Vijfde open brief: verhaal, stijl, lef, jurering en genre

Dit is voor de schrijvers.

De vierde open brief is hier.

Inleiding

Iets meer dan twee weken ontstond op Facebook een discussie over mijn analyse van “Een aantal consequenties…”

Die discussie werd gestart door een blogpost van Jack Schlimazlnik, loopt nog steeds ten tijde van dit schrijven, is inmiddels meer dan 164 reacties lang en heeft onder andere input gehad van schrijvers zoals Thomas Olde Heuvelt, Pen Steward, Alex de Jong, Saskia van Oostenrijk, Tom Schoonbaert, Diana Silvert, Terrence Lauerhorn en Floris Kleijne.

Lees het hier.

Een aantal kernpunten?

  1. Eerlijkheid van de jury of de wedstrijd — Is een wedstrijd als de PHP wel onbevooroordeeld? Is het proces objectief genoeg? Worden bepaalde verhalen en verhaalsoorten niet teveel voorgetrokken?
  2. Kwaliteit van het verhaal dat de derde prijs won — Is het eigenlijk wel een goed verhaal? Als de jury er zoveel kritiek op had, is die derde plaats dan wel terecht?
  3. Genre — Is “Een aantal consequenties…” eigenlijk wel SF?
  4. Verhaal — Voldoet het eigenlijk wel aan de basiseisen van een verhaal? En wat zijn die eisen dan?
  5. Meeslependheid — Hoe zit het met karakters en gebeurtenissen waardoor je wordt meegezogen? Waardoor je als lezer het verhaal beleeft?
  6. Plot — Heeft het verhaal dat de derde prijs won een plot? En hoe belangrijk is dat? Kan een verhaal plotloos zijn of is dat pretentieuze onzin?
  7. Techniek — Wordt er eigenlijk sowieso wel naar techniek gekeken bij de beoordeling van een verhaal? En faalt “Een aantal consequenties…” wellicht omdat het eigenlijk een over-technisch verhaal is zonder werkelijk meeslepend te zijn?
  8. Kwaliteit — Kwaliteit is belangrijk: goed geschreven verhalen, sterk denkwerk, het begrijpen van de basis, het leveren van een sterk verhaal.
  9. Eenheidsworst — Creeert of stimuleert een wedstrijd als de PHP met een jury zoals is, wellicht voornamelijk eenheidsworst?
  10. Politieke correctheid — Speelt politieke correctheid zowel bij de schrijver in kwestie (ikzelf) als de jury (van de PHP) een te grote rol? Proberen we de koningen en koninginnen van de Verplichtte Politieke Correctheid in ons Eigen Mogelijke Kliekje binnen SF Nederland teveel naar de mond te praten? Of niet?
  11. “Wat moet ik hiermee?” — En wellicht de meest belangrijke vraag voor nieuwkomers: “Wat moet je hiermee?”

Ik ben menselijk, lees van tijd tot tijd slordig en zal ongetwijfeld hier en daar dingen niet goed begrepen hebben.

Het is mijn bedoeling een overzicht te geven en niet om de mensen die ik noem en citeer te schofferen. Laat me weten als ik dat per ongeluk toch doe.

“Wat moet je hiermee?

Als je schrijft en meedoet of mee wilt doen: vermijdt de brandnetels en het prikkeldraad. Er is passie en er zijn meningen en soms zijn die vrij expliciet en dwingend. Meestal welgemeend.

Zie dit als een mooie kennismaking, schrijf gewoon lekker door, laat je niet gek maken, maak er iets moois van en als je plannen hebt: stuur iets in.

De PHP jury

Mijn ervaring en persoonlijke mening is dat de jury respectvol met het werk en de schrijvers omgaat, dit veelal doet om nieuwe schrijvers een kans te geven zichtbaar te worden (ook al kan dat soms jaren duren) en elk verhaal met aandacht leest.

Dat de feedback niet altijd optimaal is, ligt niet aan jou, je werk of een gebrek aan interesse van de jury. Vaak zijn praktische beperkingen (tijd) de belangrijkste beperkende factor.

Verhaal, lef en ambitie

Als je dingen wilt overslaan, ga sowieso even naar “Verhaal” en “Lef en ambitie”. Mocht je ooit het gevoel hebben gehad dat binnen het genre of binnen een wedstrijd een heleboel dingen “niet mogen” (vanwege online meningen en speculaties of omdat de jury je verhaal wellicht zou kunnen afkeuren of wat dan ook) dan vind je daar een hele andere mening van mijn kant. Ga je gang! Pak je voorhamer! Breek door muren heen! Zoek je eigen grenzen op! Maak het mooi!

Kwaliteit

Er is een hele dunne scheidslijn tussen advies en dogma. Wat is “een kwalitatief goed verhaal”? Als het foutloos is? Als het de lezer weet te raken? Als het van van A tot Z als een zorgvuldig ontworpen radardwerk in elkaar grijpt?

Een deel van de discussie ging over dit onderdeel. De blogpost van Jack noemt onder andere clubjes en kliekjes en het gevaar om te blijven hangen binnen een specifieke definitie van “goed”.

Ik ben het niet altijd eens met de argumentatie die gebruikt wordt. Maar er worden in de post van Jack en in de online discussie op Facebook een paar relevante punten geraakt. Taal. Structuur. De belofte waarmee een verhaal begonnen wordt (“Je gaat nu een spannend verhaal lezen dat mogelijk wel, maar mogelijk ook niet heel slecht gaat aflopen”). De vervulling van die belofte.

Kan ik meeleven met de karakters? Trekt het verhaal mij aan? En hoe zit het met die “Veramerikanisering”? In hoeverre speelt daarin bijvoorbeeld het vrij eenzijdige Amerikaanse aanbod van SF en Fantasy een rol? Maar ook de plaats in de persoonlijke ontwikkeling waarin de schrijver zich bevindt? Al mijn verhalen in mijn aller-begin periode speelde zich bijvoorbeeld in Amerikaanse steden af. Want Nederlandse SF was “stom” en Amerikaanse SF spannend.

Durft de schrijver? Zijn zinnen vloeiend? Bonkig? Danst het verhaal? Of zit het tijdens het lezen als een zoutzak op mijn schoot? Kraakt het? Schreeuwt het? Jankt het*? Lacht het? Sprankelt het? Omklemt het? Omhelst het? Beklemt het?

* Volgens mij citeer of parafraseer ik hier voor een deel Paul Harland.

Vergeet ik voor een moment waar ik ben? Wat ik aan het doen was? Grijpt het me zo sterk dat ik het niet kan neerleggen?

Op dit vlak is (meer dan bijvoorbeeld in de wijze waarop wedstrijden werken) in Nederland nog een gigantische inhaalslag te maken. Er worden prachtige en leuke en mooie en ontroerende en beklemmende en soms ook oersaaie verhalen geschreven, maar vaak zijn deze (als de schrijver denkt: “nu ben ik klaar”) nog lang niet af.

Ik ben heel lang erg bang geweest voor (ook mijn eigen) feedback. Als ik een verhaal af had, haatte ik het in 9 van de 10 keren. Ik had nooit het gevoel: “zo! Nu ga ik lekker 3 weken lang mijn verhaal redigeren”. Ik liet het wekenlang liggen, deed drie dagen voor de deadline met grote tegenzin het hoogstnoodzakelijke, zorgde dat het in ieder geval niet helemaal prut was en stuurde het dan in.

Moet je oneindig blijven knutselen en redigeren? Nee. Er is namenlijk een punt waar je een verhaal dood kan schrijven. Waar die oorspronkelijke rauwe sprankel uitdooft door teveel platstrijken, teveel angst om fouten te maken. Waar een Adele of een Amy Winehouse een overgeproduceerde Celine Dion wordt. Die rauwheid is belangrijk, omdat daar jouw stem zit, jouw eigenheid.

