Diepte, wijdsheid, inhoud en gelaagdheid

Als je een recensie over een verhaal leest, wordt er vaak en vrij snel melding gemaakt van diepte, inhoud en gelaagdheid.

Maar waar praten we over? En waarom is het belangrijk?

Het belang

Een verhaal is altijd een verzonnen keten van gebeurtenissen, gezien door de ogen van verzonnen karakters en beschreven door de schrijver. Die verzonnen gebeurtenissen en karakters komen uiteindelijk in het hoofd van de lezer tot leven.

  1. Versterking van de illusie – Diepte, wijdsheid, inhoud en gelaagdheid zijn ‘hulpmiddelen’ om die illusie te versterken en verstevigen. Komt de wereld tot leven? Krijg je als lezer het gevoel ‘dat er meer is’? Dat achter gesloten deuren ontelbare andere verhalen liggen? Dan is de schrijver geslaagd in de toepassing van diepte, wijdsheid, inhoud en gelaagdheid.
  2. Meer keuze voor je karakters – Hoe meer je over je verhaalwereld en de persoonlijke omstandigheden van je karakters weet (diepte, inhoud) des te meer (natuurlijke) keuzes je karakters ter beschikking krijgen. Een ‘gouden kans’ kan afgewezen worden omdat andere dingen belangrijker zijn. Een belangrijke keuze kan gemaakt worden.
  3. Een betere natuurlijke basis voor emoties –  Woede? Vrolijkheid? Droefheid? Zodra je weet wat er allemaal speelt voor je personages en in die wereld, is het eenvoudiger om dingen met elkaar te gaan verbinden. Kleine aanleidingen kunnen dan al genoeg zijn voor uitbarstingen in elke richting. Je verhalen kunnen meerdere impulsen gaan krijgen die niet meer afhangen van grootse zaken zoals neerstortende vliegtuigen en bankovervallen.

 

Te veel, te weinig , genoeg

Wat is teveel? Wat is te weinig?

Dit zal afhangen van je lezer.

Er is een soort “gouden balans” waar je net voldoende doet voor de ene lezer en net niet teveel voor een andere.

  1. Teveel – Teveel aandacht aan bijzaken, teveel lagen, teveel aandacht aan inhoudelijke zaken kan een verhaal vertragen en zelfs tot stilstand brengen.
  2. Te weinig – Te weinig aandacht aan bijzaken, te weinig gelaagdheid, een te nauwe blik, nauwelijks aandacht voor inhoud zorgt over het algemeen voor platte verhalen die gemakkelijk weer vergeten kunnen worden
  3. Net genoeg – Net genoeg (en de aard van je doelgroep bepaalt waar die grenzen liggen) zorgt ervoor dat je verhaal lekker door blijft lopen, zonder dat je verzand in details of te haastig over dingen heen springt.

Basis

Diepte, wijdsheid, inhoud en gelaagdheid zijn drie verschillende modellen om de relatieve kwaliteit van een verhaal te duiden.

  1. Diepte – Heeft vaak betrekking op de hoeveelheid verschillende gezichtspunten die geboden worden en de aandacht die we geven aan de achterliggende zaken in de wereld en de karakters die we beschrijven. In concreto: “Hoe diep kunnen we de wereld ingaan?” “Hoe diep zijn de karakters?”
  2. Wijdsheid – Heeft betrekking op de omgeving. Als we opzij kijken, links en rechts, hoeveel zien we dan? Kijken we door een nauwe koker of zien we een landschap? Is dat landschap vlak, of heeft het heuvels en dalen?
  3. Inhoud – Heeft vaak betrekking op de thema’s en de thematiek die wordt aangesneden. Welke zijn dat? Hoe worden die uitgewerkt? Hoe veel aandacht wordt er aan elk thema besteed?
  4. Gelaagdheid – Heeft vaak betrekking op de variaties in de benadering van die thema’s en de verschillende gezichtspunten die genomen kunnen worden. Hoeveel van deze verschillende gezichtspunten zijn er? Hoeveel “lagen” zijn er aangebracht in het verhaal?

 

Het omgekeerde

Laten we, om meer grip te krijgen op deze begrippen, naar de tegenvorm kijken.

