“Waarom zien we niet meer ambitieuze SF, Horror en Fantasy verhalen?”

Ik heb mijn eigen theorieen hierover, die ik in het verleden al op verschillende manieren heb bewoord.

Kort samengevat:

  1. Gebrek aan stimulans — Iets waarop niemand zit te wachten zal minder snel ondersteuning en positieve impuls krijgen. “Doe maar niet te moeilijk. Niemand wil dit lezen.” en zo voorts.
  2. Gebrek aan zichtbaarheid — Wellicht wordt het wel geschreven, maar nergens uitgegeven.
  3. Gebrek aan ambitie — Ambitie zit in je, of niet. Veel ambitieloos schrijfwerk is simpelweg ambitieloos omdat de schrijver geen ambities heeft, anders dan dat verhaal te schrijven (en in of op te sturen naar iets of iemand)

Ambitie en het gebrek daaraan

Ambitie komt in mijn optiek van binnenuit en grenst wat mij betreft aan obsessief gedrag. Oftewel: het onvermogen iets los te laten wat anderen al lang geleden zouden hebben laten vallen.

Ambitie is verder persoonlijk. Zeer persoonlijk.

Een gebrek aan ambitie (wat dat ook mag zijn en waarin dat ook is) is echt enorm gezond en behoorlijk normaal. Veel mensen zijn niet-obsessief ingesteld. En kiezen voor dingen die leuk zijn, plezier geven, veel beloning opleveren en weinig moeite kosten.

Over het algemeen zijn mensen die niet obsessief ambitieus zijn, in mijn optiek blijere en vrijere mensen met minder kopzorgen. Ze schrijven ook het soort super-saaie verhalen dat ik liever niet lees, omdat ik eindeloos veel betere dingen te doen heb.

Stimulans

Hoe stimuleer je “ambitieuze verhalen”? Of “obsessieve ambitieuze schrijvers”?

Hier is mijn mening:

  1. Zorg dat ze ergens terecht kunnen:
    1. (Online) uitgevers die hun soort werk publiceert.
    2. Coaches en schrijvers die dat soort schrijvers van dat soort werk steun en stimulans geven
    3. Wedstrijden die specifiek voor dat soort verhalen worden georganiseerd
  2. Biedt ruimte voor experiment. Ambiteus werk is heel veel vallen en weer opstaan.
  3. Zorg dat het steun krijgt
    1. Bespreek dat soort werk.
    2. Schrijf over de noodzaak en behoefte.
  4. Maak dat soort werk zichtbaar

Zichtbaarheid

Het is 2016 en Internet, Facebook en plekken als SmashWords zijn momenteel je vrienden. En je gaat (als ambities schrijver) niet zitten wachten tot iemand je een hand reikt. Dat gebeurt namelijk binnen SF-minnend Nederland al meer dan 30 200 jaar niet. Er is geen geld. Er is geen (tot nauwelijks) ambitie. En er wordt enorm veel gepraat zonder dat er concreet wat verandert.

  1. Werk samen
  2. Verzamel schrijvers. Maak bundels en zet ze op Smashwords
  3. Maak een website
  4. Publiceer kort werk en lang werk en prikkelende dingen
  5. Snap wat je publiek zoekt en wat heb prikkelt
  6. Doe aan marketing en zelfmarkeing
  7. Zorg dat het woord zich verspreidt.
  8. Stuur je werk in naar zoveel mogelijk wedstrijden die voor jouw soort genre relevant zijn. Want niet-meedoen is toegeven dat jouw werk niet relevant is.

Vorm kliekjes van gelijkgestemden

Juist met ambitieus werk is het belangrijk om focus te houden. Ambitieus werk vraag om toewijding, niet om democratische meningen en verwatering van schrijfdoelstellingen.

Accepteer de intolerante eikels

Verder zijn obsessieve ambitieuze mensen vaak enorme intolerante eikels die slecht samenwerken, snel ruzie krijgen met andere obsessieve ambitieuze mensen en ruzie zoeken en die slecht tegen de afwijkende meningen van anderen kunnen. Dit houdt onder andere in dat samenwerking meer in de vorm van “hoe doen katten dat?” dan “hoe doen honden dat?” gaat.

Het is mogelijk, zolang het maar vrijheid blijft bieden en iedereen zijn of haar eigen gelijk kan vinden. En wegblijft van het soort ruzies dat harten breekt. (Respect tonen en zo, zelfs als je lijnrecht tegenover elkaar staat en zo.)

Verlaat de groepen die giftig zijn

Sommige groepen zijn ronduit giftig, met bittere en manipulatieve mensen die jouw rug gebruiken om zichzelf hoger te plaatsen.

Eén simpel advies: loop zo snel mogelijk weg en sluit de deur. Zelfs “als ze mogelijk nog ergens een meerwaarde kunnen leveren.” Vaak is dat niet het geval.

Produceer

Ambitie is latten hoger leggen en leercurves overwinnen en dan opnieuw hoger reiken. De enige manier om door te gaan is te produceren. Veel verhalen.

