Verhalen met meerdere gezichtspunten, deel 1

Is het een slecht idee om meerder personages met meerdere gezichtspunten in een kort verhaal te gebruiken? Ik zeg: nee. In deze blogpost vind je een aantal manieren waarop ik dat probeer te doen en, de valkuilen die ik vond en een aantal redenen waarom ik denk dat juist meerdere gezichtspunten effectief kunnen zijn.

Dit stuk is voornamelijk een overweging van die aspecten. Deel 2 volgt dit weekend. Dingen in bold voor meer helderheid.

Samenvatting

Verhalen met meerdere hoofdpersonen hebben voor- en nadelen. Nadeel: minder tijd en ruimte per personage en de lezer kan sneller in verwarring raken. Voordelen: meer gezichtspunten mogelijk ten aanzien van een persoon, een situatie of de wereld waarin het verhaal zich afspeelt.

Basisvragen:

  1. Is duidelijk wie wie is? — Als ik “Personage A” weer opvoer na een scene met personages “B, C en D” weten we dan nog steeds wie “A” was?
  2. Is duidelijk wat deze karakters willen? – De lezer heeft niets aan bladzijde na bladzijde van handelingen door personages, waarin het lijkt alsof die personages maar wat aan het doen zijn omdat dat nu eenmaal nodig is.
  3. Is duidelijk waar we zijn in het verhaal? – Locatie. Voornamelijk. Is dat een bos, een kamer, een stad, een dorp. Maar ook: zit het karakter op dat moment nu op locatie A of locatie B? Het kan funest zijn voor mijn leeservaring als halverwege het volgende stuk blijkt dat we al die tijd al totaal ergens anders zijn dan in die vorige scene.
  4. Is duidelijk wanneer dit speelt? – Zitten we in een flashback? Een flash-forward? Voor het tijdstip waar de vorige scene zich afspeelde? Daarna?
  5. Is duidelijk hoe we daar gekomen zijn? – Dit lijkt minder relevant maar is het niet. Zie het als een oefening in helderheid.
  6. Is het duidelijk waarom we opeens ergens anders zijn? – Verbonden met “wat deze karakters willen”. Heeft die nieuwe locatie een reden? Voegt het iets toe aan het verhaal?
  7. Is het te expliciet? — Probeer ik bijvoorbeeld echt alles, maar dan ook alles aan mijn lezer uit te leggen omdat ik bang ben dat mijn lezer zo dom is dat hij of zij het anders niet begrijpt?

Oplossingen

Super-kort samengevat: zodra ik unieke ankers per scene en personage gebruik, worden dingen beter.

Als het niet duidelijk is wie wie is, kijk ik:

  1. Of ik onderscheidende namen heb gebruikt
  2. Of ik voor elk karakter unieke en duidelijke kenmerken heb gebruikt
    1. Voor zijn of haar uiterlijk
    2. In hun vormen van expressie
  3. Of Ik een scene eindig op een punt of moment dat uniek en herkenbaar is, en of ik dat punt weer goed oppak in het volgende stuk van dat karakter. Was dat:
    1. Op een hele specifieke locatie?
    2. Met een hele specifieke handeling?
  4. Of ik het einde van die scene een (binnen het verhaal unieke) emotionele lading heb gegeven, zodat de lezer sneller het verband ziet als ik daar later op terug grijp
  5. Of ik die scene afsluit met een open einde of een open zin, voor dezelfde reden als punt 4.

Om te zorgen dat duidelijk blijft waar we zijn, probeer ik:

  1. Een scene te eindigen op een locatie te met duidelijke (en unieke) kenmerken
  2. In dat laatste stuk van die scene bepaalde (unieke en herkenbare) objecten te gebruiken en te tonen. Iets uit die omgeving. Een kromgegroeide boom, een specifiek gebouw.
  3. Zo snel mogelijk duidelijk te maken hoe we ergens anders zijn gekomen, als dat een rol speelt
  4. In die scene concreet te zijn in de benoeming van mijn locaties (denk o.a. aan straat, plaats, land, of “aan de rand van het meer”).