  1. Oppervlakkig – Wordt vaak gebruikt bij het gebrek aan diepte. Een karakter, een wereld, een verhaal heeft slechts een zeer beperkt aantal gezichtspunten en kenmerken. Er worden slechts een beperkt aantal thema’s aangehaald en de uitwerking daarvan is minimaal.
  2. Nauw/benauwend – Wordt niet vaak gebruikt. We zien de wereld door een koker of een sleutelgat. Zodra we opzij proberen te kijken, knallen we met onze kop tegen grenzen aan.
  3. Inhoudsloos – Wordt vaak gebruikt als een verhaal “nergens over gaat”. De thema’s die worden aangehaald spelen geen echte rol in de handelingen en besluiten van de karakters. De besluiten die genomen worden gaan niet echt ergens naartoe.
  4. Vlak / plat – Wordt gebruikt als een verhaal nauwelijks of geen lagen heeft. Dingen in de verhaalwereld zijn zoals ze worden beschreven. Er worden geen andere gezichtspunten of meningen geboden. Gebeurtenissen, stellingen en handelingen van karakters en de schrijver zelf worden niet in twijfel getrokken. Er is nauwelijks variatie in hoe karakters denken en handelen.

 

De woorden zelf

Maar wat betekenen “diepte”, “inhoud” en “gelaagdheid”? Waarom gebruiken we deze woorden eigenlijk? Waarom begrijpen we gevoelsmatig redelijk goed en redelijk snel wat ze uitdrukken?

  1. Diepte – Heeft een ruimtelijke basis. Binnen een afgesloten ruimte, zoals een loods of een huis, bepaalt “diepte” een gevoel van grootsheid. Hoe dieper een ruimte, hoe verder je een bal kan schoppen. De grenzen van de ruimte zijn (in ieder geval in de relatieve ruimte recht voor je) begrenst of onbegrensd.
  2. Inhoud – Heeft eveneens een ruimtelijke basis. De inhoud van een hol object bepaalt hoe veel je er, van iets anders, in kwijt kan. Des te groter de inhoud, des te meer je kwijt kunt in die ruimte.
  3. Gelaagdheid – De keuze voor het woord “gelaagdheid” komt waarschijnlijk uit de schilderkunst en dan specifiek uit de olieverf-techniek. In klassieke olieverfschilderijen wordt de illusie van diepte in een schilderij opgebouwd door laagjes van transparante verf over elkaar aan te brengen. Lichtval en jouw positie voor dat schilderij bepaalt onder andere hoe die transparante laagjes verf dat licht reflecteren.

 

Waarom zin deze begrippen belangrijk?

Bij de opbouw van een verhaal ben je deels architect van de ruimte waarin dat verhaal zich zal afspelen.

Die ruimte wordt bepaald door de wijze waarop jij, als schrijver, de verbeelding van de lezer weet te prikkelen.

  1. De illusie van diepte – Kun je de illusie van diepte opwekken? Kun je een illusie van een wereld en een stel karakters opwekken die verder en dieper gaat dan wat er op dat moment concreet zichtbaar is en concreet gebeurt?
  2. De illusie van inhoud – Kun je de illusie wekken dat er meer is dan je in eerste instantie laat zien? Dat het “ergens over gaat”? Dat achter de verpakking en de buitenkant van je wereld en je personages (en je gebeurtenissen) daadwerkelijk een wereld zit? Een persoon? Een diepere logica? Haal je dingen aan die relevant zijn voor mensen, voor je karakters?
  3. De illusie van gelaagdheid – Als je het verhaal vanuit een net iets andere hoek zou bekijken, zie je dan andere dingen? Als je de bovenste laag weghaalt, zit er dan nog iets anders onder? Hoeveel verhalen zitten er in en achter je basisverhaal nog meer verborgen?

 

Hoe belangrijk is het?

Het belang van diepte, inhoud en gelaagdheid is per lezer anders. Dit heeft enigszins te maken met opleidingsniveau en intelligentie, maar minder dan je zou denken.

 

Laten we eerst kijken naar vier basale verhaalvormen:

 