Fuck: “koop mijn boekje” (tenzij je dat leuk vind)

“Koop mijn boekje” loont niet (uitzonderingen daargelaten!). Het verspreidt niet (uitzonderingen daargelaten!). En het Internet is zo goed als gratis met websites als WordPress die geen kosten rekenen voor weblogs, die weer als publicatieplatform kunnen worden gebruikt.

Ga voor eyeballs. Bezoekers. Bekendheid.

Pageviews zijn in mijn optiek je eerste inkomsten, je eerste beloning, je eerste betaling.

Faal. En faal nogmaals. En dan nog een keer. Tot het lukt.

Elk falen is een stap op weg naar beheersing.

Het goede van schrijven (in tegenstelling tot skateboarden en parcour) is dat “op je bek gaan” bij het schrijven (en online publiceren) geen blijvende schade oplevert, zoals gebroken knieschrijven, gebroken enkels, gebroken polsen, gebroken kaken, gebroken neuzen en gebroken ellebogen.

Publiceer

Fuck elke uitgever die je niet wilt publiceren. En als er niets overblijft, maak dan je eigen plek. Dat is hoe dingen werken. Maak je werk zichtbaar.

Fuck verder iedereen die klaagt dat “gratis werk de markt ondermijnt”. Dat is niet zo. Pirated-werk (zoals gratis-downloadbare boeken van gerenommeerde uitgevers) ondermijnt de markt. Facebook ondermijnt de markt. Slechte marketing van het eigen fonds; een slecht marketing-plan; een armoedige uitvoering van dat marketing-plan ondermijnt “de markt” (lees: de eigen verkopen).

Niet jouw gratis werk.

Wees geen (bittere) jankert online

Als dingen niet lukken, huil daar dan offline over. Niet online. Bij ambitie hoort falen. En een groot publiek dat jouw werk niet pruimt omdat het te raar, te moeilijk of te onleesbaar is. Huil offline, verzet je doelen en doelstellingen en ga weer door.

Verwar ambitie niet met kwaliteit of succes, tenzij dat je ambitie is

 

(Super)ambitieus werk is (zoals eerder gezegd) niet per definitie leesbaar of verkoopbaar of goed, of goed te pruimen door (veel) lezers. Zeker niet als je als schrijver grenzen probeert te doorbreken.

(Super)ambitieus werk kan zelfs heel lelijk zijn.

(Super)ambiteus werk kan totale rotzooi zijn voor een grote groep lezers (en weer super-enerverend voor een andere groep).

Tot slot

Ik denk dat het beste dat in de komende jaren in Nederland kan gaan gebeuren, een wildgroei aan websites gaat zijn waarop ambitieuze en andersoortige verhalen te lezen zullen zijn.

Elk met een specifiek doel en kwaliteitsdoelstellingen voor ogen.

Je publiek daarin zijn niet de oude knorrige mensen zoals ik (die nergens tijd meer voor hebben en vrijwel alles kut vinden) maar jonge lezers die net het genre beginnen te ontdekken en overal nog open en fris tegenaan kijken.

Je kracht ligt verder in onderscheid en samenwerking. Laat zien waarin jouw site en jouw verzameling van schrijvers uitblinkt ten aanzien van andere sites en schrijvers. Wissel met elkaar uit. Werk samen, doe maandelijkse “wedstrijden” en opdrachten waarin je (samen) bepaalde onderwerpen uitwerkt.

Schrijf fan-fiction en trek dat soort lezers ook naar andere plekken toe. Ga voor pageviews en bezoekersaantallen. Volg je eigen hart. Maak dingen die totaal geweldig en tegelijkertijd totaal kut zijn. Faal met liefde en passie. Streef naar hoger en meer. Wat dat ook mag zijn in jouw persoonlijke schrijfdoelstellingen.

En heb schijt aan mensen die je proberen te vertellen wat je wel en niet moet doen, op basis van “succesformules” en andere onzin, of zonder dat ze ooit echt aandacht aan je werk te hebben geschonken.

Stop met het pleasen van lezers en juryleden.

Pak alleen die feedback waarmee jouw werk in jouw optiek beter gaat worden. Want het is jouw werk. Hoe lelijk of mooi dat ook mag zijn.

En heb je geen ambitie? Dan is dat ook prima.

Alles is relatief, of: een korte en snelle blik op het jury-oordeel van de slushronde

[First draft] Met Edge.Zero volgen we een drie-stappenproces in de keuze van de verhalen die uiteindelijk door/op Edge.Zero gepubliceerd gaan worden.

In elke ronde wordt elk verhaal beoordeeld op een aantal vooraf bepaalde criteria. Voor ronde één waren dat:

  1. Edgyness — Heeft het verhaal –in de ogen van de juryleden– iets dat “edgy” genoemd kan worden?
  2. Frisheid — Past het verhaal bij “anno nu”? of meer bij 1951?
  3. Eigen stem — Laat de schrijver een eigen stem horen? Is er eigenheid te lezen in het verhaal?
  4. Leeservaring — Nodigde de eerste drie bladzijden van het verhaal uit naar meer?
  5. Direct publiceerbaar — Is het (op basis van die 3 eerste bladzijden) volgens de jury direct publiceerbaar?
  6. Geschikt voor Edge.Zero — Past het bij wat Edge.Zero voortstaat?

