder is in 2007 overleden aan kanker. Kanker zelf is een rotziekte. Maar moet ik daarom dat woord vermijden? Mag ik het nooit meer gebruiken? Mogen andere mensen rondom me dat woord niet meer gebruiken omdat het mij zou kunnen kwetsen?

In mijn persoonlijke opinie niet. Sterker nog: ik wordt fel als ik over dat soort censuur praat. Kanker bestaat. Kanker maakt mensen dood. Mijn moeder overleed aan kanker.

Die erkenning van die werkelijkheid, zonder censuur, maakt het mogelijk voor mij om die realiteit te erkennen. Net als grove grappen over kanker. Dat wil niet zeggen dat alle grappen over kanker leuk zijn, of helpen te erkennen.

Maar censuur (in dit geval van het woord “kanker”) helpt voornamelijk die werkelijkheid te ontkennen. “Kanker bestaat niet” en “we bezigen dat woord niet in deze kringen” staat voor mij gelijk aan “we kiezen er liever voor om de werkelijkheid te ontkennen, dan te erkennen dat er iets vreselijks gaande is, of iets vreselijks gebeurt is”.

Door iets onder het tapijt te vegen, verdwijnt het probleem niet, maar blijft het vaak nog langer liggen.

In verhalen kan het gebruik van dit soort gevoelige onderwerpen een paar functies hebben. Ik geef er vijf:

  1. Kwetsend. Zodat andere mensen (opnieuw) pijn voelen.
  2. Taboedoorbrekend. Zodat er (weer) over gepraat kan worden
  3. Neerbuigend. Zodat we onszelf als superieur kunnen zien (vaak uit een inferieuriteitsgevoel en de daaraan gekoppelde behoefte om beter te zijn)
  4. Begripwekkend. Zodat andere mensen dit soort onderwerpen in een nieuw daglicht gaan zien, nieuwe inzichten krijgen, vaak vanuit het oogpunt van diegenen die normaal niet gehoord worden.
  5. Bevrijdend. Omdat het helpt om bepaalde emoties die mensen rondom die onderwerpen hebben en hebben onderdrukt, erkend kunnen worden en daardoor de ruimte kunnen krijgen.

Moet een persoon iets ergs hebben meegemaakt om grof taalgebruik te gebruiken?

Nee.

Afkomst en basiscultuur hebben meer invloed dan wat dan ook. Als in een omgeving veel grof taalgebruik wordt gebruikt, zal dat een natuurlijke stijl zijn of worden van een persoon.

Omgekeerd: als grof taalgebruik wordt afgekeurd, zal een personage dat grove taalgebruik zoveel mogelijk vermijden. Zeer waarschijnlijk ook in gedachten, tenzij er een conflict is tussen de innerlijke wereld van dat personage en de regels van de omgeving jegens dat taalgebruik.

Kortom: taalgebruik is vaak gevolg van milieu.

Maar wat als een personage zich niet aanpast?

Stel: personage X gebruikt thuis grove woorden, maar werkt in een omgeving waar dat niet op prijs wordt gesteld. (Of omgekeerd.)

Dat personage kan zich aanpassen aan de omgeving (en dus het taalgebruik aanpassen) of overal dat taalgebruik nemen dat zijn of haar voorkeur heeft.

De kern draait om persoonlijke voorkeurenpersoonlijke prioriteiten en mogelijke consequenties Met andere woorden: “welk taalgebruik heeft mijn voorkeur?” en “hoe belangrijk ervaar ik mijn omgeving (en mijn invloed op anderen) om dat taalgebruik daarop aan te passen?” en “hoe belangrijk zijn de gevolgen van mijn taalgebruik als dit verkeerd wordt opgevat?”

Iemand die niets te verliezen heeft, zal bijvoorbeeld daar anders mee omgaan dan iemand die voor zijn of haar gevoel veel (een baan, een relatie, een vriendschap) te verliezen heeft. Iemand in een positie van macht, idem. Iemand die bang is voor de oordelen en veroordelingen van anderen zal daar (opnieuw) anders mee omgaan dan iemand die het zich totaal niet aantrekt wat anderen over hem of haar vinden of denken.