  1. Simpele en heldere verhalen – Sommige lezers hebben de voorkeur aan verhalen waarin dingen simpel en helder zijn. Er zijn niet al teveel lagen. Je hoeft niet echt diep na te denken om te begrijpen wat er gebeurt. Karakters zijn wat ze zijn: “slecht”, “goed”, “gemeen”, “aardig”. Het verhaal heeft een heldhaftig of sympathiek hoofdpersoon waarmee de lezer zich kan vereenzelvigen, een helder verloop en een heldere ontknoping.
  2. Verhalen die meer aan de realiteit zijn gebonden – Sommige lezers hebben de voorkeur aan verhalen die een betere reflectie zijn van de realiteit,  waarin dingen onduidelijk en onafgerond kunnen blijven, plannen fout kunnen gaan, zaken en handelingen in werkelijkheid zonder richting of zonder werkelijk doel kunnen zijn en waarin karakters dubbelzinnig, onsympathiek en laf kunnen zijn.
  3. Verhalen die de realiteit overstijgen – Veel lezers houden van verhalen die de realiteit overstijgen. En deze vinden we zowel in “realistische” en “simpele” verhalen.
  4. Verhalen die de grenzen opzoeken – Lezers die dit soort verhalen opzoeken, zoeken verhalen waarin de algemene conventies worden losgelaten en zelfs direct aan de kaak worden gesteld. Kan een verhaal nog eenvoudiger? Kan het nog complexer? Kun je een hoofdpersoon die gruwelijke daden begaat en totaal oninspirerend zou zijn tot een held verheffen?

 

Focus in het simpele verhaal

De focus in een simpel verhaal liggen in de volgende zaken:

 

  1. Een snelle verbinding – Door de lezer. Met de karakters, de handelingen en de wereld. Des te meer tijd het kost voor een lezer om zich te verbinden met het verhaal, de handelingen van de karakters en de wereld waarin het verhaal zich afspeelt, des te groter de kans is dat die lezer afhaakt.
  2. Heldere beelden – De beelden ‘moeten’ helder zijn. “Goed” is goed, “slecht” is slecht. “Mooi” is mooi. “Lelijk” is lelijk.
  3. Meeslepend – Het verhaal ‘moet’ meeslepend zijn. Dode momenten zijn funest.
  4. Niet al teveel complicaties – Zodra een verhaal teveel complicaties krijgt, wordt het onduidelijk. Zodra een verhaal onduidelijk is, smijt je de lezer uit de leeservaring.

 

Wat zijn de consequenties hiervan op gelaagdheid, diepte, wijdsheid en inhoud?

 

  1. Diepte – Je hebt weinig tijd om echt diep op dingen in te gaan. Een halve pagina beschrijving over de achterliggende motieven van je karakters in en bepaalde handeling is al teveel. Het is beter om dingen in één, tot maximaal twee zinnen samen te vatten. En als je echt effectief wilt zijn, helpt het om in te haken op al aanwezige denkbeelden (en stereotypen)
  2. Wijdsheid – Ook hier zijn beperkingen. Je kunt af en toe een halve pagina beschrijving van de omgeving toepassen, maar teveel herhaling van wijdse beschrijvingen wordt storend. Zeker als dat niet is “waar je verhaal over gaat”. Tenzij dat is waarover je verhaal gaat. Je lezer wilt door. Je lezer wilt een vervulling van de beloftes die je maakt.
  3. Inhoud – Hoewel je de indruk kan wekken van inhoud, is ook hier weinig ruimte voor. Je bent bezig met het vervullen van een belofte. Je lezer is ongeduldig. Er is geen tijd om eindeloos te blijven stilstaan bij hetzelfde onderwerp. Twee tot maximaal drie verschillende gezichtspunten op het zelfde onderwerp moeten voldoende zijn. Dan gaan we weer verder.
  4. Gelaagdheid – Gelaagdheid vereist opnieuw momenten van stilte en observatie. Maar gelaagdheid doet ook iets anders: het voegt complexiteit toe. Veel lezers lezen over de nuances in je woorden heen. Waar jij denkt: “dit is een duidelijke hint!” denkt de lezer vaak: “hm. OK. Whatever”. Dat wil niet zeggen dat een simpel verhaal niet gelaagd kan zijn. Belangrijk is echter dat die lagen een duidelijk kader hebben: dat ik als lezer (onbewust) kan zien: “dit is een laag! Hier gaat iets mee gebeuren!”

 

Dat wil niet zeggen dat een simpel verhaal geen gelaagdheid kan hebben, per definitie oppervlakkig is, of geen inhoud heeft.

 

Focus in het “realistische” verhaal

In verhalen die de “realiteit” meer en meer pogen te benaderen, gelden iets andere regels.