Tot mijn grote verrassing waren bij een aantal verhalen de meningen soms totaal tegenstrijdig.

Waar jurylid A op vrijwel alles bij verhaal X een “ja” of “bijna” stemde, kon datzelfde verhaal door jurylid B en C op elke categorie een “nee” krijgen.

 

Mijn eigen ervaring

Relatief laat in de eerste ronde, heb ik (op verzoek van mede-oprichter Mike Jansen) gestemd op de verhalen die door juryleden waren geschreven. Ik had verder (als mede-oprichter van Edge.Zero) volledig inzicht in alle stemmen die werden uitgebracht.

Dat gaf me twee inzichten:

  1. Mijn smaak staat soms lijnrecht tegen dat van andere juryleden.
  2. Die smaak-voorkeur is ook terug te zien in wat we schrijven en in de scores die we aan elkaars verhalen hebben gegeven.

Uiteraard heb ik gekeken naar consistentie in die stemmen. En voor zover ik kon zien was er geen duidelijk bewijs van “wederzijdse wraak”. Het komt simpel en heel banaal gezegd in de meest extreme gevallen neer op: “jij vind mijn favoriete muziek saai of kut en ik voel hetzelfde voor jouw muziek”.

 

Kan dat wel?

Er bestaat het idee dat een jury onpartijdig moet zijn. En volledig volgens objectieve maatstaven moet beoordelen.

Ik denk dat dat niet mogelijk is. Zeker binnen deze eerste ronde, waarin we nog niet naar techniek kijken, waarin de eerste indruk telt. Waarin het gevoelsmatige oordeel voorop staat. “Is dit verhaal volgens jou..?”

Ik denk verder dat dat goed is. Meer mensen, meer smaken.

En ik denk dat Mike Jansen daarin een goede inschatting heeft gemaakt, door te streven naar een jury van 10 mensen.

Wat je nu in de longlist ziet, zijn verhalen die door een aantal juryleden (soms volledig) zijn afgeschoten, bij een aantal andere juryleden (soms heel) goed scoorden en die bij een derde groep op de rand hing tussen “ja” en “nee”.

Dit gaf elk verhaal een kans.

Wat ik verder zie is dat van de schrijvers die 2 of meer verhalen instuurden, veelal het “meer overtuigende verhaal” hogere punten scoort dan het verhaal dat “minder overtuigend” is.

 

 

Had de uitkomst anders kunnen zijn?

Mogelijk wel. Mogelijk ook niet. (Zie beneden voor drie voorbeelden met een alternatieve jurysamenstelling en de daadwerkelijk gegeven scores op 14 verhalen).

Ding is: zo werkt dit. De smaak van de jury bepaalt. De samenstelling van die jury bepaalt. Wie wie kent, bepaalt (Ook al willen we dat heel graag ontkennen.)

 

Tegenstrijdigheden zichtbaar gemaakt

Hieronder zie je drie lijsten:

  1. De verhalen die de hoogste gemiddelden haalden
  2. De verhalen die in het midden zitten
  3. De verhalen die onderaan eindigden.

Let vooral op de blauwe en lichtblauwe vlakjes.

Voor je begrip, de jury had per categorie 3 keuzes: “voldoet wel, voldoet niet, voldoet bijna

  1. Lichtblauw — De jury is het oneens, maar stemde “wel”, “niet” óf “bijna”. Een milde controversie.
  2. Donkerblauw — De jury stemde “ja” óf “nee”. Niemand stemde “bijna”. Een sterke controversie.
  3. Geel en wit — De jury stemde “bijna” en een “ja” of een “nee”. Er is geen controversie in de stemmen.

scores_totaal_hoog

Je ziet in deze lijst dat voor elk verhaal in de top een milde controversie was. Sommige juryleden stemden “nee”, anderen “ja” en weer anderen “bijna”

Bij verhalen #049, #072, #109 en #084 is per verhaal sprake van een situatie waarin de juryleden het verhaal op die categorie ofwel helemaal top vonden, ofwel helemaal niets. (donkerblauw).

Middengebied:

midden

In het middengebied is er voor elk van de verhalen sprake van tegenstrijdige meningen. Sommige juryleden vonden het niets, sommigen vonden dat een verhaal bijna voldeed en anderen dat dat verhaal helemaal voldeed aan de eisen.

Onderste regionen:

onderaan

Kijken we naar de onderkant van de lijst, dan vinden we het bovenstaande plaatje.

Ook daar is controverse. Sommige juryleden stemden volmondig “ja” op een bepaalde categorie, terwijl anderen een “bijna” of een “nee” gaven.

 

Wat kunnen we uit deze scores halen?

Juryleden zijn het (behoorlijk) oneens met elkaar.

Maar deze algemene lijst geeft te weinig inzicht in diepere vragen.