Een personage dat veel heeft meegemaakt, kan daarin bewust (en voorbij angst) een bepaalde keuze en richting nemen. “Ik pas me aan, want dat maakt dingen makkelijker” of: “Ik pas me niet aan, want wat anderen vinden is uiteindelijk irrelevant gebleken voor mijn eigen ontwikkeling en voortgang” bijvoorbeeld.

Staat taalgebruik gelijk aan intelligentie?

Er is een opvatting dat mensen die grof taalgebruik gebruiken (en simpele woorden) vaak minder ontwikkeld zijn. Die ontwikkeling wordt vaak weer gekoppeld aan intelligentie, ook al is dat maar sociale intelligentie, “want slimme mensen ontwikkelen zich”.

Het antwoord: nee. Mensen die een brede woordenschat hebben en nauwelijks grof taalgebruik bezigen, zijn niet per definitie slimmer of beter in het oplossen van specifieke problemen.

Is het nodig? Is het kwetsend? Is het dom?

Word de wereld beter als we geen grof taalgebruik gebruiken? Gaan mensen aardiger worden? Of de wereld vriendelijker?

Ook dit is afhankelijk van de context. Het woord “klootzak” kan zowel respectvol als kwetsend worden gebruikt, zowel een medaille van grootsheid zijn, als de meest denigrerende titel die je maar toegeworpen kunt krijgen.

Die context hangt o.a. af van:

  1. Wie het zegt. Is deze persoon eerlijk? Oprecht? Altijd uit naar het beste in jou en zichzelf? Of iemand die altijd negatief is, een negatieve invloed heeft?
  2. De intentie achter de uitspraak. Wat wil die persoon bereiken? Is de intentie om jou neer te halen of omhoog te tillen? Is waardering het uitgangspunt? Of afkeur of veroordeling?
  3. Het moment / de omstandigheden. Wanneer gebeurt dit? Is dat tijdens een crisis of niet? Is het tijdens een gevaarsituatie? Is het om je terecht te wijzen of je te complimeren?
  4. De plaats. Vloeken in een omgeving waarin niet gevloekt wordt of mag worden heeft een ander effect en een andere context dan vloeken in een omgeving waarin alleen maar gevloekt wordt.

Wordt de wereld beter en mooier als we van grof taalgebruik afzien? Ik betwijfel het. Uiteraard is het aspect van respect essentieel. Wat voor de ene grappig is, kan voor de ander uitzonderlijk kwetsend zijn, vanwege persoonlijke overtuigingen bijvoorbeeld, of bepaalde persoonlijke (negatieve of traumatische) ervaringen.

Verder verandert de tijd en de mores van die tijd. Wat 30 jaar geleden nog grappig was, kan nu bijvoorbeeld uitzonderlijk racistisch of dom of seksistisch zijn, omdat we een breder begrip hebben gekregen van de belevingswereld van anderen, van mensen die voorheen onzichtbaar waren of als onzichtbaar en irrelevant werden weggezet.

En in verhalen?

Moeten / mogen personages in een verhaal krachttermen gebruiken? Of juist niet? Moeten we dit juist vermijden, bijvoorbeeld vanwege de (mogelijk) tere ziel van de lezer? Of omdat je anders een shitstorm van kritiek over je heenkrijgt?

Is het functioneel?

En omgekeerd: wat vind jij als schrijver zelf? Past het? Past het bij de karakters? Past het bij de situatie? Zegt het iets over die karakters en de situatie wat duidend en effectief is?

Moet je bepaalde woorden vermijden (zoals in mijn geval het woord “pik”) omdat dat “niet bij het karakter past”? Maar als dat zo is, wat moet je dan wel gebruiken? (In mijn geval: “geslacht”? Maar is mijn personage dan zo preuts dat ze wel seks heeft maar niet het concrete woord voor zijn lul/penis/pik/pielemans kan gebruiken?)