De herbewerkingen, het redigeren, het toepassen van technieken is in mijn optiek alleen maar voor (en staat in mijn optiek volledig in dienst van) het sterker maken van dat eigen geluid. Het nog beter naar boven brengen van jouw unieke kijk op de wereld rondom je.

Hoe? Door het weghalen van ruis. Door het trainen van je stem. Door het nemen van risico’s die je anders niet zou nemen. Door het toepassen van technieken die je helpen om net dat ene moment te raken dat anders onhaalbaar lijkt en net op die juiste manier te vallen als je plat en hard op je bek gaat. Zodat je de lucht een kus kan geven en hooguit een paar blauwe plekken hebt, inplaats van een gebroken arm, als je verkeert neerkomt.

De toekomst

Als je als schrijver net binnen komt vallen heeft je werk via wedstrijden als de PHP een aantal kansen om gezien te worden. Met de W.J. Maryson Talent Award, de Paul Harland Debuutprijs en de Feniksprijs kun je als debutant al een mooie stimulans krijgen.

Verder denk en hoop ik dat je de komende jaren meer en meer structurele ondersteuning voor schrijvers (workshops en andere activiteiten) gaat zien dan nu het geval is. Ook daarin spelen wedstrijden als de PHP en Fantastels en Trek Sagea een grote rol. Omdat je zichtbaar wordt voor diegenen die dat soort dingen organiseren en omdat hun activiteiten zichtbaar worden voor hou doordat je in het systeem zit.

Meer over wat er al is (uitgevers, andere wedstrijden en activiteiten) kun je hier vinden, in de vierde open brief.

Politieke correctheid (en minderhedenbingo)

Jack Schlimazlnik hier:

Wat ik in de toelichting lees, is dat het de bedoeling was een soort politiek correct verhaal neer te zetten. Dit naar het idee van een bepaalde sekte binnen het genre die eist dat de “minderheden” ook een stem krijgen. Zoals ik in mijn vorige blog aangaf: ik denk niet dat het echt zinnig is als die minderheden door de blanke westerse man worden gesouffleerd. De meeste mensen, waar ze ook vandaan komen, zijn heel wel in staat hun eigen stem te laten horen. En dat wordt gedaan ook, maar omdat ze niet van de daken schreeuwen dat ze uit een minderheidsgroepering stammen worden ze niet specifiek als zodanig opgemerkt.
We horen hier dus de stem van de schrijver. En die vertelt dat lesbiennes van Indonesische afkomst, met een kankerverleden en flaporen, zielig zijn, dat ze voortdurend worden gediscrimineerd en dat ze helemaal niets zelf kunnen. Zelfs in hun grootste triomf hebben ze een telepaat nodig om succesvol te zijn.
Nu begrijp ik uit de toelichting dat de schrijver het niet zo bedoeld heeft. En misschien heeft de schrijver zijn oor te veel te luisteren gelegd bij de politiek-correcte activisten zoals Rochita Loenen-Ruiz (eveneens jurylid voor de Paul Harland Prijs, niet eens in staat om commentaren in het Nederlands te schrijven en voor mij een van de redenen niet mee te doen aan de PHP) com suis. Vanuit die activistische hoek wordt tot in den treure herhaald dat “de minderheden”  zielig zijn en zelf niets kunnen behalve klagen; er wordt voortdurend om erkenning gevraagd zonder dat er iets is waarvoor erkenning gegeven kan worden, behalve hun racistische inslag (in de zin van: je moet respect voor mij hebben want jij bent blank en ik niet). Dat is namelijk precies wat ik proef in dit verhaal, niet alleen vanuit de Indische achtergrond, maar ook vanuit de andere minderheden die Gila nadrukkelijk representeert: ze hoeft niets te doen, alleen maar te zijn. Het is niet haar individuele denken en handelen dat tot emotionele interactie met de lezer moet leiden, slechts haar lidmaatschap van zieligheden.

Wat klopt is dat ik (in de periode 2012 – 2013) erg veel meegelezen heb met bepaalde mensen en groepen die tegen de rand van overmatige politieke correctheid hingen.

De belangrijkste reden was dat ik begin 2012 ontdekte dat ik eigenlijk absoluut geen benul had wat er werkelijk speelt buiten mijn eigen kleine wereldje.

Een deel van die “activistische groep” komt in eerste instantie inderdaad over als een stel klagers die voornamelijk heel zielig zijn. Tot je dieper door gaat graven. Dat sommige mensen (ook binnen de Nederlandse schrijversgroep) daar mogelijk te ver in door kunnen schieten? Mogelijk. Dat weet ik niet.

Tegenover “politieke correctheid” zet ik graag: “empathie” en “een luisterend oor”. Het is namenlijk erg makkelijk om iemand aan te vallen op zijn of haar vermeende zwakheden.

Dit stuk:

[De stem van de schrijver] En die vertelt dat lesbiennes van Indonesische afkomst, met een kankerverleden en flaporen, zielig zijn, dat ze voortdurend worden gediscrimineerd en dat ze helemaal niets zelf kunnen. Zelfs in hun grootste triomf hebben ze een telepaat nodig om succesvol te zijn.

En dit stuk:

[…] maar ook vanuit de andere minderheden die Gila nadrukkelijk representeert: ze hoeft niets te doen, alleen maar te zijn. Het is niet haar individuele denken en handelen dat tot emotionele interactie met de lezer moet leiden, slechts haar lidmaatschap van zieligheden.

En dit:

[…] de hoofdpersoon is geen superheld, maar een superloser, en in dezelfde mate ongeloofwaardig en onkwetsbaar (het kan niet loseriger).

Zijn voornamelijk interpretaties van de lezer.

Het experiment

Hoofdstuk 5 en hoofdstuk 7 van “Een aantal consequenties….” zijn bewust zo geschreven dat de lezer kan lezen wat hij of zij wenst te lezen. In deze hoofdstukken plaats ik de lezer heel bewust en heel gemeen in de rol van bijstaander in een proces waarin de hoofdpersoon (Gila, zeker geen loser) door anderen geintimideerd en gepest wordt.

De keuze die de lezer daarin vervolgens zelf maakt is waarschijnlijke de automatische keuze die die lezer maakt als hij of zij iemand in een vergelijkbaar proces in werkelijkheid ziet.

Voor Jack (en ook Floris Kleijne) is Gila een zielig minderheidsmeisje dat door anderen uit de brand moet worden geholpen. Peter Schaap (zie juryrapport) ziet Gila bijvoorbeeld op deze manier:

Die opleiding is zwaar en alles wat ze is wordt tegen haar gebruikt. Maar door doorzettingsvermogen, eigenwijsheid en steun van de mensen die er echt toe doen. slaagt ze in haar streven. Ze komt er echter bepaald niet zonder kleerscheuren doorheen. […] Je volgt haar terwijl ze zwaar op de proef wordt gesteld, beledigd, vernederd. Een wonder dat ze doorzet, al heeft ze het zelf soms niet meer door.

Over pesten en perceptie

De reden dat we mensen die gepest worden vaak automatisch zien als “zielig” en “hulpeloos” en “slachtoffer” als ze niet direct van zich afbijten is dat we over het algemeen weinig sociale instrumenten hebben om op een andere wijze naar dat proces te kijken. Meer daarover (en over pesten en mijn keuzes en motivaties om juist dit te doen in “Een aantal consequenties…”) in mijn bespreking van het verhaal hier.

Poltiek correct?

Ik heb me ingehouden met “Een aantal consequenties…”. Gila had veel lesbischer en veel Indonesischer mogen en kunnen zijn.

Over politieke correctheid zelf: de dood van alles. Ik heb Politieke Correctheid in actie gezien, ken zelf de schaduwzijde, en de achterliggende laag is vaak gehuichel en walgelijke toneelstukjes.