 

Kan de jurysamenstelling de uitkomst bepalen?

Ons vermoeden was: ja. Daarom streefden we naar 10 juryleden in de slushronde.

Mijn conclusie met de cijfers tot nu toe is: “Ja. Inderdaad. De samenstelling van de jury kan (soms zeer drastisch) de uitkomst van een selectie bepalen.”

scores0

Dit is een totaaloverzicht van stemmen voor 14 verhalen, door alle juryleden inclusief ikzelf (X). Groen is: “voldoende punten om door te gaan”. Geel is: “onvoldoende punten om door te gaan”. Wit is: “geen stem” of: “ben ik vergeten te markeren”.

De juryleden zijn anoniem gehouden en genummerd van A tot H.

Je ziet dat sommige juryleden voor deze korte lijst vrijwel overal een voldoende geven (juryleden B, G en H) en andere juryleden vrijwel elk verhaal in deze lijst een “onvoldoende” gaven (juryleden D en F)

 

“Wat als”-scenario’s

Hieronder vind je 3 verschillende jury-opstellingen. We beginnen met juryleden B, D en F.

scores2

De perzik-kleurige scores zijn die van de totaaljury. De groene markeringen “door” in de “verhaal”-kolom is de uitkomst als alleen déze jury de voorronde had beoordeeld.

Door gebrek aan stemmen op verhaal #049 kunnen we niets zeggen over “slagen” of “falen”. Kans is dat dit verhaal ook bij deze jury een voldoende zou hebben gehaald.

De verschillen worden echt zichtbaar bij verhalen #002, #003, #081, #080 en #084.

Nemen we alleen juryleden B, G en H dan krijgen we dit:

scores4

De meeste verhalen in deze lijst zouden doorgegaan zijn naar de volgende ronde. Alleen verhalen #098 en #084 zouden zijn afgevallen. (#002 moet ook groen zijn in dit overzicht). Alleen verhalen #100, #002, #006 en #009 scoren van de “door’ groep onder de 1,5 punten.

Tot slot deze uitkomst, op basis van juryleden C, D en F.

scores5

“OMG! Wat een dramatisch groot verschil, Bob!”

In dit geval zouden alleen verhalen #009, #010 en #080 zijn doorgegaan. De rest van de verhalen scoort (soms zeer zwaar) onder de 1,0.

 

 

 

 

 

4 non-productieve weken

Van weerzin en weerstand ben ik rustig aan ook hier naar acceptatie gegleden.

Wat is er aan de hand?

Ik heb een keelontsteking. Deze duurt nu een week en is hopelijk eindelijk afgelopen. De week daarvoor waren er een aantal sociale en andere verplichtingen die mijn effectieve schrijftijd heeft beperkt tot 12 uur. Op een week van 50 beschikbare werk-uren.

Met die opkomende keelontsteking was mijn effectiviteit in die 12 uur minimaal. Ik heb dingen kunnen doen, maar veel  verder dan het overdrachtelijke schaven en schuren van basale dingen ben ik niet gekomen. Onder andere omdat mijn woordenschat van 10 miljoen woorden terugvalt naar 50. En omdat ik dat extra vuur mis.

De week daarvoor was ik op vakantie.

De week daarvoor redigeerde ik een Engelse versie van Verhaal X, waarvan op 2 april bekend is of het gedaan heeft wat het heeft moeten doen (toppositie) of niet (opnieuw ergens in de lage regionen.)

De week daarvoor schreef en redigeerde ik een Engels verhaal, “Everything as a result of short term something” waarvan ik ongeveer 50% ga wegpleuren omdat het niet doet wat ik wil dat het doet.

De slechte invloed  van peer pressure

Ik ken mensen in mijn directe kring die in 12 maanden een roman hebben opgeleverd en afgeredigeerd. Terwijl ze daarnaast aan het werk waren. Die elke dag neerzitten en een x-aantal woorden schrijven.

Naast de dagelijkse bezigheden.

Met een full-time sabbatical, voel ik me lui met mijn “lage productie”. Of tenminste traag. Want op elke dag schrijven volgen minstens 4 dagen redigeren.

Niet omdat dat schrijfwerk zo slecht is, maar omdat ik het niet goed genoeg vind. Omdat het te vlak geschreven is. Omdat er geen spanning in zit. Omdat er spanning ontbreekt. (Het soort spanning van: “je pakt een stuk hout in twee handen en buigt het over je knie” dat niet specifiek gerelateerd is aan “er gebeuren heel veel actie-dingen”)

Of tenminste ongefocused, want ik heb 100 dingen gedaan, behalve werken aan mijn roman.

Vervolgens worden mijn neefjes en nichtjes jong-volwassenen en pubers en hebben ze alweer X-jaar muziekles achter de rug en studeren ze af of gaan ze naar het voortgezet onderwijs.

En mijn roman is nog steeds niet af. En mijn deadline nadert. Want mijn spaargeld raakt op en ergens in mei/juni zou ik verstandelijkerwijs weer aan de slag moeten.

