Mijn schrijf en redactie-proces

Ik heb in het verleden (zeg tussen 2011 en nu) veel blogposts geschreven over de technische vragen (en oplossingen) die ik zelf tegenkom, of die in gesprekken met andere schrijvers naar voren komen. Daar zitten vaak lijstjes bij en stappen-plannen en dat soort zaken.

Maar hoe schrijf ik eigenlijk?

De korte versie:

  1. Ik verzin of pak een basis voor mijn verhaal. Dat kan een aantal onderwerpen zijn die ik online tegenkwam (ik lees geen kranten) of een thema dat in die periode meerdere keren terugkomt.
  2. Ik verzin mijn personages. Dit is vaak op een enorm ruwe manier. Een beetje als een snelle schets op een bierviltje.
  3. Ik werk een paar scenes uit.

Vanaf dat punt weet ik vaak al of een verhaal gaat werken of niet. Als ik na 3 bladzijden stukloop, ontbreekt er nog iets, of ben ik er simpelweg nog niet klaar voor dat onderwerp.

Als ik na 10 bladzijden nog niet klaar ben met schrijven, heb ik iets te pakken.

Verder geld voor 90% van mijn verhalen het volgende:

  1. Ik werk van tevoren geen plot uit
  2. Ik heb aan het begin van een verhaal geen enkel idee waar dat verhaal naar toe zal gaan
  3. Ik weet vaak wel wat ik wil doen en voelen en wil neerzetten in dat verhaal

Waarom deze start?

Zoals ik al in een eerdere blogpost schreef: ik ben tegen een behoorlijk schrijversblok aangelopen. Ik vond mijn werk repetatief, geloofde niet (meer) in een plot waarin bepaalde dingen in een bepaalde volgorde gebeuren en had totaal geen plezier meer in het proces.

En dan?

Zodra een verhaal vorm begint aan te nemen, begin ik na te denken. Ik stel vragen. Wat wil mijn hoofdpersoon eigenlijk? Waarom op die manier? Zou dat ook anders kunnen? Waarom volgt ze deze route? Waarom niet een ander? Hoe kan ik dingen nog contrastrijker neerzetten?

Ik ga daarin niet uren lopen kutten, maar kies het allereerste wat me aanspreekt. Dit gaat om de lol, het plezier van creatie en het vertrouwen in het proces. NIET om het tegemoet komen van mijn lezers, het pleasen van critici en meer van dat soort onzin. Dit gaat om mij. Mezelf. Mijn plezier.

In lijstjesvorm:

  1. Ik schrijf. Als dat schrijven lekker gaat, gaan dingen goed.
  2. Ik stel vragen op momenten waarop ik vastloop, twijfels krijg of mijn schrijfwer begint te vertragen
  3. Ik ga niet eindeloos lopen kutten, maar kies de allereerste antwoorden die ik krijg en waar ik blij of enthousiast van word.
  4. Ik ga direct door met schrijven, tot dat volgende moment, of tot mijn schrijftijd op is

Hoe bouw ik structuur in?

Ik denk dat ik niet uniek ben als ik zeg: “Ik heb in mijn verhalen een bepaalde richting nodig. Een compas. Een bestemming.”

Zomaar wat losse scenes neerplempen maakt niet automatisch een verhaal.

De lijm waarmee ik werk is: thema. Dat thema wordt ofwel vanzelf duidelijk tijdens het schrijven, of bied zich van tevoren aan. Een thema kan één begrip zijn, zoals “Mijn hoofdpersoon wil altijd gelijk krijgen” of een bepaald vraag zijn, of een concept omvatten.

In mijn geval heeft dat thema vaak een aantal sub-thema’s om meer diepte te geven aan de uitwerking daarvan. Bijvoorbeeld, het hoofdthema: “liefde” kan als subthema’s hebben: “afwijzing”, “verschillende uitingsvormen van liefde, zoals genegenheid, gulheid en onconditionele steun”

Vervolgens ga ik werken aan de expositie van dat thema en die subthema’s. Met andere woorden: mijn personages, de situaties waarin ze zich bevinden, de locaties waar ze zijn, de volgens stappen die ze nemen, draaien allemaal rond één van die onderwerpen. En elk vormt, naarmate het verhaal zich verder ontwikkelt, een rode draad door dat hele verhaal heen.

Twee of drie personages in een willekeurige locatie of situatie krijgen daardoor een reden elkaar te ontmoeten, onderwerpen om over te spreken, redenen om dingen te doen, of juist te laten.

Het idee is dat niet de situatie en locatie bepalend is, maar datgene waarmee die personages zich op dat moent bezig houden of datgene waarvoor de personages op dat moment een soort van milde obsessie hebben.

En dan?

Als al mijn ingredienten kloppen, “schrijft het verhaal zichzelf”.

Maar is het dan goed?

In mijn eigen optiek niet.