Om te zorgen dat duidelijk is wanneer dit speelt, probeer ik:

  1. Een duidelijke indicatie te geven van tijd
    1. Letterlijk en absoluut (“12 mei 1993”) of
    2. Relatief (“drie uur geleden”) of
    3. Via de omgeving (“toen de nacht gevallen was”, “nadat de regen gestopt was”)

Om te zorgen dat duidelijk is hoe we daar gekomen zijn, kan ik:

  1. De volledige reis laten zien, of:
  2. Impressies te gebruiken van de reis daar naartoe, of:
  3. Het moment van aankomst tonen, of:
  4. Verwijzen naar die reis door iets dat mijn personage doet of denkt

Enkele en meerdere gezichtspunten

Ik ben geen echte voor- of tegenstander van het een of het ander. Ik vind verhalen met een enkelvoudig gezichtspunt (geschreven vanuit een personage) vaak lastiger dan verhalen met meervoudige gezichtspunten. Voornamelijk omdat ik in mijn eigen aanpak het liefst dicht bij mijn karakters blijf en voornamelijk toon wat zij zien en meemaken.

Voordelen en nadelen van verhalen met één gezichtspunt

enkelvoudig personage

Een verhaal met één gezichtspunt (meestal vanuit het hoofdpersoon) heeft wat mij betreft de volgende voordelen:

  1. Het is duidelijk over wie het gaat en waar we zijn. We veranderen niet van gezichtspunt. We springen niet van locatie naar locatie
  2. Het maakt het mogelijk om dieper in één specifiek aspect van het verhaal te duiken
  3. Het geeft meer ruimte aan het personage zelf en meer ruimte aan de schrijver om meer aspecten van dat karakter zichtbaar te maken

De nadelen:

  1. Dat personage kan alleen zijn of haar deel van de wereld (laten) zien. Als iets ergens anders gebeurt, gebeurt dat in principe buiten zicht.
  2. Om te zorgen dat dingen buiten het zichtveld van mijn personages zichtbaar wordt, moet ik vaak truukjes gebruiken. Bijvoorbeeld internet, nieuws, of een gesprek, of een stapje richting de alwetende verteller, waarin ik simpelweg beschrijf wat elders plaatsvind.

Voordelen en nadelen van verhalen vanuit meerdere gezichtspunten

meerdere personages ne gezichtspunten

De voordelen:

  1. Ik kan de wereld en gebeurtenissen in die wereld direct vanuit de belevenis van (strategisch geplaatste) karakters tonen
  2. Ik kan daarmee een rijkere weergave geven van de verhaalwereld en van de gebeurtenissen in die wereld

De nadelen:

  1. Elk van deze karakters heeft een beperkte ruimte om zichzelf te tonen. Ik kan hierdoor minder diepte bereiken met de karakters zelf. Alles moet sneller en in minder woorden worden geïntroduceerd en neergezet: wat willen ze? Wat motiveert ze?
  2. De lezer kan verward raken, zeker als de wisseling van het ene naar het andere karakter niet helder is en daardoor niet duidelijk is wie op dat moment naar voren wordt geschoven.

De taart die verdeeld moet worden

Er is een nadeel mbt meerdere personages in een (kort) verhaal. Elk karakter dat ik in mijn verhaal toevoeg neemt een deel van mijn verhaal in beslag. En neemt ruimte van mijn andere karakters. Het is als het verdelen van een taart: 3 mensen krijgen elk een groter stuk van die taart dan 8.

Dit heeft impact op onder andere:

  1. De introductie van mijn karakters: het aantal woorden dat ik hebt, de haast waarmee dat mogelijk moet gebeuren
  2. De tijd die ik hebt om per karakter het dilemma neer te zetten: wat willen ze? Wat zijn de dwingende omstandigheden en motieven waardoor ze tot actie overgaan?

Maar hoe groot zijn de stukken die ik per personage schrijft?

Dit is wat ik tot nu toe gedaan heb:

  1. Gelijke verdeling – Alle personages zijn even belangrijk. Ze krijgen evenveel aandacht en evenveel ruimte
  2. Aflopende schaal – Een paar personages krijgen de meeste aandacht, omdat ze bijvoorbeeld het verhaal dragen. Elk volgend personage wordt “minder belangrijk” en krijgt dus ook steeds minder aandacht.
  3. Rondom één centraal persoon – Het verhaal draait rond één personage. De rest van de personages zijn bijfiguren.

Ik heb dit heel zakelijk aangepakt en een specifiek aantal woorden per karakter gebruikt, maar dingen ook gewoon op mijn gevoel gedaan.