Ben ik het eens met Jack’s tirade tegen Politieke Correctheid? Niet als het gaat om de voorbeelden. Wel als het gaat om de stinkende berg poep die het representeert.

Jury en wedstrijden: hoe eerlijk is het?

Elk jaar is er wel weer een discussie over de eerlijkheid van een wedstrijd. Hebben inzendingen wel een echte kans gehad? Zijn ze wel met zorg gelezen? Is de jury wellicht bevooroordeeld? Worden bepaalde verhalen bij voorbaat al gediskwalificeerd?

Is er wellicht “meer aan de hand” zoals bijvoorbeeld door Killian McNeil, Jack Schlimazlnik en anderen lijkt te worden gesuggereerd? Ik begin met deze korte uitwisseling van gedachten:

Killian McNeil: Ik ben blij met deze discussie. Zo komen we er misschien achter waarom de uitslag van de PHP van 2013 zo verrassend is en waarom veel goede schrijvers in de middelmoot zijn geëindigd.

Jack Schlimazlnik: De hoofdoorzaak daarvan, Killian, is dat er te veel goede verhalen worden ingezonden en er maar een beperkt aantal worden doorgelaten naar de jury. Bovendien: er kan er maar één winnen, wat niet wil zeggen dat de rest per definitie niet goed is.

Killian McNeil: Ik weet hoe het werkt Jack, maar denk dat er meer dingen spelen.

Alex de Jong: Zoals?

Killian McNeil: Daar durf ik mij op dit moment nog niet aan te branden omdat ik weet hoe het dan weer gaat en ik de hele kliek over me heen krijg. Daar ben ik te gevoelig [voor].

We zien dat later terug komen in andere vormen. Voorfgaand, Jack Schlimazlnik  (van de blogpost):

Eerder was er al sprake van een versplintering van de “scene” van genreschrijvers. Dat is wat ik ook ervaar: kliekjes, groepjes, allemaal kleine eilandjes. Schrijvers die hun feedback steeds bij dezelfde personen halen en daardoor dreigen vast te lopen in de ongeschreven regels van die groep. Misschien kun je het stromingen noemen binnen het genre, je kunt het ook oogkleppen noemen. Ik denk eerder aan het laatste, omdat er geen groepsbewustzijn aanwezig is: de netwerkjes lijken toevallig te zijn gegroeid vanuit vriendschappen, mensen die elkaar min of meer toevallig kennen en elkaar wederzijdse diensten bewijzen, meer dan ze bewust bepaalde personen opzoeken op grond van zaken als gezamenlijke stijl of thematiek in het schrijven, of een bewust mentorschap.
Dat wreekt zich als er gejureerd moet worden en de jury uit één netwerkje wordt gehaald. De jury herkent de eigen ongeschreven wetten en laat de verhalen die daaraan voldoen hoger eindigen dan de verhalen die vanuit andere opvattingen zijn geschreven. 

Het enige dat ik zou kunnen zeggen over dit stuk is dat het suggereert dat de jury uit een bepaalde groep komt, met een bepaalde smaak leest en dus bepaalde verhalen zal voortrekken die anders lager geendigd zouden zijn. “Onze eigen koekjes kennen we en die vinden we gewoon automatisch wat lekkerder.”

Tweede is dat dit lijkt te suggereren is dat iedereen die niet uit dat clubje komt automatisch minder kansen maakt.

Ik weet niet precies wat de schrijver hier wil zeggen. Maar dit is mijn mening:

Natuurlijk beinvloedt de keuze van de organisatie van de jury de uitslag van de wedstrijd.

Hierover en over de vraag of een jury die intern van mening verschilt over verhalen wel professioneel overkomt, mijn reactie in die facebook discussie:

Hubert, als er een objectieve kwaliteitsnorm zou zijn voor artistiek werk, zou ik met je mee kunnen gaan in je gedachtengang. Echter: dit zijn verhalen en in een zeer breed gebied. Unanimiteit is juist binnen een wedstrijd met 3 genres behoorlijk verdacht

En zeker met de vrijheid binnen de php. Stel je een wedstrijd voor waarin muzikanten van alles mogen inzenden. Van pop tot heavy metal tot klassieke muziek tot jazz tot minimal music tot hardcore house tot ambient music. Wat geld als de “gouden regel van een goede compositie” daar?
Melodie? Dansbaarheid? Dat het je vrolijk maakt?

En hoe verenig je die normen voor experimentele muziek en meer mainstream?

Jack Schlimazlnik maakte eerder de opmerking over eenheidsworst. Juist bij dit soort wedstrijden als de PHP heb je dat niet. En de jury zal voor elk verhaal trachten zo open mogelijk te kijken wat de kwaliteiten zijn. Zelfs als het werk niet direct in zijn of haar straatje past.

Kans op doorgestoken kaart? Overal mogelijk. Zelfs bij een anoniem systeem als dat van Fantastels. Elke schrijver heeft een unieke “vingerafdruk” en als de jury dat herkent en enkele leden gevoelig zijn voor voortrekkerij zal ook daar manipulatie mogelijk zijn.

Persoonlijke smaak zal altijd een rol spelen. Fouten zullen altijd gemaakt worden en verhalen die beter verdienen kunnen altijd lager eindigen dan na tweede beoordeling nodig was. Geen enkele wedstrijd is eerlijk. En het beste wat een organisatie kan doen is juryleden die iets TE verdacht jureren diskwalificeren.

Ik denk niet dat de huidige jury van de PHP gekke dingen doet op dat vlak en dat elk eerlijk heeft beoordeeld. En ik denk dat juist de verschillen in mening aangeeft dat dit naar beste kunnen is gedaan.

Zoals eerder door mij aangegeven: juist unanimiteit is verdacht omdat het ruikt naar handjeklap en onderlinge beinvloeding van juryleden door samenspraak voordat de definitieve uitspraak daar is.

Dus: doe mee met een verhaal dat het beste toont van jouw eigen kunnen op dat moment. Doe mee omdat je wilt zien hoe je jezelf verhoudt met anderen in die wedstrijd.

Verwacht subjectiviteit, omdat objectieve maatstaven simpelweg onmogelijk zijn. (Tenzij de wedstrijd hele specifieke en nauwe kriteria heeft die duidelijk meetbaar zijn, wat voor “schrijf een sf/f/h verhaal van maximaal 10.000 woorden” niet echt aanwezig is). Of doe niet mee.

Wat mij tegenstaat is opnieuw het in twijfel trekken van een wedstrijd en de wijze waarop deze opereert omdat het in dit geval niet aan jouw [Huberts] subjectieve maatstaven voldoet. Fantastels is en blijft even subjectief en manipuleerbaar als de PHP en hetzelfde geld voor elke andere wedstrijd. Kies bijvoorbeeld een jury die alleen voornamelijk genre A en schrijverstype B leuk vind en je hebt automatisch al een diskwalificatie van alle andere genres en schrivers.

tot slot: ik denk dat elk van de wedstrijden in nederland het beste voorhebben met het genre en niet uit zijn op het voortrekken van een bepaald soort verhaal. Verder zal elk van deze wedstrijden weer andere schrijvers een kans geven juist door de samenstelling en smaak van de respectievelijke juries. En elk jaar weer, met een andere jury, zullen er weer andere schrijvers zijn die in de top 3 komen. En juist dat maakt elk van deze wedstrijden waardevol.

Het idee waartegen ik ageer is het waanidee van de eerlijke, onfeilbare en onbevooroordeelde jury en het waanidee dat artistiek werk een soort absoluut kwaliteitskeurmerk kan krijgen. “Iedereen is het er mee eens dat X de beste schrijver van Y is”.

Nee.