Ongetwijfeld zitten er goede stukken in die eerste versie en ja: ik heb vertrouwen dat wat ik op dat moment geschreven heb ook echt de moeite waard is om verder te ontwikkelen, maar het geheel is nog vrij ruw, vergelijkbaar met het eerste stadium van een olieverfschilderij, waarin het geheel al vorm heeft gekregen, maar nog lang niet af is.

chris-stages1

(Dit geeft een heel erg ruw idee. In dit geval is het ruwe schetswerk al vooraf gedaan door de schilder. In mijn proces verandert het kapsel nog zes keer, heeft hij eerst een T-shirt aan, dan een lange jas, dan een lange jas met een grote kraag)

Wat volgt zijn verfijningen, momenten waarin de compositie verandert, elementen worden verplaatst. Scenes die eerst achteraan zaten, naar voren worden gehaald.

Het idee is om van een ruwe opzet tot een helder beeld te komen dat echt diepte krijgt, de lezer meesleept en niet (zoals in mijn geval vaak gebeurt) verwart.

Waarom deze aanpak?

Omdat ik geloof in dat proces, omdat dingen vooraf uitwerken in plot en outlines voor mij een negatief effect heeft, ongeveer als een glas water over het begin van een vuur. Ik ben heel haptisch ingesteld. Ik wil mijn wereld voelen. Ik wil mijn handen op dingen kunnen plaatsen. Dingen uitproberen.

Die eerste versie is een prototype. Die ik met plakband en karton in een middag in elkaar heb zitten knutselen. Die me direct een idee geeft van wat ik aan het doen ben.

“Eerst vorm, dan detail”

Ik ben heel erg gaan geloven in “eerst vorm, dan detail”. Ik kan met een verhaal wel eindeloos gaan zitten prutsen op mijn personages, op de exacte lichtval, het exacte geluid en de exacte kleur van bepaalde elementen, maar zonder de vorm, zonder compositie raak ik op een gegeven mijn interesse kwijt. Ik ben van de grote streken, de ruwe vormen.

Ik wil (zoals gezegd) al heel snel kunnen voelen waar de totaal-compositie naartoe gaat. Niet alleen als snelle schetsen (de outline) maar ook in totaalvorm (het grote doek, het totale verhaal, de totale roman)

Zodra dat staat, zodra ik tevreden ben over alles, kan ik terug gaan werken. “Hoe kan ik dit net even mooier doen? Net even beter dan andere schrijvers? Hoe geef ik dit specifieke idee mijn vorm?”

Ik kan nieuwe versies maken, nieuwe inzichten verwerken, net weer even een stapje verder gaan.

Techniek als ondersteuning

Natuurlijk heb ik een paar basistechnieken in mijn broekzak zitten, maar die technieken zijn ondersteunend en niet leidend. Bijvoorbeeld: “Hoe zet ik effectief en snel mijn achtergrond op? Hoe maak ik snel een goede karakterschets in woorden? Hoe zorg ik dat dit net even wat dynamischer wordt?”

Schrijven en redigeren als twee gescheiden processen

Als ik schrijf, redigeer ik nauwelijks. Uiteraard grijp ik hier en daar in als ik stukken zie en teruglees die beter kunnen, maar als ik schrijf, kijk ik 99% van mijn tijd vooruit en slechts 1% achterom.

Slecht schrijfwerk, krukkige scenes, scenes met teveel woorden pak ik later wel aan. “Voelt het goed? Dan is het goed. Volgende scene. Voelt het niet goed? Dan gaan we nu terug en even kort wat fixes maken.”

Loop ik vast? Bijvoorbeeld omdat mijn basis anders had moeten zijn? Dan ga ik redigeren.

Bij het redigeren doe ik niets anders dan oordelen. In vragen: “Klopt dit? Is dit logisch? Kan het beter? Waarom zo? Waarom niet anders? Waarom hier? Waarom niet daat? Kan dit ook in 1 zin?” Maar ook in hele directe oordelen: “Dit is lelijk. Dit is saai. Dit is saai geschreven. Ik geloof dit personage niet. Deze acties zijn ongeloofwaardig. Deze handelingen zijn onlogisch. Deze acties zijn onmogelijk.”

En ik zoek naar oplossingen. “Als ik dit en dat behoud, hoe los ik dan zus en zo op? Wat gebeurt er als ik dit doe in plaats van dat?” Dat kan op zinsniveau zijn, maar ook in de handelingen die plaatsvinden. “Hoe kan ik deze zin mooier krijgen? Hoe kan ik deze scene beter maken? Hoe krijg ik meer spanning en leven in dit stuk?”

Perfectie, meesterschap en werken naar beste vermogen

“Perfectie” staat ergens bovenaan mijn lijstje, maar met een aantal kanttekeningen. Ik wil “het perfecte verhaal” schrijven. Ik wil het meesterschap bereiken. Ik wil dat elke zin staat als een huis, dat elke scene iets bij mijn lezer teweeg brengt, dat elk van mijn verhalen een indruk achterlaat bij mijn lezers.