En in mijn hoofd heb ik af en toe gesprekken met denkbeeldige mensen, waarin ik uitleg waarom mijn roman nog niet af is. En waarin ik mezelf verwijt dat ik te traag ben en zo.

Fuck die shit

Ding is: alles heeft z’n eigen tempo. En ja: ik kan dingen doen zoals schrijver X of schrijver Y, inclusief “elke ochtend (of avond) een X aantal woorden schrijven”.

Ik herlas “The Demolised man” van Alfred Bester. En ik zag dat een film (waarvan ik nu even de titel vergeten ben) in 2004 verschenen was en dat daar 3 jaar voorbereidingstijd aan voorafging en dat gaf me op de één of andere manier het gevoel dat het niet zo uitmaakte.

Zolang die fukking roman maar afkomt. En zolang ik niet vergeet waarom en voor wie ik die roman aan het schrijven ben. (Mezelf.) En zolang die roman maar doet wat ik wil dat het doet. (Een gevoel van schoonheid overbrengen. En liefde. En het besef dat dingen ook anders kunnen.)

Acceptatie

De keelontsteking en de slaap en het niets anders kunnen doen dan uit bed komen en weer naar bed gaan en nog maar weer eens een paar uur slapen leerde me iets dat ik al een paar keer daarvoor heb geleerd.

Sommige dingen gaan zoals ze gaan. Vechten ertegen heeft geen zin.

Het pad dat ik kies is van revisie. En revisie van revisies. Tot ik op een gegeven moment dat punt bereik waarin het verhaal doet wat het moet doen.

Dit heeft als consequentie dat ik een lage productie heb. En dat verhalen lang blijven liggen. En soms 2 jaar of 5 of 10 jaar later pas weer worden opgepakt om afgemaakt te worden.

Dith eeft ook als consequentie dat anderen rondom me (en ik ben een jaloerse bitch, ik ga dat niet ontkennen) links en rechts in Nederlandstalige en Engelstalige publicaties verschijnen terwijl er van mij momenteel slechts één werk online staat: “Gila Pradopo”.

Hier is het enige dat ik niet meer doe is een verhaal in de steek laten. Zoals ik met 4 andere romans in 2003 en 2012 wel heb gedaan. Ik wordt te oud voor die shit.

Een tweede verandering is het besef dat ongeacht wat er speelt of gebeurt, het schrijven een soort aanhangsel van mezelf is. Ik kom er niet vanaf.

Een plot dat werkt en een plot dat faalt

Gisteren, terwijl ik een plot-probleem probeerde op te lossen in mijn roman (we zijn halverwege en het primaire conflict is opgelost. “En nu?”) vond ik de meest simpele vergelijking om dit plotprobleem op te lossen.

Waarom faalt mijn plot?

Mijn basisverhaal (“hoofdpersoon wil ontsnappen, doet moeite, slaagt of faalt”) eindigt in hoofdstuk 4. Ze slaagt.

En ik heb in die roman een totaal van 7 hoofdstukken.

In die resterende 3 hoofdstukken zien we de consequenties van haar daden. Omdat het verhaal bij hoofdstuk 4 “al is afgelopen” heb ik als lezer weinig zin in de rest van het boek. “Ze is ontsnapt.” Klaar is klaar. De rest is geneuzel.

Ik had een ingeving. En die ingeving kwam door een beeld van een plank met drie flessen. Waarvan er één plotseling verdwenen was. “Waar is die fles?”

Dit bracht me uiteindelijk tot het volgende:

Stelling 1: Het kernprobleem moet onopgelost blijven, tot het einde

Het is belangrijk om het kernprobleem onopgelost te houden, tot het einde.

Als mijn hoofdpersoon al in hoofdstuk 4 met alles klaar is, is de hele noodzaak om het verhaal nog verder door te lezen zo goed als verdwenen.

Als de mol met de drol (zie later) die drol op bladzijde 2 zou verwijderen, als Walter White uit “Breaking bad” gewoon een behandeling vanuit zijn verzekering zou kunnen ontvangen, dan zou het verhaal dat volgt lang niet zo intrigerend zijn.

Het probleem is namelijk al opgelost en de rest is slechts afwikkeling van de “wie” of de “wat” vraag: “Wie heeft dat gedaan?” “Wat gaat er verder nog gebeuren?”. Wat zeker bij dit soort verhalen al snel heel saai kan worden.

Voorbeeld 1: Breaking Breaking Bad

Breaking bad volgt het patroon van: “Er was iets (de gezondheid van Walter White). Nu is dat er niet meer (hij heeft kanker). Dat moet weer terug komen (via stink-dure chemotherapie).”

Voor wie “Breaking bad” niet heeft gezien: Walter White is een chemie-leraar met een kutbaan. Hij heeft kanker. Hij heeft geen geld voor een peperdure behandeling, maar wel een leerling in zijn klas die drugs dealt. Om zijn behandelingen te betalen, komt hij op het twijfelachtige plan om zelf crystal meth te maken: een harddrug. Vanaf daar gaan we verschillende seizoenen in waarin het geweld en de problematiek rondom de drugs-fabricage alleen maar groter wordt.