Tenzij je in Communistisch Rusland woont en het polit-bureau bepaalt wat jouw smaak is.

Ik sluit af met de woorden van Saskia van Oostenrijk :

Na elke wedstrijd (in de creatieve sector) hoor je wat gemopper erover. Ofwel van verongelijkte deelnemers, ofwel van anderen die vinden dat er te grote verschillen zijn (ook bij Fantastels kunnen in de eerste ronde verhalen sneuvelen omdat er dan maar 2 juryleden zijn die je verhaal lezen. Als er een behoorlijk verschil in rang zit, is de kans dat je de top 26 bereikt wel erg klein, dus krijg je niet extra juryleden die een lagere score kunnen compenseren), er te weinig juryleden zijn, de verkeerde juryleden er zijn.
Je weet vooraf bij dit soort wedstrijden dat de uitslag nooit exact hetzelfde zal zijn als je een verhaal of een jurylid wisselt. Je kunt vele kunstgrepen doen om het toch “eerlijker” te maken, maar kunstgrepen werken vaak averechts.
Ik denk dat nu zowel bij de PHP, als bij Fantastels, als bij Trek Sagae (of hoe je dat ook spelt), etc er zo professioneel mogelijk op hun eigen manier wordt gewerkt, om het hun inziens zo eerlijk mogelijk te maken voor de deelnemers, maar tegelijk ervoor te waken dat de verbeelding in de verbeeldingsliteratuur geen kleurplaatkleuren wordt.

De jury en de organisatie

De jury van elke wedstrijd bestaat uit mensen die worden gekozen omdat de organisatie denkt dat deze juryleden vanuit hun individuele uitgangspunten een goed oordeel kunnen vellen over het ingezonden werk.

Dit is soms een gok (omdat nog niet bekend is hoe het jurylid zal jureren) Soms gaat dat mis (het jurylid heeft wellicht een hele specifieke voorkeur en blijkt alle andere verhalen 20 or minder punten te geven en geeft feedback die behoorlijk onaangename is)

De agenda

Daarin heeft elke organisator een eigen agenda, die soms expliciet is en soms verborgen. Heel soms gaat het over het voortrekken van vriendjes. In de meeste gevallen (en zover ik weet in elk van de 3 wedstrijden die er momenteel in Nederland zijn: Fantastels, Trek Sagea en de Paul Harland Prijs) om promotie van een genre, het aanvullen van de verhalenvoorraad voor publicatie of het vinden van nieuw talent.

De beoordeling

Soms heeft een wedstrijd expliciete grenzen en eisen (schrijf een verhaal van X aantal woorden dat draait om Y en ten minste P, Q en R als verhaalonderdelen aandraagt) in andere gevallen zijn deze eisen opener: (schrijf een verhaal van maximaal X woorden binnen het genre M, N of O).

Als de eisen heel strict zijn (X, Y, P, Q en R) dan zal de beoordeling van de stapel verhalen vaak eenduidiger zijn dan als de eisen losser zijn (X en [M, N of O]).

Verhalen die het ene jurylid heel mooi en “een perfect voorbeeld van M” zal vinden, zal door een ander mogelijk als “hoort helemaal nergens bij” worden beoordeeld.

Verder:

> [Hubert:] Je vindt het dus goed dat als je er een andere jury had neergezet, er een totaal andere top 10 uit de bus was gekomen?

Ja. Dit is een wedstrijd (zoals eerder aangegeven) met een enorme variatie in de inzendingen. Zowel qua thematiek als qua werelden en wereldbouw. Sommige verhalen spelen zich dichtbij huis af, anderen lichtjaren verwijderd of duizenden jaren in een fictieve toekomst of fictief verleden.
Ten tweede is het een wedstrijd zonder explicitie kriteria over stijl en opbouw.
De zeer persoonlijke en individuele smaak van de jury bepaalt voor een deel welke verhalen hierdoor hoger terecht komen dan anderen. Sommigen kunnen een technisch perfect verhaal bovenaan zetten omdat het foutloos is. Anderen kunnen dat zelfde verhaal helemaal op de bodem plaatsen omdat het volgens hen zo leeg en vlak en saai en emotieloos is dat het gediskwalificeerd had moeten worden.

Wie heeft er gelijk?

[…] gaat het hier over artistiek werk dat door intens subjectieve filters gaat: de persoonlijke beleving van het jurylid als individu.

Bij dit intens persoonlijke filter spelen onder andere: persoonlijke (emotionele) ervaringen, levenservaring, inlevingsvermogen met bepaalde onderwerpen en gebrek aan inlevingsvermogen bij andere onderwerpen een rol. Dan hebben we de prioriteit tussen ervaring en uitvoering. Maakt het uit of een verhaal taalfouten en stijlfouten bevat? Of wat simpel overkomt is of juist een hoogdravende literaire wrochtsel is? Voor jurylid A wel. Voor B wellicht niet omdat het verhaal gewoon lekker wegleest en fantastische beelden opwekte.

De verdachtmakingen en hypotheses

Wat als een jury en de beoordelingen van een wedstrijd niet voldoen aan mijn subjectieve eisen en voorwaarden voor een jury, de beoordeling van verhalen, de beoordeling van wat M, N en O zijn? Wat kan ik doen? Ik geef je twee strategieen:

Strategie 1: 

  1. Zeiken met (ongefundeerde) vermoedens en verdachtmakingen — Ik kan gaan lopen zeiken dat de jury bevooroordeeld is, bepaalde verhalen geen eerlijke kans geeft, geen kennis van zaken heeft.
  2. Zwart maken — Ik kan een stap verder gaan en die jury en de wedstrijd volledig zwart maken met meningen die ik als absolute waarheden presenteer. “Ze zijn bevooroordeeld” “Alles is doorgestoken kaart.” “Niemand heeft kennis van zaken”
  3. Anderen ontmoedigen — Ik kan daarin anderen gaan ontmoedigen: “stuur je werk nou maar niet in naar Y. Je gaat toch niets winnen want alles daar is doorgestoken kaart.” “Doe vooral geen workshops by X of Y. Ze weten toch niet waar ze het over hebben.”

Strategie 2:

  1. Goed lezen — Ik kan me goed gaan inlezen. Wat geven de verschillende juryleden over zichzelf prijs? Wat heeft de wedstrijd over zichzelf te melden? (Welke regels, welke doelstellingen, welke genre-voorkeuren?)
  2. Goed afwegen — Wat wil ik hiermee? Wat kan ik hiermee? Kan ik hier iets mee? Wil ik hier iets mee?
  3. Actie ondernemen — Schrijven en insturen? Of voorbij laten gaan?
  4. Bij mezelf blijven — Wat ik ook doe en schrijf, het blijft mijn verhaal met mijn stem. Moet ik anderen nadoen? Waarschijnlijk niet. Moet ik proberen iets te schrijven naar de voorkeuren van de jury? Als dat mijn eigen voorkeuren zijn: uiteraard. Als ik daar niets mee kan, waarschijnlijk niet.
  5. Dat zo goed mogelijk doen — Wat is volgens mij succesvol? Wat faalt? Hoe kan ik wat goed is nog beter doen? Wat moet ik vermijden? Hoe kan ik binnen die kaders en op dat moment mijn mooiste verhaal produceren?
  6. Samenwerken en workshops volgen — Kan ik feedback krijgen? Van meer ervaren schrijvers? Van collega-schrijvers? Kan ik workshops volgen?
  7. Negeren van zuurpruimen — Los van de waardevolle dingen die je in verschillende feedback kan vinden merk ik zelf dat als ik teveel luister, ik mezelf laat tegenhouden op dingen die ik beter wel had kunnen doen.
  8. Workshops volgen — Ik heb afgelopen jaar 3 workshops gedaan: bij Thomas Olde Heuvelt en Martijn Lindeboom. Die van Tais Teng heb ik gemist vanwege geld en tijd. Wist ik het meeste al? Ja. Heb jij er wat aan? Geen idee. Beveel ik ze aan? Ja. Absoluut. Doen.

