Mijn schrijven: hoe het allemaal begon en waar ik nu sta. Deel 2

Het eerste begin

Ik begon met schrijven toen ik 11 was en nadat ik in aanraking kwam met Jack Vance, A.E. van Voght, Isaac Asimov en Robert Heinlein, Clifford D. Simak, L. Sprague du Camp. “Het eeuwige leven”, “De wapensmeden van Ishtar”, “De stalen holen”, “De maan in opstand”.

Tot dan toe waren mijn school-opstellen over “hoe was je vakantie” en “wat zou je het liefst willen doen als je groot bent” ongeveer 3 zinnen lang: “Ik heb buitengespeeld. Bollen gepeld. Stripboeken gelezen.”

Met Vance, van Voght en ten minste 10 andere schrijvers in mijn broekzak, was ik als lezer eindelijk thuisgekomen. Ik wist wat ik wilde. En dat was schrijven. Net zo schrijven en net zo goed schrijven als al die schrijvers die ik gelezen had. Science Fiction en niets anders.

Ik ging boeken kopen. In Den Helder. Tweedehands. Op de zaterdagmarkt. Elke week weer en elke twee weken weer, afhankelijk van wat mogelijk was en of ik mijn moeder kon overhalen. Elke keer nieuwe boeken. Mijn boekenplank werd een boekenkast. 10 boeken werden er 100. 100 werden 700. Mijn andere muur in mijn slaapkamer verborgen achter de ruggen van Prisma-SF, M-SF, Bruna-SF.

Mijn opstellen werden verhalen. En mijn eerste opstel in groep 8: “Hoe was je vakantie?” werd: “hoe ik ontvoerd werd door buitenaardsen op een zwart ruimteschip en hoe ik daar weer van ontsnapte.”

 

“De beste SF-schrijver van Nederland te worden”

Mijn droom was de beste SF-schrijver van Nederland te worden. En ik dacht dat ik al heel erg goed onderweg was toen ik voor het eerst meedeed met de King Kong Award. Ik kende het veld, mijn concurrentie: die allemaal publicaties hadden in SF-Terra, Holland-SF en Fantastische Vertellingen.

Het was het eind van de jaren ’80. Ik schreef gemiddeld 2 tot 4 verhalen per maand, van 4000 tot 6000 woorden per verhaal.

Ik schreef (voor mezelf) over het schrijven, deed pogingen grip te krijgen op verhaalopbouw, spanningsopbouw, cliffhangers, scenes, plot, dialoog en openingsscenes. Ik haalde mijn informatie uit een werkmap voor toneelschrijven van Gregor Frenkel Frank. Ik had wat basale informatie over “Verhaal” en “Plot” in de Spectrum Encyclopedie. Ik deed een korte workshop met Paul Harland en Tais Teng op de jaarlijkse Perry Rhodan dag van SF-Terra: dat jaar in de Meervaart in Hoofddorp. Ik ontmoette Paul Harland, die ik voornamelijk erg raar vond (en lelijk gekleed) en waarvan ik een paar verhalen had gelezen die ik niet echt goed vond.

Het merendeel van de verhalen die ik op 14-jarige en 17-jarige leeftijd naar SF-Terra stuurde werden afgewezen. Soms zonder reden, soms met een kleine toelichting. Ik schreef meer. Ik stuurde twee verhalen naar de überkritische Paul Harland, waar ik netjes feedback op kreeg die ik kon verwerken en gebruiken. Ik werd gepubliceerd met nieuwe verhalen (omdat ik zelden terugkeek op ouder werk). Ik raakte geïnteresseerd in wat andere schrijvers deden, wie ze waren. Ik deed voor de allereerste keer mee met de King Kong Award (de voorloper van de Harland Award). Ik maakte contact met Jaap Boekestein en Paul van Leeuwenkamp, die ik tot dan toe alleen van het lezen kende.

Ik eindigde met mijn inzending van dat jaar ergens onderaan.

De jury las met duidelijk plezier stukken voor uit de juryrapportage van dat jaar en ik zat (pril 18 jarig kuikentje dat ik was) bijna te janken toen de beoordeling van mijn verhaal voorbij kwam.

 

Samenwerking, feedback en meer werk

Ik ging samenwerken met Jaap Boekestein en Paul van Leeuwenkamp. Ik benaderde beiden na de afronding van die vernederende King Kong Award, vroeg zoiets als: “hebben jullie zin om dit jaar een paar verhalen te schrijven en samen te werken?” en stelde een structuur voor waarin we elke twee maanden met een nieuw thema een nieuw verhaal zouden schrijven en elkaar in de maand daarop feedback zouden geven.