Dosering van aantal woorden per personage (voorbeeld):writing_verdeling

Introductie van mijn karakters en de tijd waarin dat gebeurt

Hiervoor gelden wat mij betreft geen harde regels. En veel mogelijkheden. Ik noem er 6, die ik naar eigen inzicht en in verschillende vormen gebruikt heb.

  1. Zo snel mogelijk – Hiermee val ik direct met de deur in huis en schets ik in de eerste 10 tot 20 zinnen alles wat relevant is voor het verhaal. Bijvoorbeeld: wie dat karakter is, wat hij of zij doet en wat dit karakter wil bereiken of doen, binnen het kader van je verhaal.
  2. In het eerste stuk – Hiermee doseer ik die elementen over de volledige lengte van mijn eerste introductie van dat persoon. ik geeft mezelf en de lezer meer adem en meer tijd om met dat karakter in contact te komen. De elementen (wie is hij/zij? Wat wil je karakter? Etc) worden geleidelijker geïntroduceerd.
  3. Door het verhaal heen – Hiermee hou ik informatie achter voor de lezer, tot het punt waar dat relevant is voor de gebeurtenissen die op dat moment plaatsvinden, of nog plaats moeten gaan vinden (foreshadow). Dit is een “on need to know basis” waarin ik als schrijver de regie in handen houd en de lezer er maar op moet vertrouwen dat alle vragen die hij of zij op een bepaald moment in het vehraal heeft, fatsoenlijk worden beantwoord. Deze derde vorm vereist veel meer geduld en investering van de lezer en dit loopt niet altijd goed af (als in: mensen vinden het verhaal onleesbaar, saai of kunnen zich niet goed inleven in de personages). Als het onderwerp van mijn verhaal niet direct aansluit op de smaak van de lezer, is het vrij zeker dat ik mijn lezers sneller kwijtraak. Simpelweg omdat er zoveel verhalen zijn die sneller antwoord geven, makkelijker leesbaar zijn en minder investering kosten.
  4. Vanuit de schrijver – Ik introduceer het personage. Ik geef in (redelijk) heldere bewoordingen wie dat personage is, wat dat personage in beweging brengt, wat het doet, en zo voorts.
  5. Vanuit het karakter – Het karakter introduceert zichzelf. Meestal via zijn of haar handelingen, woorden en gedachten. Nadeel en voordeel is dat ik situaties moet scheppen waarin die introductie natuurlijk overkomt. Confrontaties met andere karakters, of met hem/haarzelf. Situaties waarin het voor dat karakter relevant wordt om die informatie prijs te geven?
  6. Vanuit andere karakters – Hierin laat ik, als schrijver, andere karakters over andere karakters oordelen. Dit kan zowel in interacties tussen die karakters, of als dat andere karakter buiten beeld is. (Zie “De 360-graden methode” later in dit stuk). Dit is iets makkelijker. Via verschillende personages kan ik verschillende aspecten van mijn karakters belichten en ik kan dat schaamteloos direct doen.

 Dosering van de introductie:writing intro

Verschillende vormen voor een verhaal met meerdere personages

  1. Het estafetteverhaal – Hierin geeft elk personage het stokje door naar de volgende. Het verhaal ontrolt zich (meestal en redelijk) lineair en chronologisch. Dit kan een moordmysterie zijn waarin me met elke nieuwe speler nieuwe raadsels ontrafeld zien worden. Of een keten van handelingen die uiteindelijk tot een specifieke gebeurtenis in het verhaal leiden
  2. De 360-graden methode – Hierin werpen de verschillende personages vanuit een andere positie een ander licht op het centrale thema of op elkaar, of het mysterie. Elk geeft een ander beeld vanuit zijn of haar perspectief, dat de lezer helpt om een volledig beeld te vormen van het geheel.
  3. De gespleten, alleswetende verteller– Hierin gebruikt de alleswetende verteller strategisch gekozen personages om alle aspecten van het verhaal in beeld te brengen. “Dit gebeurde omdat op locatie X gebeurtenis Y plaatsvond” wordt dan een deel van het verhaal, beleefd door iemand die daar aanwezig is of was. “Kees stond bij de kernreactor toen deze oververhit raakte. Piet zat in het vliegtuig dat neer aan het storten was. Marieke zwom in de zee toen de vloedgolf aan kwam rollen en het land overspoelde. Eva was in haar huis toen de aarbeving de stad met de grond gelijk maakte.”