Genre

“1984” van George Orwell is inmiddels (omdat het nu 2014 is en de wereld van 1984 nooit letterlijk vorm heeft gekregen in deze werkelijkheid) een Alternate History.

De wereld van 1984 is vanuit de beleving van de hoofdrolspeler voornamelijk decor. Iets dat op de achtergrond aanwezig is, maar gemakkelijk weggelaten kan worden zonder het plot zelf kapot te maken.

Ondanks dat is 1984 in mijn optiek nog steeds keiharde SF vanwege de wereld waarin het speelt. Kan het plot van 1984 verteld worden zonder SF-elementen? Ja.

Wat is dat “genre”?

Over genre lezen we de volgende aanname in de Facebookdiscussie:

Jack Schlimazlnik: […] Voor een SF-verhaal verwacht ik dat het verhaal (de plot) onmogelijk is als de genrekenmerken van SF worden weggehaald. Het geheel ligt natuurlijk ook aan verwachtingen die worden gewekt, en waarmee ik mijn verslag heb geopend.

En meer uitgebreid (en in relatie tot mijn onleesbare prutverhaal 😉 ) in deze blogpost:

Genreschrijvers doen aan fictie, verbeelding, spannende avonturen – eventueel met een gelaagdheid, maar anders dan in dit verhaal. Daarbij heeft het verhaal de verwachting van SF, maar die verwachting wordt nergens ingelost: de SF-elementen zijn de spiegeltjes en kraaltjes als een soort schaamlap voor het genre. Dit is geen genreverhaal, het genre speelt geen rol in de plot. Ik ben teleurgesteld.

Deze analyse van de SF-elementen in mijn verhaal is inderdaad waar als je je beperkt tot de defintie van SF die gangbaar was in de beginperiode 1930 tot 1940 (en die momenteel voornamelijk opgaat voor het SF sub-genre dat “Space Opera” wordt genoemd).

SF uit de begintijd ging niet in op wereldproblemen, draaide primair om SF-achtige elementen zoals ruimteschepen en tijdreizen en uitvindingen en gebruikte de karakters en gebeurtenissen als kapstok voor het verhaal rondom deze elementen.

In een discussie over Alternate History (waaronder mijn verhaal ook viel) een herformulering van deze zelfde definitie over SF.

Jack Schlimazlnik: Wat betreft Alternate History: ik zie dat pas als SF als het alternatieve gevolgen heeft voor of door fictieve wetenschap (SCIENCEFICTION). En dan is het pas een SF-verhaal als die fictieve wetenschap een doorslaggevende rol in de plot speelt: dat het verhaal niet verteld kan worden zonder die fictieve wetenschap.

Ik stel later:

SF is SF (en voor Horror en Fantasy geldt hetzelfde) als die specifieke SF-elementen implicaties hebben op de wereld waarin het verhaal zich afspeelt. “1984” gaat eigenlijk over een eenzame man die een liefdesrelatie krijgt. “Clockwork Orange” gaat over een hooligan die samen met zijn maatjes inbraken pleegt en wetten overtreedt en zijn pleegouders diep verdriet aandoet. Maar de hele wereld waarin het zich afspeelt maakt het onmiskenbaar SF.

Waarom klopt die eerste stelling niet?

De belangrijkste reden dat SF-schrijvers en SF-uitgevers in mijn optiek rond 1940 een bredere definitie zijn gaan gebruiken dan door Jack in zijn reacties in het facebook-gesprek is weergegeven is dat je na 20 jaar ongeveer wel klaar bent met verhalen waarin een ruimteschip een nieuwe planeet ontdekt of een professor of iemand anders iets SF-achtigs uitvindt waar vervolgens het plot omheen wordt gebogen.

Focus op mensen

Wat je in de jaren 1940 ziet is een verschuiving naar karakters. C.L. Moore en Henry Kuttner waren hier in de jaren 1940 twee pioniers in. Lees het karaktergedreven: Fury (1947) van Kuttner en je ziet de wortels van The Stars my destination / Tijger! Tijger! (1956) van Alfred Bester en foreshadows van de compacte en koortsachtige stijl van Neuromancer (1983) van William Gibson.

Verhalen gaan niet meer over planeten en uitvindingen en ruimteschepen maar over mensen en hun wereld en hoe bepaalde elementen de wereld rondom deze karakters gevormd en vervormd hebben.

Wetenschap verschuift van centraal element meer en meer naar de achtergrond, wordt een medespeler, een extra karakter dat invloed op het verhaal uitoefent. We zien experimenten met stijl en vorm (opnieuw Alfred Bester: De grote onttakeling (1953),Tijger! tijger! (1956)) en het ontstaan van hardboiled-avonturenverhalen, ontsnappingsverhalen en ‘puzzelverhalen’: Alfred A van Voght met: Null A (1948), Isaac Asimov met o.a.: De stalen holen (1953) en Foundation (begonnen als serie in 1942) en Arthur C. Clarke met: Stad onder de sterren (1953).

We zien verder een verschuiving naar bespiegelende en filosofische werken en talloze cross-overs met andere genres buiten SF die leiden tot sterke nieuwe ideeen en impulsen die al lang niet meer gaan over uitvindingen, raketten en spannende avonturen op nieuwe planeten.

Milieubewustzijn, maatschappijkritiek en andere onderwerpen

Vanaf 1950 zie je die verschuiving binnen het genre zelfs groter worden als steeds meer verhalen opduiken met maatschappijkritische ondertonen en boventonen. In 1960 bereikt dit een hoogtepunt (of dieptepunt, afhankelijk van je smaak) met schrijvers als J.G. Ballard en John Brunner en in mildere vorm: Ursula le Guin, .

Overbevolking, milieurampen, wereldpolitiek, armoede, de gevolgen van kernrampen en totalitaire regeringen. Bacteriele oorlogen, eugenetics, cloning, religie, seksisme, seksuele bevrijding, de verkenning van nieuwe opvattingen over huwelijk, relaties, seks, seksualiteit. De minder plezierige kanten van paranormale gaven. Klassenstrijd. Kannibalisme, misbruik en manipulatie van de media, onsterfelijkheid, post-humanism, de creatie van magische werelden met een technologische ondergrond, vermenging van magie en technologie. En zo voorts, en zo voorts.

Arthur C. Clarke, Isaac Asimov, Robert Silverberg, Harry Harrison (1999 was me het jaartje wel), John Varley, Philip Dick, Samuel Delany, Norman Spinrad, Roger Zelazny.

Plot, verhaalstijl en experimenten

In diezelfde jaren 1950 en 1960 zie je ook een kleine explosie van expirimenten met stijl, taal en vorm. Er worden boeken geschreven zonder plot, boeken en verhalen waarin de grenzen worden opgezocht van het genre: van totaal onbegrijpelijke werelden en gebeurtenissen tot intellectuele en literaire werken die (hoewel onmiskenbaar SF) enorm dicht tegen de realiteit aanleunen dat ze bijna geen SF meer zijn.

Schrijvers? Joanna Russ, Robert Silverberg, William S. Burroughs, Philip Jose Farmer, Thomas Disch, Michael Moorcock, Norman Spinrad.

Leesbaar? 

Space Opera en het betere avonturenwerk waarmee SF in de jaren 1940 groot werd, is niet zonder reden onuitwisbaar. Star Wars, Star Trek, The Avengers en Superman zijn daar goede voorbeelden van.Er blijft altijd behoefte aan lekker licht verteerbaar werk met een duidelijk begin, een duidelijke ontwikkeling en een duidelijk en mooi en rond einde. 