Het primaire doel? Beter worden door structurele feedback van anderen.

We deden dat bijna een jaar, met een bepaalde structuur voor bespreken die (zover ik me kan herinneren) onder andere inging op structuur, dialoog en plot, tot elk van ons om eigen redenen het tempo en het werk niet meer kon volhouden en we die vorm van samenwerking stopten.

Ik schreef een nieuw verhaal, “Stervende leviscus”, dat de 10e plaats haalde. Ik schreef nieuwe verhalen voor SF-Terra en Rakis (uitgegeven in 1990, van Jos Weijmer) waar ik o.a. in het eerste nummer werd gepubliceerd.

Ik schreef en illustreerde een verhaal dat ik liet lezen door het leesclubje van mijn tante, waaruit minder veelzeggende kritiek kwam dan ik had gehoopt. Dat verhaal was bestemd voor Fantastische Vertellingen, maar werd nooit uitgegeven.

 

De Rakis en Ator Mondis periode

Wat mij als schrijver voornamelijk dwars zat, was het schreeuwende gebrek aan een stimulans en een goede begeleiding. We waren bijzaak. Op de NCSF conventies en de Perry Rhodan dagen hingen we er maar een beetje marginaal naast. Alles ging over vertaalde boeken en dingen die niets met het schrijven en de ontwikkeling van schrijvers in de Lage Landen te maken hadden. Vertaald auteurs van elders waren heilig. Nederlandstalig werk? Nederlandstalige auteurs? Ach…

Ik wilde erkenning voor ons: de schrijvers. Ik wilde een gezond schrijversklimaat om mezelf in te kunnen ontwikkelen. Ik begreep vanuit alles wat ik gelezen had dat samenwerking en intensieve schrijfbijeenkomsten essentieel waren om op dat zelfde niveau te komen als mijn helden: Jack Vance, Samual R. Delany, Philip Dick. Ik vond het onacceptabel dat we aan de zijlijn stonden.

(Ik had natuurlijk kunnen kiezen voor een solo-ontwikkeling, maar zo werkt mijn brein nog steeds niet.)

Rakis #1 ging uitkomen. Rakis zocht verhalen. En Rakis was voor mij het eerste tijdschrift dat schrijvers centraal stelde. Ik was dan ook helemaal gelukkig. Ik zag een gouden toekomst voor de SF in Nederland.

Na 4 nummers stopte Rakis. En ik zag dat kaartenhuis weer instorten.

Schrijvers in Nederland hadden een eigen platform nodig om zich verder te ontwikkelen. Niet als een soort bijzaakje, maar als de hoofd-acte en in het midden van de spotlights. Zonder dat platform geen ontwikkeling. Zonder dat platform was ik zelf weer terug bij nul: een doodlopende steeg voor mijn eigen ontwikkeling.

Rakis had die belofte, de belofte dingen open te breken, als een opstapje naar iets dat nog beter was. En Rakis was dood. En dat was onacceptabel voor me.

De naam “Rakis” (gebaseerd op Arrakis, de centrale planeet in de Duin-saga van Frank Herbert) was te dierbaar voor Jos. Begin 1991 verzon ik daarom een nieuwe en eigen naam voor een nieuw tijdschrift dat door zou zetten wat Jos begonnen was: “Ator Mondis”.

Ator Mondis volgde de structuur van “Astounding” of “Astounding Science Fiction”: het blad dat (in mijn optiek toen) de ommekeer teweeg had gebracht naar volwassen schrijfwerk in de Amerikaanse SF-markt. De plek waar een nieuwe generatie schrijvers als Asimov en Heinlein en van Voght tot bloei waren gekomen om uiteindelijk via de vertalingen ook mijn (jongens)hart te veroveren.

Ik benaderde actief schrijvers. Via SF-Terra, waarmee ik een zekere relatie had opgebouwd en waarvan ik de adressen kreeg. Via Paul Harland, die ook weer mensen kende. Ik schreef naar Eddy C. Bertin (die ook een tijdschrift uitgaf in die tijd) waarmee ik een paar keer brieven had uitgewisseld.

Ik vertelde ze wat het plan was: “Net als Rakis: primair verhalen en illustraties. Ik werk met feedback en actieve redactie. Net als Astounding en wat John W. Campbell deed met zijn schrijvers.” Ik kreeg verhalen van onder andere Eddy C. Bertin, Paul Harland, Paul Evenblij, Jaap Boekestein.

Jaap en ik schreven een verhaal samen, speciaal voor Ator Mondis 1.