 

  1. Samenhang – Dingen in een ‘realistisch’ verhaal moeten kloppen. Als Xantippe van Apeldoorn naar Berlijn gaat, daar om 10:00 uur een afspraak heeft en een reistijd heeft van vijf uur, kan Xantippe niet om 15:00 weer terug zijn in Amsterdam. Des te ‘realistischer’ een verhaal, des te belangrijker dit soort details worden.
  2. Redenen en redenatie, onderbouwing – Oftewel: “Waarom?” Waarom gaat Xantippe naar Berlijn? Waarom neemt ze de trein? Welke grondslagen zijn daarvoor? Welk beroep voert ze uit? Wat heeft haar daartoe geleid? Welke dingen heeft ze daarvoor opgegeven? Wie ontmoet ze daar? Waarom is dat juist die persoon? Had dit anders gekund? Waarom is dat niet gebeurd?
  3. Bijzaken – Bijzaken zijn bijna even belangrijk als de hoofdzaken. Een belastingaanslag, of een gemiste treinverbinding is bijvoorbeeld bijzaak voor het verhaal, maar de emoties die dit soort bijzaken los kan maken kan invloed hebben op de keuzes die je karakters maken met betrekking tot de hoofdzaken.

 

Wat zijn de consequenties hiervan op gelaagdheid, diepte, wijdsheid en inhoud?

 

  1. Diepte – Op het moment dat bijzaken even belangrijk worden als de hoofdzaken, verandert de focus. Wat je in een simpel verhaal mogelijk slechts even in een bijzin kan aanhalen, kan in een ‘realistisch’ verhaal makkelijk een paar regels en zelfs een pagina in beslag nemen. We zien hierdoor meer van de wereld zelf. Meer van het karakter. Meer van de interacties tussen karakters en karakters en hun omgeving.
  2. Wijdsheid – De toename van details (waarom dit? Waarom dat?) voegt ook een wijdere blik toe op de wereld. Meer momenten waar wordt stilgestaan, waar het verhaal even tot stilstand komt.
  3. Inhoud – De grotere aandacht voor details, zorgt ook dat het verhaal meer inzicht geeft in achterliggende zaken. We zien niet alleen de verpakking met “melk”, maar ervaren ook de textuur, de kleur en de smaak. We zien de relaties tussen de verschillende karakters en begrijpen ook via andere signalen waarom Xantippe Bertram wel kan hebben, maar Coen een eikel vind.
  4. Gelaagdheid – De andere insteek van verhalenvertellen (meer tijd om stil te staan, meer tijd voor details) maakt dat de wijze waarop lagen kunnen worden opgebouwd anders dan dat in ‘simpele’ verhalen. Niet alle lagen hoeven expliciete kaders te hebben. Lagen mogen in elkaar overvloeien. Niet alle lagen hoeven direct opgemerkt te worden. Sommige lagen mogen zelfs onopgemerkt blijven.

 

Het ‘realistische’ verhaal is eigenlijk het simpele verhaal, maar dan verteld door iemand die paranoide is. Alles moet gedekt zijn. “Elk mogelijk gat in de redenatie kan tot rampen leiden” (slechte kritieken).

 

De grote valkuil van ‘realistische’ verhalen is een gebrek aan focus. Er kan zo vaak worden stilgestaan en naar details worden gekeken dat het verhaal vaart kan verliezen. Na 60 pagina’s staan we nog steeds naar de melk te kijken en heeft Xantippe (na een eindeloze overweging over de relaties tussen melk en belastingaanslagen) net haar jas aangedaan.

 

Focus in mengvormen

 

Verhalen die een mengvorm zijn van ‘simpele’ verhalen en ‘realistische’ verhalen, gebruiken aspecten van beiden.

 

  1. Diepte – Terwijl het belangrijk is een idee van diepte te geven door details te tonen, is het ook belangrijk om zo snel mogelijk weer door te gaan met het verhaal
  2. Wijdsheid – We willen niet in een koker-visie zitten, maar ook niet elk detail weten van kamers, landschappen, gezichten en de steden en straten waar onze karakters doorheen lopen.
  3. Inhoud – Het is belangrijk om te weten waarom dingen zijn zoals ze zich op dat moment voordoen, maar des te korter dat kan, des te beter. Uitweiden is goed. Het is echter ook belangrijk te weten waar de grenzen zijn.
  4. Gelaagdheid – Lagen helpen om een verhaal een gevoel van diepte te geven en de lezer in een tweede en derde lezing andere en nieuwe dingen te laten ontdekken waardoor een verhaal zelfs na zes herlezingen nog steeds fris aanvoelt. Het is goed om zowel lagen met heldere kaders te geven (“kijk! Een laag!”) als lagen iets subtieler in het verhaal te verwerken.
Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s