En niet alle experimenten zijn meer leesbaar of de moeite waard. “Dhalgren” van Delany is een taaie kluif en grotendeels outdated in mijn ogen. “The female man” van Russ (waarin ongeveer alle literaire registers worden opengetrokken) bijna onleesbaar voor een lezer als ik.

Waren ze nodig? Ja. Om nieuwe paden te openen en nieuwe schrijvers een basis te geven met een hele simpele boodschap: het kan. Het mag. Wij gingen je voor. Hier zijn alvast de paden die wij hebben bewandelt. Ga je gang.

Lef en ambitie

Citaat uit het facebook-gesprek (over mijn verhaal):

Floris Kleijne: […]  lef en ambitie, en die laatste twee zaken ontbreken nogal eens in de inzendingen.

Jurgen Snoeren (Meulenhoff, uitgeverij Link) in eerdere juryrapporten en in een response op een vorige post:

[…] het enige dat er werkelijk toe doet en dat ik veel te weinig zie in Nederlandse verhalen, is dat je als schrijver er alles uithaalt wat erin zit. Schrijf op de limiet, zoek de grenzen op van je onderwerp, je idee of thema, diep het uit zo ver je kunt, voorbij de conventies. Als je Nederlandse schrijvers iets kunt verwijten, in mijn ogen, is het gebrek aan ambitie, de wil om voorbij het gebruikelijke te gaan. De wil om risico’s te nemen. Om ook de lezer uit te dagen met alle instrumenten die het genre biedt. Nu ik door de verhalen van 2013 heen lees, wordt ik bevestigd in mijn stelling dat de Nederlandse genreschrijver van dit moment vooral uit is op veiligheid, de conventies volgt, nauwelijks door het oppervlak van het verhaal durft te breken. Soms is het een gebrek aan kwaliteit, vaak een gebrek aan durf. Een gebrek aan goede proeflezers misschien, die de schrijver daarop kunnen wijzen. De ideeën zijn er wel, lijkt me. Nu het lef nog.

Waar praten we over? En waarom is lef en ambitie belangrijk?

Het verhaal over de doos en het poppetje

Neem het volgende mogelijke verhaalidee:

Familie erft een geheimzinnige doos. In deze doos zit een klein poppetje. Dit poppetje blijkt magische gaven te hebben en als dat poppetje wordt misbruik volgen een aantal nare dingen voor de hele familie.

Als ik blijf bij dit basisidee krijg ik een aardig verhaaltje met wat spannende momenten. Maar wereldschokkend is het niet. Sterker nog: morgen ben ik het waarschijnlijk vergeten.

Nog sterker: het komt niet verder dan wat in de periode 1932 geschreven werd. Plat, snel, vlak werk zonder dat idee werkelijk door te trekken naar de volgende fase. Ambitieloos. Als schrijver ben je blijven hangen aan het begin van 80 jaar evolutie van het genre.

“Ja maar anderen doen het ook”

Het kan zijn dat je talloze verhalen hebt gelezen van medeschrijvers die nu juist dat soort dingen produceren. Het kan best zijn dat je favoriete TV-series exact dat doen.

Voor een uitgever, een lezer of een jurylid die een doorsnede van die 80 jaar SF heeft gelezen ben je echter blijven hangen in de themathische wereld van 1935.

“Maar wat als ik dat prima vind?”

Helemaal goed. Een wedstrijd als de PHP gaat niet over “allemaal hetzelfde soort verhaal schrijven”. Juist de diversiteit in de inzendingen maakt de wedstrijd zo mooi.

Als je meer wilt en voelt dat je verder zou willen gaan dan je nu doet, is hier wat je bijvoorbeeld zou kunnen doen.

Ambitie begint waar je in eerdere instantie zou zijn gestopt

Lef en ambitie begint waar bovenstaande verhaalidee eindigt. Een eerste voorbeeld, waarin we iets meer ambitie toevoegen:

Deze familie is niet de enige die een dergelijke doos ontvangt. Het is onderdeel van een test die iedereen ter wereld op een gegeven moment ontvangt: “ben je klaar voor de volgende stap?”

In tegenstelling tot een vergelijkbaar verhaal van Matheson (“The box”) gaat dit niet om samenzweringen en mogelijke invasies of aliens. Het is onderdeel van een regeringsprogramma.

Dit is nog niet genoeg. Nog te klein. Te veilig. Dus voegen we nog iets meer ambitie toe:

De wereld is onderverdeeld in drie fracties die ogenschijnlijk met elkaar in strijd zijn, maar onderling handjeklap spelen omdat zes grote families de werkelijke machthebbers zijn en alles draait om geld en waarin mensen als slaven worden gebruikt.

De test is slechts een van de middelen om de bevolking te onderdrukken en werkt (in tegenstelling tot wat er aan de bevolking verteld wordt) met volledige willekeur.

Hoe de schrijver dit vervolgens gaat uitwerken is nog een tweede. Maar we hebben hier in ieder geval flink wat meer wereld en flink wat meer ambitie dan waar we oorspronkelijk mee begonnen: “Een familie krijgt een doos”.

De hele toekomstige wereldgeschiedenis is herschrijven rondom het basisidee en heeft ten minste drie verhaalelemenen die los van elkaar een roman zouden kunnen vormen.

Waar is de lef?

Lef volgt onder andere uit de stijl en invulling, maar ook in hoeverre de schrijver bepaalde conventies durft los te laten, de lezer tegen de schenen durft te schoppen en extremen op durft te zoeken.

Een impressie van lef:

De hoofdpersoon doet niets om het lot te keren, maakt elke fout mogelijk en de gevolgen zijn rampzalig. Alle drie haar kinderen sterven voor haar ogen een gruwelijke dood en de drie zaadpartners die in een half-bewustzijn in het centrale huis van haar gemeenschap leven worden afgevoerd om verwerkt te worden tot het equivilent van hondenvoer.

Leidt dit tot een bruikbaar verhaal? Mogelijk niet. Is er enige ratio in dat “hondevoer” stuk? Weet ik niet.

Maar kijk naar de aannames die je deed voordat je “Een impressie van lef” las en wat er gebeurde toen je bovenstaande las. Was jouw versie van deze hoofdpersoon een man? Was hij getrouwd? Leefden ze samen in een huis? Probeerde de hoofdpersoon in jouw variant zijn of haar familie te redden?

Is dit “de gouden formule en hoe je het moet doen?” Nee.

Slechts een voorbeeld.

“Lef” en het veilige verhaal

Als ik een veilig verhaal schrijf, blijf ik dicht bij de onderwerpen die bekend zijn bij mijn lezers. Ik ga niet teveel af van gebaande paden. Ik ben voorzichtig. Ik fluister hooguit op de plekken waar ik niet mag praten. Ik ga niet het behang van de muur scheuren. Ik breek geen muren af, en smijt geen delen van mijn constructie tegen de vloer tot ze openbreken.

Ik maak imitaties van succesvolle verhalen. Harry Potter. In de ban van de ring. Game of thrones. Ik herhaal formules die succesvol zijn. Want dat is veilig.

Met “lef” pak je een voorhamer en beuk je net zo lang in op dingen tot ze openbreken en andere vormen krijgen en dingen naar buiten komen die je vooraf niet verwacht had. Met lef ga je (in overdrachtelijke zin) in een stiltecoupe staan schreeuwen tot je door drie conducteurs en de politie uit de trein wordt gezet.

Met “lef” kijk je niet alleen naar wat algemeen geaccepteerd is, maar ook naar wat stinkt. Of saai wordt gevonden. Met afschuw wordt bekeken. En vervolgens steek je daar je handen in en kijk je wat voor verhaal je daarvan kan maken.