Dit basisgegeven (kanker, stinkdure behandelingen, geen verzekering, wanhopige oplossing) werkt, omdat het zich in Amerika afspeelt. Waar je –in de tijd dat Breaking Bad begon– zelf opdraait voor de ziekenhuiskosten.

Zie hoe dat zelfde basisconcept van “Breaking Bad” in Canada zou werken:

631

Er is in de “Canada-versie” geen verhaal voor Walter White. Geen overkoepelende arc meer die vergelijkbaar is met de Amerikaanse versie. Geen motivatie die hem dusdanig uit zijn comfort-zone haalt dat we trouw blijven aan zijn personage. Zelfs als dat personage al vrij snel gruwelijke dingen doet. Het probleem is namelijk opgelost. Het verhaal afgelopen. Walter White is teruggeworpen op zichzelf. Als een middelmatig personage zonder echte problemen.

Stelling 2: Dit is de basis van elk overkoepelend plot

Er is een stelling dat er iets van 20 basisplots zijn. Ik stel dat er niet meer dan 3 of 4 kern-plotten zijn. Hier zijn de vier die ik nu zie

Variatie 1 – Iets moet er komen: Iets dat er zou moeten zijn is er niet. Het moet er komen. Uiteindelijk komt het er, of niet.

Variatie 2 – Iets moet terug komen: Iets was er. Nu is het er niet meer. Het moet weer terug komen. Uiteindelijk is het weer terug. Of faalt men.

Variatie 3 – Iets mag er nooit komen: Iets komt er aan, maar mag nooit aankomen of nooit gaan gebeuren. Uiteindelijk komt het aan, of wordt het tegengehouden, of deels tegengehouden.

Variatie 4 – Iets moet weg: Iets is er wel, maar moet weg. Uiteindelijk is het verdwenen. Of faalt men om dat te laten verdwijnen.

Variaties 3 en 4 zijn inversies van variaties 1 en 2.

Versimpeld / andere variant

  1. Iets is veranderd en moet worden teruggedraaid
  2. Iets is zoals het is en moet veranderen

Stelling 3: Er is dwang, of het is deel van de routine

Er zijn twee redenen waarom een personage overgaat tot actie:

  1. Routine — Het hoort bij zijn of haar werk of routine.
  2. Dwang — Hij of zij wordt (bijvoorbeeld door omstandigheden) gedwongen om tot die actie over te gaan.

Van een soldaat of een brandweerman zullen we ons niet afvragen waarom hij/zij zich in een gevaarlijk gebied beweegt. Van een huurmoordenaar zullen we het niet gek vinden dat hij/zij op een gegeven moment een moord zal plegen. En zo voorts.

Zodra iemand in een situatie komt die niet bij zijn of haar routine past, gedwongen wordt daarmee om te gaan, kan dat komen door omstandigheden (pech) of door een externe factor (directe dwang).

“Maar wat is de uitkomst dan?”

Simpel gezegd zijn er drie mogelijke uitkomsten:

  1. Het lukt. Wat de personages ook nastreven en welke offers ook gegeven worden, uiteindelijk lukt het
  2. Het mislukt. Wat de personages ook nastreven, hoe rooskleurig het uiteindelijk ook mag lijken en welke offers ook gegeven worden, uiteindelijk mislukt het.
  3. Het lukt (mislukt) gedeeltelijk. Wat de personages ook nastreven, hoe rooskleurig het uiteindelijk ook mag lijken en welke offers ook gegeven worden, uiteindelijk likt/mislukt slechts een deel van dat streven.

Drie varianten en alternatieven:

  1. Het was niet belangrijk.
  2. Iedereen gaat dood.
  3. Alles begint weer overnieuw.

Uiteraard zijn er meer dan drie varianten en alternatieven. Deze zijn slechts om je een idee te geven.

Het probleem is opgelost: Wat nu? Opeenstapeling of breuk

In mijn geval is het basisprobleem in hoofdstuk 4 opgelost. Mijn hoofdpersoon slaagt.

Er is echter een serie gebeurtenissen NA dat moment die minstens zo relevant zijn. Bijvoorbeeld de consequenties van haar daden voor de mensen die ze heeft achtergelaten.

Ik kan twee dingen doen:

  1. Ik stapel een nieuw probleem op het oude en zet het verhaal door. “Het doel is bereikt, maar daarmee wordt een nieuwe en direct gerelateerde ontwikkeling gestart voor de hoofdpersoon.
  2. Ik introduceer een nieuw probleem en begin een nieuw verhaal. “Het doel is bereikt. Er doet zich een nieuw probleem voor, vanuit een andere hoek en oorzaak.”

En in het geval van mijn roman kies ik voor de eerste optie. Vanuit de oplossing van het oude probleem komt een nieuw en direct gerelateerd probleem voort.

Hiermee wek ik voor de lezer de indruk dat het probleem nog helemaal niet is opgelost. “De mol heeft nog steeds een drop op z’n kop.”