Ik plaatste aankondigingen in SF-Terra en Holland-SF, plaatste de prijs onder de markt voor dat eerste jaar: 10 gulden per jaargang, 2,5 gulden per nummer. Ik kreeg 100 abonnees in dat eerste halfjaar. Betalingen via de bank en Ator Mondis, jaargang 1, nummer 1 verscheen iets van 4 of 6 maanden na het verdwijnen van Rakis.

Wat deed ik nog meer in die periode om mijn eigen doelen te halen, de situatie te verbeteren?

Ik had een verhalenbundel van Paul Harland op de lijst staan. Ik probeerde een goedkope manier te vinden om Ator Mondis professioneel te laten drukken (want onvoldoende geld uit abonnementen). Ik organiseerde ergens in juli of augustus een tweedaagse schrijfworkshop.

We schreven. We kookten voedsel. We gingen die eerste dag de deur uit om verhalen te schrijven over stoeptegels en mensen die op het terras zaten waar we als groep neerstreken: oefeningen die verzonnen waren om de schrijvers heel bewust uit hun comfort-zone te trekken. We spraken over “show” en “don’t tell” en de mix daarin. Ik trok mensen nog meer uit hun comfort-zone, probeerde zoveel mogelijk te raken van de kern van het verhalenschrijven. En op basis van alle dingen die besproken waren, schreven we aan het einde van de tweede en laatste dag een anti-verhaal waarin we bewust elke regel braken die door mij besproken was over: dialoog, structuur, stijl, show / don’t tell, consistentie in de vertelling, consistentie in het plot, het gebruik van alle zintuigen en eerste, tweede en derde persoon. En we besloten dat anti-verhaal vanuit het collectief naar de volgende editie van de King Kong Award in te sturen, onder het pseudoniem “Swami Cefahl”. Gewoon. Om de boel te fukken.

Ik was ongeduldig, had teveel verwachtingen en geen idee hoe ik daar mee om kon gaan, of hoe ik tot een oplossing kon komen. Ik struikelde uiteindelijk over mijn eigen voeten.

Ator Mondis stopte in 1993.

 

19 jaar schrijverblok

Mijn eigen schrijven zakte, vanwege een schrijversblok, af naar een minimum en een tijdlang deed ik – op een verhaal van tijd tot tijd na – vrijwel niets meer. Ik stuurde wat in naar de King Kong Award, eind jaren ‘90 en de Millennium Prijs in het begin van het afgelopen decennia. , maar de waanzinnige productie die ik daarvoor had was verdwenen.

Ik wilde teveel in mijn eigen werk. Ik was bang voor de kritiek van anderen. Ik was bang een ondermaats verhaal te schrijven. Ik geloofde niet echt meer in mijn eigen werk.

Inplaats van uren achter elkaar woord na woord en hoofdstuk na hoofdstuk eruit te knallen zat ik urenlang naar buiten te staren. Met angst in mijn borst en mijn buik.

Ik schreef verhalen, haalde daarmee een tweede en zesde prijs in de voorloper van de Harland Award, in 2002 en 2004, maar het plezier was weg.

Ik schreef in 2003, in 3 maanden tijd, een SF-roman, die ik naar Meulenhoff / De Boekerij stuurde. Ik kwam daardoor in contact met Jürgen Snoeren. Het boek werd niet uitgegeven. (Los van het probleem dat SF nauwelijks verkocht,  was het verhaal zelf te gefragmenteerd, en te veel een soort halve Philip Dick fanfic met een paar goede ideeën en een groot aantal hele beroerde momenten)

 

2012: Herstart, of: het onbevangen schrijven

In 2012 besloot ik een jaar helemaal niets te doen. “Niets” in de zin van: “geen nieuwe klussen meer” en ik stelde mezelf de simpele vraag: “wat als ik volgend jaar dood ben en dit mijn allerlaatste jaar is? Wat zou ik dan het aller, aller, allerliefste willen doen?”

Uit de drie mogelijke antwoorden kwam “schrijven” het sterkst naar voren. En dus ging ik schrijven. Onbevangen.

Inplaats van: “Ik moet een goed idee hebben,” wat me tot dan toe verlamde, stelde ik: “er zijn geen slechte ideeën. Een slecht verhaal is slechts een magere uitwerking van dat idee”.

Ik koos verschillende benaderingen. Van thematische verhalen in eenzelfde universum tot het herschrijven van werk van anderen in de vorm van een nieuw verhaal. Ik speelde met “onmogelijke opdrachten” en stijloefeningen zoals een verhaal dat alleen maar in de “jij” en “wij” vorm is geschreven. Verhalen die beginnen als een enorm cliche en zich ontvouwen tot iets anders.