Spelerij

Hier is een voorbeeld van een krankzinnig, ambitieus en onverstandig verhaalidee dat ik ter plekke verzon in de facebookdiscussie plempte als laatste illustratie.

> [Peter’s verhaal] duidelijk het meest controversiële van deze PHP.
Thomas Olde Heuvelt: LOL. Ik heb me nog ingehouden.
Dit was in ieder geval nog niet een non-lineair estafette-verhaal in een post-Dali-achtige werkelijkheid waarin de wereld van tijd tot tijd verschoof van een 3-dimensionaal naar een 4-dimensionaal vlak (met uiteraard een grotere focus op mooi taalgebruik) waarin het thema als stokje van karakter tot karakter in verschillende tijdsmomenten werd doorgegeven en als zodanig groeide in impact en omvang en realiteit zelf aan de kaak stelde en de vraag gesteld kon worden: is dit Horror, Fantasy of SF of een semi-psychotische waanvoorstelling van de schrijver of geen van dat alles?

“Lelijk stoot af”

Levert lef, risico en ambitie goede verhalen op? Niet altijd. Levert dit waardering op van de omgeving? Niet altijd (kijk naar de reacties op mijn verhaal in het Facebook gesprek) en waarschijnlijk en vaak maar zelden.

Ga je hiermee uitgegeven worden? Waarschijnlijk alleen als de rest van je verhaal meer dan goed is. Want “lelijk stoot af” en de meeste lezers willen iets dat confortabel is en niet iets dat confronterend werkt.

Moet je het daarom vermijden? Nee. Ja. Misschien.

Hangt van jou af en van wat jijzelf wilt bereiken en wilt neerzetten.

“Lelijk” is soms onbeschrijfelijk mooi

Soms is “lelijk” onbeschrijfelijk mooi. Stel dat je als tiener ontzettend in de knoop zit omdat niemand je begrijpt (omdat je bijvoorbeeld afwijkende seksuele voorkeuren hebt of a-religieus bent in een religieuze omgeving, of emoties ervaart die door anderen niet worden ervaren or worden onderdrukt). “Lelijke” verhalen waarin op respectvolle of liefdevolle wijze juist die elementen naar voren komen die in jouw eigen omgeving ontbreken en juist dat soort verhalen (of het soort muziek) dat wel meegaat met de dingen die jijzelf ervaart en als de norm en normaal behandelt kunnen daardoor ongeloofelijk mooi zijn en zelfs troost geven.

“Ja maar! Wat als–“

Wat als je jezelf als schrijver daarmee kwetsbaar opstelt? Risico loopt “ontmaskert” te worden? Kritiek kan krijgen? “Iemand op ideeen gaat brengen?”

Wees voorzichtig. Zeker als jouw smaken extremer zijn dan die van de meeste (en je verhalen bij het merendeel van een jury bijvoorbeeld walging gaat oproepen). Maar werkelijk? Fuck dat.

Verhaal

Wat is een verhaal? Wat maakt een goed verhaal? Ontvangt een goed verhaal altijd eenduidig lof?

Op die laatste vraag: nee.

Een goed verhaal is “goed” op minimaal vier punten:

  1. Relatief tot zichzelf
  2. Relatief tot wat de schrijver wilde bereiken
  3. Relatief tot vergelijkend materiaal waartegen het zich afzet of waarmee het zich juist probeert te conformeren
  4. Relatief tot de beleving, voorkeuren en leesgeschiedenis van de lezer

Goed kan bijvoorbeeld zijn:

  1. Een spannend verhaal
    1. Met Joop en Marieke en Poes in de ruimte
    2. Met een bom, een ruimteschip, een wereld op de rand van de afgrond en
      1. Een held die alles recht gaat zetten
      2. Een groep helden die alles recht gaan zetten
      3. Joop, Marieke en Poes die alles recht gaan zetten
      4. Een homoseksuele held die alles recht gaat zetten
      5. Een lesbische transseksuele heldin die alles recht gaat zetten, samen met Poes, Marieke en Joop
    3. Dat zich in Nederland afspeelt, met robots en achtervolgingen en ontploffende huizen en tikkende tijdbommen in weilanden.
    4. Dat zich alleen in het hoofd van de hoofdpersoon afspeelt
    5. Dat gaat over het oplossen van een wiskundige vergelijking waarmee een bom, een poes en een ruimteschip kunnen worden uitgeschakeld
    6. Dat een herbewerking is van een bestaand verhaal
      1. Maar nu met bommen, ruimteschepen, Nederland en Poes en Joop (die eigenlijk Marieke is) in de hoofdrol
      2. Dat twee jaar geleden is uitgekomen
  2. Een zwaar intelllectueel en expirimenteel verhaal
    1. Waar geen enkele lineaire structuur inzit
    2. Dat volledig chronologisch is opgezet en zich ontrolt
      1. In 2 weken
      2. In 2 uur
      3. In 2 jaar
      4. In 20 miljoen jaar
      5. In 2 seconden verhaaltijd
    3. Dat zich alleen maar richt op of/of/of:
      1. De karakters en hun innerlijke wereld
      2. De implicaties van de daden van deze karakters
      3. Hoe anderen deze karakters en hun daden waarnemen
      4. De voetstappen van deze karakters
      5. De interacties tussen Poes, Marieke en Joost
    4. Dat zich in omgekeerde volgorde terugwerkt van het einde naar het begin: chronologisch, maar ook met sprongen van heden naar verleden naar de toekomst en weer terug.
    5. Dat over 100 mensen gaat die ook allemaal aan het woord komen en:
      1. Eigenlijk allemaal een aspect zijn van Poes, Marieke, Joop en de hond en cavia van de schrijver.

En zo voorts.

Er is geen wet. Alleen jouw fantasie.

Verhaal en vorm

Ik geef je zes stellingen waar je helemaal mee mag doen wat je wilt.

  1. Het idee dat een verhaal een bepaalde vorm heeft, of een bepaalde vorm zou moeten hebben, is pertinent onjuist.
  2. Het idee dat een genre (zoals SF, maar ook Horror of Fantasy) een bepaalde verhaalvorm zou afdwingen is eveneens pertinent onjuist.
  3. Het idee dat een verhaal altijd in een bepaalde tone of voice zou moeten worden geschreven, of vanuit eerste of derde persoon? Onjuist.
  4. Sympathieke karakters waar de lezer zich mee kan vereenzelvigen? Een keuze.
  5. Begin, midden, einde? Een keuze. Heldere promise, strakke delivery? Een keuze.
  6. 1 hoofdpersoon? 3 hoofpersonen? 8 hoofdpersonen? Een keuze.

Verhaal, vorm, publiek en leesbaarheid

De reden dat veel schrijvers aannemen dat een verhaal dit of dat moet zijn komt voornamelijk doordat bepaalde gouden regels voor (groter commercieel en lieterair) succes door zoveel mensen kritiekloos worden nagepraat en opgelegd dat ze een Heilige Wet worden Omdat Iedereen Dat Zo Vindt.

  1. Het helpt als je verhaal een duidelijk begin, midden en einde heeft
  2. Het helpt als je de focus strak houdt, je beperkt tot de hoofdlijnen en niet teveel zijlijnen introduceert
  3. Het helpt als je je in je verhaal beperkt tot een kleine groep hoofdpersonen
  4. Het helpt als vanaf het begin duidelijk is waar je met je verhaal naartoe gaat en als we vanaf het begin een indruk krijgen wat we kunnen gaan verwachten (de belofte)
  5. Het helpt als je karakters sympathiek zijn, of iets herkenbaars te bieden hebben waardoor de lezer zich met hem of haar kan identificeren.

Wat wil je vertellen? Wat is je verhaal? Wie wil je dat dat verhaal gaat lezen? Wie is je publiek? Kun je dat beantwoorden? Durf je dat te beantwoorden?