Een voorbeeld van een basisplot: “er was iets niet, nu is het er wel en het moet weg

images (1)

“Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn hoofd heeft gepoept” (hier op Bol.com) is in mijn optiek een briljant voorbeeld van plotvariant 3: “er was iets niet, nu is het er wel en het moet weg”.

Kort: De mol heeft een drol op zijn kop. Die drol hoort daar niet en moet weg.

Maar voordat de mol rust heeft en voordat die drol verwijderd kan worden, MOET hij weten van wie die drol afkomstig is. In het boek zien we vervolgens verschillende dieren poepen zodat de mol uiteindelijk en EINDELIJK het raadsel op kan lossen en wraak kan nemen.

Stelling 4: Het gaat erom wat je er mee doet

Het gaat niet zozeer om dat basisplot zelf, maar WAT je er mee doet.

Het basisplot is een “hook” waarmee je het brein van je lezer kunt pakken, vervolgens daarmee en daaromheen allerlei truukjes uit kunt halen om de lezer bij dat verhaal te houden.

Maar wat wil je?

Ongeacht wat het verhaal doet, helpt het om te weten wat je uiteindelijk wilt met het verhaal. Wat is je hoofdlijn? “Moet er iets weg”? Moet het juist komen? Moet iets dat gebroken is hersteld worden? Iets dat niet gebroken is kapot gemaakt?

Waar zitten de plotontwikkelingen?

De plotontwikkelingen vinden plaats in het middengedeelte.

“[A] Iets was er, [B] het moet terugkomen. [C] Plotontwikkelingen. [D] Uiteindelijk falen of slagen we.”

[A] en [B] vormen onze setup. Bijvoorbeeld: “Iets was er. Het moet terug komen.” “Iets was er niet. Het moet er komen.”

[D] is de conclusie van het verhaal: “Het is geluk. Het is mislukt. Het is deels gelukt.”

[C] Zijn de plotontwikkelingen: “Eerst gebeurt er dit. Dan dat. Dat levert dit op, maar leidt tot dat verlies.”

Formules

Er zijn verschillende formules om van A naar D te komen. Ik benoem ze hier. En hoewel ze een verhaal kunnen helpen om scherper te worden en sneller te “klikken” bij de lezer, zijn het slechts hulpmiddelen.

  1. Doe je hele (of eerste) setup (A en B) in de eerste 500 woorden — Het idee is dat je lezer vanaf bladzijde 2 weet wat de uitdaging is, de drijvende kracht, datgene waarover het verhaal zal gaan.
  2. Gebruik obstakels en uitdagingen — Als het personage ongestoord van A naar D kan lopen, zonder uitdagingen, zonder conflictsituaties, zonder interne conflicten dan is een verhaal vaak vrij saai.
  3. Gebruik conflict — Conflicten kunnen fysiek zijn (gevechten, bekvechten) maar ook intern zijn (het conflict tussen interne waarden en wat anderen van een personage verwachten, bijvoorbeeld)
  4. Werk naar een climax — Het kan helpen als in het C-deel, de plotontwikkelingen die vanaf je setup naar je conclusie leidt, een oplopende spanning zit, die naar een climax leidt.
  5. Plaats die climax dicht bij het einde — Want als je climax helemaal aan het begin, of ergens halverwege gebeurt, wat volgt daarna dan?

Uiteraard kun je (en moet je in mijn optiek, al is het alleen voor het experiment) breken met die formule. Wat de uitkomst van die climax is, verschilt per verhaal.

“Hij werd gered” is een mogelijke uitkomst. “Eindelijk kon hij gaan zitten” is een mogelijke uitkomst. “En alles begon weer opnieuw” is een mogelijke uitkomst.

Als je dit zou weergeven in een soort van grafiek, dan zou die er in de meest basale uitvoering zo uit zien:

AA BB CCCC CCCC CCC CCC CCCC CCC CCC CCC DD

We introduceren het probleem [A] en de relevantie van dat probleem [B]. Vervolgens ontwikkelt het plot zich [C]  om tot de onknoping te komen [D]

Maar dat is niet de enige manier om een verhaal te vertellen.

Voor meer complexe romans is elke combinatie mogelijk. Een voorbeeld:

AA CC AA CC BB AA CC BB CCCCC CCC CCCC CC DD

“Iets was er” (bijvoorbeeld). We exposen dat. Er volgen wat plotontwikkelingen. We laten opnieuw zien dat iets er was (of niet). Vervolgens maken we duidelijk dat het terug moet komen. Waarna we weer laten zien dat het er niet is. Meer plotontwikkelingen. Ontknoping.

Je kunt de boel omdraaien en rondhusselen:

DD CC CC CCC AA BB CC D AA CCCCCCCC CCC AA DD

“Dit is de ontknoping”, gevolgd door plotontwikkelingen, een exposure over “wat er was” en “waarom het terug moet komen” waarna weer meer plotontwikkelingen volgen en een nieuw stuk ontknoping, eindigend in “dit was er”. Detective-stories met een minneur-einde kunnen bijvoorbeeld op deze manier worden opgezet.