Ik liet het werk zichzelf schrijven, niet langer meer bang om dingen fout te doen.

Ik greep opnieuw terug naar techniek en technieken, schreef meer dan 90 blogposts over de dingen die ik op dat moment aan doen en het ontdekken en doen was in mijn schrijven waarvan meer dan 10 blogposts geschreven werden als een soort technische handleiding van aspecten van het schrijven naar mezelf. “Het gebruik van de 360 graden-techniek voor het maken van karakterschetsen” bijvoorbeeld. Of: “hoe werk je een idee uit tot een goed idee, via vertakkingen van dat idee en snoeiwerk van wat minder sterk is”.

Ik schreef in 2012 drie korte verhalen als vingeroefeningen: die drie romans werden van 50.000 tot 70.000 woorden. Ik schreef in dat jaar waarschijnlijk meer dan 150.000 woorden aan blogposts, waarvan de gemiddelde lengte tussen de 5000 tot 10.000 woorden lag. Om vast te leggen wat ik geleerd had en om vast te leggen waar ik naartoe wilde met mijn werk.

Ik liet mijn gezicht zien op de PHP dag van 2012, raakte in gesprek met Boukje Balder en stelde voor een uitwisseling te doen: snoeiharde maar integere kritiek op elkaars werk, met als enig doel het allerbeste daaruit naar boven te krijgen. We wisselden iets van 4 verhalen elk uit, waarvan 3 Engelstalig.

Ik besteedde aan “Een aantal consequenties…” ongeveer 2 dagen om het te schrijven en minimaal 10 volle dagen aan redactie. Details bijwerken, zinnen scherper krijgen, enzovoorts en zo voorts.

Het jaar daarop eindigde “Een aantal consequenties…” op de derde plaats.

Het verschil tussen redigeren en niet: voor mijzelf

Het verschil tussen een verhaal dat grondige redacteirondes heeft gehad, en niet, is onder andere zichtbaar in de scores.

“Een aantal consequenties” zou zonder de edits waarschijnlijk ergens op de 15e of 25e plaats zijn geeindigd. “Jason Waterfalls”, ingezonden naar Fantastels in 2014, was eveneens te laat af en te weinig geredigeerd en eindigde ergens op de 80e plaats. Mijn meest recente PHP verhaal, “Luchteilanden” kwam niet door de voorronde en eindigde op 109.

Mijn werk zweeft. Het heeft veel detail. Iets dat onder andere aan te pakken is door eerst meer aandacht aan mijn karakters te geven.

🙂

Advertisements

4 thoughts on “Mijn schrijven: hoe het allemaal begon en waar ik nu sta. Deel 2

  1. Peter Kaptein, je hebt de zeeeer uiterst geheime identiteit van de Swami onthuld. Dat geefde niet, maar de Swami vergeefde je toch wel. Alleen zul je de INQUISITIE van het Mondiale Machinisten Conglomeraat te woord moeten staan, kaalgeschoren ondersteboven in een emmer aardbeienjam met gistdrankonderzettertjes op je tepels edoch buiten de horizontale bruine streep.

    • De Swami is dood, Mike. Accepteer het. Verscheidene sujetten inclusief ondergetekende en mijzelf hebben het tot zich genomen de goede man of vrouw vanaf de gemeenplaats waar hij zijn automobiel regelmatig parkeerde doch niet gebruikte te ontvoeren en uit het daglicht te doen verdwijnen middels karaktermoord of aanverwante begrippen.

      • Daar voel ik toch een Swami tegen-tegen-beweging opborrelen in het diepste van mijn onderbuikgevoelens, teneinde de klakkeloos karmakierende kakkerlakkige karaktermoord van de ‘vijand’, “id est” Peter Kaptein, te verijdelen, immers, de Swami reisde altijd ijn zijn gepantserde en bijzonder lilagekleurde limousine die nooit in daglicht parkeerde want het wel eens kon gaan regenen en zo. En dat geefde wel degelijk!

  2. Herkenbaar voor mij was de muzen die er waren en toen verdwenen, doodgebloed door factoren die niet echt met het schrijven zelf te maken hebben. Ook herkenbaar is het oppakken van het schrijven door los te laten, niet voor de ander, voor de vorm, voor de techniek of voor een doel te gaan. Ik heb zo’n 10 jaar niet geschreven, niet door writer’s block, maar te veel eisen van het leven. Toch is het loslaten de enige manier geweest om de muzen weer te laten terugkomen. En daarna weer voeden.

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s