Elk van deze vormen werkt wat mij betreft (en onder andere) in actieverhalen en meer beschouwend werk.

estafette 360

alwetende verteller gespleten

Kiezen

Maar hoe kies ik? Hoe weet ik wat het verhaal nodig heeft? Drie voorbeelden:

  1. Veel locaties, veel gebeurtenissen, veel samenhang? – Hiervoor gebruik ik waarschijnlijk de gespleten, alleswetende verteller (verborgen in de huid van zijn karakters)
  2. Een centraal thema of onderwerp, veel verschillende gezichtspunten? – Hiervoor gebruik ik waarschijnlijk de 360-graden methode
  3. Een keten van gebeurtenissen, een diepere symboliek? – Hiervoor kan ik het estafetteverhaal gebruiken

Dit zijn uiteraard voorbeelden.

Valkuilen

Er zijn een aantal plekken waar een verhaal met meer dan één personage is gegaan.

  1. De uitwerking – Ik denkt dat ik de juiste dingen deed, maar op de een of andere reden werkte het niet voor mezelf en de lezer
  2. De lezer – Het verhaal, de gezichtspunten en alles is goed uitgewerkt, maar mijn lezer had gewoon geen zin in dat soort structuren.

De uitwerking

Een paar problemen die ik ben tegengekomen (die overigens ook bij verhalen met één personage kunnen voorkomen):

  1. Het is niet duidelijk wie wie is – De personages, of de namen van de personages lijken zoveel op elkaar, dat ik als lezer pas veel later ontdek dat dit niet “A” maar “C” is.
  2. Het is niet duidelijk (meer) wat deze karakters willen – We zien wel dingen gebeuren en horen de gesprekken wel, maar waar gaat dit uiteindelijk over? Waarom is dit belangrijk? (Voor het hoofdpersoon, voor het verhaal?)
  3. Het is niet duidelijk (meer) waar we zijn – We waren eerst in een kantoor, maar nu in een ander gebouw dat niet dat kantoor is. En de lezer gaat: ?!?!?!?
  4. Het is niet duidelijk wanneer dit speelt – Is dit een moment in het verleden? Speelt het zich voor de vorige scene af? Erna? Of op een totaal ander moment in tijd?
  5. Het is niet duidelijk hoe we daar gekomen zijn – Eerst waren we hier. Nu zijn we daar. Maar hoe is dat gebeurd? En waarom voelt dat onlogisch aan?
  6. Het is niet duidelijk waarom we opeens ergens anders zijn – Moest er niet eerst nog iets opgelost worden? Of afgerond? Een gesprek? Een handeling?
  7. Het is te expliciet – Ik, de schrijver, ben zo bang dat mijn lezer de weg en de draad kwijt raakt, dat alles expliciet vernoemd wordt. “Dat bos was wel heel erg luguber, vond Joop.” En later: “We vonden Joop in het lugubere bos waar hij nog steeds doorheen liep.”

De lezer

Elke lezer heeft zijn en haar eigen lees-voorkeuren. Kort:

  1. Kan die lezer meegaan in mijn verhaal? – Kan mijn lezer meegaan in wat ik als schrijver probeer te verwoorden? Kan die lezer meegaan in de structuur die ik daarvoor gebruikt? Wat zijn zijn of haar verwachtingen? Waar is hij of zij aan gewend geraakt? Wat voor stijlen zijn dat? Waar verlang die lezer naar? Past mijn verhaal daarin?
  2. Zijn zij de doelgroep? – Leest die lezer dit soort verhalen wel? Misschien houd die lezer helemaal niet van dit soort werk. Ongeacht of ik dat hebt gemaakt, of iemand anders.

Een lezersmatrix:

lezersmatrix

Het is onmogelijk om elke lezer een plezier te doen. Ik schrijf dan ook eerst wat ik zelf wilt schrijven. Dan ga ik nadenken over mijn specifieke soort lezer. Wie is dat? Wat soort verhaal wil hij of zij lezen? Wil ik dat eigenlijk wel schrijven? Ik probeer het verhaal vervolgens wel zo goed te krijgen dat zelfs een lezer die niet van die stijl houdt en niet dit soort verhalen zou lezen in ieder geval getriggerd zou kunnen worden, het zelfs mooi zou kunnen vinden. (Dat lukt niet altijd)

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s