Ik weet ook dat ik daar nog steeds niet ben, dat ik soms terugval in mijn schrijven, dat dat enorm veel tijd en inspanning gaat kosten. En dat ik nog een miljoen dingen moet leren en herhalen en integreren die ik ooit wist, nooit wist, vergeten ben, die verdrongen zijn door gewoontes en aangetast zijn door de veranderingen in mijn houding naar mijn eigen leven en de wereld om me heen. Ik ben bijvoorbeeld niet meer boos, minder verward, minder fucked up. Ik ben op bepaalde vlakken afstandelijker geworden.

Dat alles.

Ik wil echter ook een stuk nalatenschap achterlaten. Ik schrijf en redigeer steeds gerichter om gelezen te worden. Ik doe dat niet om 300 jaar lang eindeloos op hetzelfde meesterwerk-to be te zitten kloten. “Naar mijn beste vermogen op dit moment” is vaak goed genoeg.

De scene en mijn angst

Angst werkt verlammend in mijn geval. Angst is, als er geen concreet gevaar is, in mijn optiek behoorlijk nutteloos. Angst gaf me een schrijversblok van bijna 20 jaar.

De angst die ik voelde, had voornamelijk te maken met de pleaser-kant van mezelf. Die pleaser is in mijn geval een klein, lief jongetje van ongeveer drie jaar oud die heel graag bevestiging en een aai over zijn bolletje wilt krijgen en: “goed gedaan hoor!” omdat het anders denkt dat het iets fout heeft gedaan.

Dat stuk van mij was heel dominant aanwezig en voelde zich heel erg afhankelijk vande reacties die ik binnen de scene dacht te gaan krijgen, met vragen als: “Ben ik wel origineel genoeg in mijn schrijven?” en: “Groei ik wel genoeg door volgens anderen?”

SF en Fantasy in Nederland was toen (en is nog steeds grotendeels) een patatkraam in een doodlopende steeg die vaak wat slappe, middelmatige patat bakt. Met een andere patatkraam daarnaast die hetzelfde doet. En daarnaast nog een patatkraam die net wat betere kroketten maakt, maar waar het ook nog steeds om te huilen is.

Op het moment dat ik mijn best ging doen om de mensen in die doodlopende steeg te pleasen met mijn zelfgeschilde aardappeltjes, ging het mis met mijn schrijven.

 

Blogpost

In mijn proces van schrijven, schrijf ik over het schrijven. Vaak over de dingen die me op dat moment bezig houden, die ik mezelf weer herinner en die ik op dat moment aan het leren ben. Technieken, checklists, verschillende gezichtspunten op bepaalde processen.

Het helpt me voornamelijk om die zaken helder te krijgen vervolgens los te laten, zodat ik ze (hopelijk meer bewust) kan gaan toepassen in mijn werk.

 

 

Zelfcensuur en het doorbreken en verleggen van grenzen

Op dit moment wil ik grenzen doorbreken EN ik wil leesbaar zijn.

Ik ben ergens in de afgelopen 20 jaar vergeten dat ik ook nog lezers heb. En die lezers stellen andere verwachtingen aan een goed verhaal dan ik. Ik ben conservatiever geworden in mijn wereldbouw. Waar ik vroeger wild en direct en flamboyant was, ben ik op een gegeven moment behoudend en omzichtig en

Ik ben het zat dat ik van ongeveer elke lezer dezelfde feedback krijg: “ambitieus verhaal, mooie wereldbouw, kan me niet echt in je karakters verplaatsen”.

Ik ben het verder spuugzat dat mijn werk onderaan de lijsten eindigt in verhalenwedstrijden, terwijl ze met wat meer werk en inspanning in de top-10 hadden kunnen belanden.

Hier is mijn huidige standpunt over mijn onafgewerkte en onleesbare werk uit het verleden: het is het werk van een arrogante zak, die uit pure luiheid niet bereid is om net even die extra paar kilometers te maken. “Redigeren is namelijk enorm tijdrovend. En soms enorm kutwerk.” En: “Mijn publiek moet maar begrip opvatten voor wat ik probeer te bereiken.” En: “Er is uiteindelijk toch geen publiek.” En meer van dat soort bullshit.

Een potentieel goed verhaal dat nu bleef hangen in wat vaag getoeter moet een prachtige, heldere en mooi gestructureerd stuk muziek gaan worden.

Ik probeer die grenzen ook te doorbreken in het gebruik van mijn elementen. “Kan dit meer? Kan dit met meer contrast? Durf ik mezelf nog meer bloot te geven in mijn verhalen? Waar ben ik mezelf onnodig aan het censureren? Waar doe ik alsof, omdat ik mezelf tegenhoud? Waar ben ik puur? Waar ben ik eerlijk? Waar niet? Waarom is dat? Uit welke angst?”

Ik denk dat de meest gepaste afsluiter voor deze post een glorieuze middelvinger van explosies is.

middelvinger

Graag gedaan.

 

 

 

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s