Kunst is uiteindelijk kunst. Iets dat uit het hart en de ziel en de emoties van de maker komt. Dat daar soms wat grove randjes vanaf geschaafd worden om het geheel wat makkelijker bij het grote publiek naar binnen te laten glijden hoeft nog niet te betekenen dat je niet af en toe even een uithaler mag maken.

Preutsheid en burgermoraal

Er is een hele rare overlap tussen preutsheid en moraal. Wanneer is wat? Moeten we kinderen bijvoorbeeld beschermen tegen grof taalgebruik? En zo ja, waarom dan? Is dat puur omdat wij als ouders er dan dommer uit gaan zien, bang zijn om als asociaal gezien te worden? (“Kijk, dat zijn de ouders van Marieke! Dat kind is zo grof in de mond. Die ouders moeten wel dit of dat zijn!”)

Aan de ene kant is grof taalgebruik een soort kledingsstuk. Het laat zien waar je vandaan komt, wat je mogelijke achtergrond is. Taalgebruik zelf is (net als accent) als een badge waarmee we onszelf en anderen identificeren als “één van ons” en “één van die andere groep” en als: “goed volk” of: “volk dat mogelijk problemen gaat geven” of: “volk dat je beter kunt vermijden”

De burgermoraal is hard en direct: binnen een paar seconden nadat je je bek opentrekt vormen zich al oordelen en die oordelen plaatsen je al vrij snel in een bepaalde hoek.

Angst om in die bepaalde hoek gedrukt te worden (als één van de vele factoren) leidt weer tot een bepaalde preutsheid. Natuurlijk gebruik je in een blogpost of een conversatie NIET bepaalde woorden die mogelijk aanstotelijk kunnen zijn. Net als dat je als man of vrouw niet je tepels laat zien. We hebben namelijk bepaalde taboes. En mensen die die taboes doorbreken “zijn vaak ofwel gek, ofwel asociaal (en dus een potentieel gevaar voor onze rust en ons welzijn) of snappen niet dat er bepaalde fatsoensgrenzen zijn”.

Met die preutsheid kuisen we ons taalgebruik, elimineren we aanstootgevende woorden en aanstootgevende uitdrukkingen, vooral om te zorgen dat we zo weinig mogelijk mensen tegen de borst stoten en te zorgen dat we overkomen als intelligente, beschaafde mensen uit een beschaafd en ontwikkeld niveau.

Die preutsheid is voor artistieke producten en het artistieke proces echter niet altijd de beste keuze. Als onderdeel van de zelfexpressie van een schrijver, een illustrator, een kunstenaar het “vulgaire” is, dingen die momenteel onder taboe vallen, dan is het wellicht goed om juist die taboes te doorbreken.

Waarom is het belangrijk om taboes te doorbreken?

In de afgelopen eeuw was het in wisselende periodes van hevigheid ongewoon en onverstandig om uit te komen voor bepaalde (seksuele) voorkeuren. Homoseksualiteit was bijvoorbeeld taboe en kon leiden tot uitstoting uit een gemeenschap.

Echter: elk taboe is een sociaal en cultureel construct dat gekoppeld is aan een bepaalde moraal. Waarom is iets “vies” of “pervers”? Voornamelijk omdat wij dat zo denken. In hele afzonderlijke gevallen omdat bepaalde handelingen inderdaad tot schadelijke gevolgen kan leiden, traumatische gevolgen kan hebben. Zeker als aan die “perversie” geweld is verbonden.

Maar niet elk taboe dat een schijn van “veiligheid” genereert (denk bijvoorbeeld op het taboe op het gebruik van het woord “kanker” in Nederland, of “shit” en “fuck” in Amerika) is zinvol of ondersteunend in de ontwikkeling van een bevolking of een cultuur. De onderdrukking van de normaalheid van homoseksualiteit en biseksualiteit heeft bijvoorbeeld lang tot veel onnodig leed, en onnodige leugens geleid.

Fuck die shit, met andere woorden, en doorbreek wat regels op dit vlak, als dat je dichter bij je eigen schrijvers-schap brengt.

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s