Wie is dat publiek?

Je publiek bepaalt voor een belangrijk deel waar je je focus plaatst.

Alex de Jong schrijft bijvoorbeeld meer dan een week geleden in het facebook gesprek:

Ook ik ben gisteravond begonnen aan Peters verhaal. Not my cup of tea, zoals ik dacht. Snap de superlatieven in sommige commentaren dan ook niet. Achteraf geschreven toen men wist van wie het was? Als een verhaal als dit derde kan worden, was de rest dan zo slecht? Een verhaal moet vermaken en mij meeslepen. Peters verhaal deed dat niet. Sorry. Niet uitgelezen

Kortom: een kutverhaal.

Maar Alex de Jong is niet mijn publiek.

Dit klinkt in de oren van sommigen arrogant, maar Alex behoort niet tot de doelgroep waarvoor ik dit verhaal schreef. Jack (die ik minder goed ken qua stijl en voorkeuren) is blijkbaar ook niet mijn publiek, als ik uitga van Jack’s definitie van SF: waaraan geen van mijn SF SF verhalen ooit aan zullen voldoen.

Dat lezers als Jack en Alex en Thomas Olde Heuvelt (en vrijwel elke andere persoon in dat gesprek* ) zich niet konden inleven in het verhaal is wel een probleem. 

* Behalve Tom Schoonbeart

Hoe bedien je dat publiek?

Wat als ik inderdaad een hoofdpersoon heb die zo abstract en verborgen is dat de lezers die ik wel als mijn doelgroep zie exact (en zonder uitzondering) diezelfde negatieve ervaring hebben?

“Kon me niet inleven. Na 3 pagina’s opzij gelegd.”

Op dat moment bedien ik niet mijn publiek.

Moet ik me iets aantrekken van de feedback van anderen die ik niet als mijn doelgroep zie? Ja. Want zelfs als ze niet mijn eerste doelgroep zijn, is hun verhaalbeleving sprekend voor waar ik wel of niet in geslaagd ben.

Ik wil verhalen schrijven die zowel pulp zijn (meeslepend! avontuur! actie! spanning!) als intellectueel hoogdravend (introspectie! alles is anders als je het herleest! kijk! non-lineaire bla bla bla vertelstijl!). Verhalen die ik zelf op 12-jarige leeftijd graag had gelezen.

Genadeloos testen

Als ik dat doel niet bereik, zal ik mijn werk en mijn aanpak aan moeten passen. En meer proeflezers in die groep moeten vinden..

Ik kan natuurlijk proberen om mijn kostbare woord-kindjes te beschermen tegen de ogen van lezers als Jack en Alex.

Ik kan er echter ook voor kiezen om mijn werk genadeloos te testen en bijvoorbeeld juist een lezer als Alex de Jong en Jack Schlimazlnik kunnen benaderen om te kijken of ik iets kan produceren dat wel voor hen werkt.

Ik kan dat doen alsof het een nieuw product is in mijn Research & Development lab: door het volledig uit handen te geven aan mensen die het in extreme omstandigheden zullen plaatsen: het van 3 hoog uit het raam zullen laten vallen, er met de auto overheen zullen rijden. Omdatik graag wil weten wanneer en waar het breekt.

Ik zal daarin wel goed uit moeten kijken om mijn eigenheid en mijn liefde voor mijn eigen werk te bewaren. Niet elke lezer schrijft kritiek met de verbetering van de kwaliteit van mijn werk voor ogen.

Blinde vlek

De kernvraag in deze test is deze: wat als mijn eigen blinde vlek zo groot is dat ik, juist op die plekken waar dat er het meeste toe doet, zelf niet kan zien dat mijn verhaal overduidelijk tekort schiet?

Heeft “Een aantal conseqenties” die 3e plek verdiend?

Aha.

Daar zijn we dan. Jack Schlimazlnik in de bespreking hier:

Ik zou willen zeggen dat het verhaal zijn bombast en de gewekte verwachtingen niet waarmaakt. De theoretische lessen van de toelichting schieten daarom hun doel voorbij, naar mijn mening. Er wordt geschetst hoe een perfect verhaal opgezet zou kunnen worden, maar het voorliggende verhaal is niet de weerslag van die lessen (soms had ik het idee dat de schrijver expres zijn eigen theorieën in de praktijk tegensprak).

We zagen eerder al de mening van Alexde Jong.

Hubert Landmeter:

Maar de onderdelen personage(ontwikkeling), verhaal(ontwikkeling), spanningsboog, geloofwaardige intriges en conflicten en het goede oude entertainment value hebben ook wel iets te zeggen. In Peters geval, voor professionaliteit, opbouw en structuur zou ik waarschijnlijk 90 punten hebben gegeven (de 100 punten bewaar ik voor de JK Rowlings en Stephen Kings van de wereld). Op bijna alle andere technische fronten schiet Peters verhaal simpelweg te kort. Het hoofdpersonage ontwikkelt zich nauwelijks, het verhaal is meer een situatieschets, er is maar één gedenkwaardig conflict (de aanvaring met Gila’s superieur) en daar is niet dramatisch naartoe gewerkt maar dat meningsverschil komt zo uit de lucht vallen: het bouwt GIla’s personage wel, maar ontwikkelt het niet. Spanning voel ik gewoonlijk alleen als ik kan anticiperen direct na een handeling of beslissing van het hoofdpersonage:.als ik een verbinding maak en een conflict zie ontstaan uit twee op het oog losstaande intriges. In Peters verhaal is hier weinig sprake van want de intriges zijn lange tijd te vaag. Ik geef je ‘boeiend’, maar dat is omdat ik wil weten waar het in het vredesnaam om gaat, aangemoedigd en enigszins gehypnotiseerd door de intelligente schrijfstijl. Maar als een verhaal zo hoog eindigt in een wedstrijd heb ik het gevoel dat er te weinig is gekeken naar de relevante technische aspecten.

Klopt dit? Voor veel lezers grotendeels wel. De jury, Jack, andere mensen in het facebookgesprek die het verhaal ook hebben gelezen.

Is dit de volledige mening? In veel gevallen niet. (Lees het facebookgesprek)

Pen Steward:

[…] maar ook wat mij betreft is het mijn verhaal niet. Het mist te veel structuur (voor mij) . Het toont de gevolgen van een daad van jaren daarvoor. (zie de titel) en het doet niets meer dan dat. Daarmee lapt het een groot aantal regels aan zijn laars. Dergelijke verhalen hebben altijd uitgesproken voor- en tegenstanders, wat blijkt uit de verdeelde meningen hierboven. Dat wil niet zeggen dat het slecht is, het was de keuze van de schrijver, en elke keuze heeft zijn gevolgen.

Waarom eindigde “Een aantal consequenties…” op de derde plaats?

  1. Te weinig focus en helderheid — Het had te weinig focus en helderheid om op de eerste plek te komen
  2. Net voldoende focus en helderheid — Het had net voldoende focus en helderheid om niet lager (waarschijnlijk 10e en zelfs 15e of 20e of de 40e plek) geplaatst te worden.

Zoals ik ook in mijn boek-dikke bespreking van het verhaal hier beschijf is een groot deel van die 3e plaats te danken aan mijn proeflezers en hun feedback. Zonder hun (soms genadeloze) commentaar had dit absoluut geen 3 plek geweest.

Ben ik nu een goed of een slecht schrijver?

Om eerlijk te zijn? Geen idee. Ik heb een redelijk idee waarmee ik bezig ben. Ik geloof in wat ik doe. Ik werk met plezier aan mijn nieuwe verhaal. Ik ben blij met de positieve feedback die ik ontvang. Ik denk dat het beter kan en mag.

De rest laat ik aan jullie over. 🙂

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out / Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out / Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out / Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out / Change )

Connecting to %s