Belang van die setup

Die setup helpt mij, de lezer, te begrijpen WAAROM dit belangrijk is. Net als dat belangrijk is te weten WAARHEEN we gaan als we de trein pakken. Blind meereizen gaat (mij althans) snel op de zenuwen werken. Zeker als die reis een paar uur duurt je je geen enkel idee hebt waarheen.

Voorbeelden van de vier grote plotlijnen:

1: Het is er niet, het moet er komen

Dit is een subiele maar belangrijke variatie op de tweede versie. Verschil is deze: “Het was er misschien ooit, maar niemand in het verhaal heeft dat meegemaakt.”

  1. Jongen of meisje is eenzaam en wil liefde. Ergens is een bekende of onbekende liefde. Uiteindelijke vervulling is “jongen vind meisje” of “jongen vind meisje niet” of “jongen vind meisje en verliest haar weer”. De plotontwikkelingen vormen het verhaal.
  2. Het land is in duisternis gehuld. Het licht moet komen. We zien personages van alles doen om dat licht (bevrijding uit onderdrukking, etcetera) te laten komen. Het lukt, lukt niet, of lukt gedeeltelijk.
  3. Het land is in licht gehuld. Het wordt tijd dat het in duisternis wordt geworpen. We zien personages van alles doen om de duisternis (een totalitair regiem, een overheersing door demonen, whatever) te veroorzaken. Het lukt, lukt niet, of lukt gedeeltelijk.

2: Het was er en het moet terug komen

  1. Jongen of meisje was ooit verliefd, verloor zijn lief en wil deze terug winnen
  2. Ooit was er licht in het land, maar nu niet meer (door onderdrukking). Dat licht (de vrijheid b.v.) moet terugkeren.
  3. Ooit was er duisternis (in het land). Nu niet meer. Het moet terugkeren.

Het verschil op de eerste variant is het element van sentiment. “Er was iets. Dat zijn we nu (gedeeltelijk) kwijt.” Dat sentiment helpt vaak om een probleem heel snel heel concreet te maken vanuit de personages.

3: Er gaat iets gebeuren dat niet plaats mag vinden

  1. Een despoot gaat mogelijk eigenaar worden van het land. Bijvoorbeeld door oorlog, of een verkiezing.
  2. Er is in een deel van de wereld een ziekte uitgebroken die wereldwijd kan uitslaan.

4: Het is er, maar moet weg

  1. Er is iets dat er niet hoort te zijn. Bijvoorbeeld een despoot die het land onderdrukt, een wet die voornamelijk negatieve gevolgen heeft, de rottende vuilnis in de vuilnisbak. En dit moet weg.
  2. Er is iets dat niet goed werkt. Bijvoorbeeld een relatie, een auto die niet goed werkt en dit moet weg. Dit leidt niet noodzakelijk tot vervanging.
  3. Er is iets dat vervangen moet worden. Bijvoorbeeld een oud huis, of een oude printer, of een collega. En voordat het nieuwe er kan komen, moet het oude weg.

Slot

Ik ga niet beweren dat dit de alles-overkoepelende super-theorie is die elk plot dekt en elk plot verklaart.

Want dat is het niet.

De structuur die ik hier beschrijf is simpelweg een structuur die inhaakt op een deel van ons brein dat antwoorden zoekt en dat vrij makkelijk getriggerd kan worden. “Het is er niet! Dan moet het terugkomen!”

 

Redactie: hoe ik mijn verhalen doodschrijf of juist levendiger maak

Subtitel: “(Intensief) Redigeren: gevaar of goed idee?”

Perfectie. Of “mijn variant” daarvan

Er zijn even simpel gezegd twee kampen:

  1. De criticasters die soms of vaak totale perfectie wensen en eisen.
  2. De lezer die een leuk en fijn verhaal wil lezen

Het is aan de schrijver zelf welke schrijfdoelen hij of zij stelt. In mijn geval ben ik een zeer kritische lezer en een criticaster die “totale perfectie” eist. Ook in mijn eigen werk.

Maar mijn schrijfdoelen zijn niet heilig. Schrijvers die niet aan mijn (perfectionistische) schrijfdoelen voldoen, zijn niet minder schrijver dan ik: een redenering die ik vaak online voorbij zie komen. “Schrijvers MOETEN dit en dat!”

Bullshit.

Schrijvers die niet schrijven zoals ik, zijn schrijvers met andere doelstellingen en voor een ander publiek. Zo simpel is het. En als ik als lezer geen zin heb in het werk van die schrijvers, lees ik ze niet.

Ik ga verder niet proberen die schrijvers te veranderen (zodat ze gaan schrijven wat ik wil bijvoorbeeld).

Schrijvers zijn vrij om te doen wat ze willen. Klaar.

Fouten durven maken

Elk verhaal is in principe nieuw. Schrijven is daarom ook: experimenteren. Dingen doen die je al kent, dingen doen die je nog nooit geprobeerd hebt. Combineren. Lostrekken van dingen die je voorheen samen deed. Falen. Slagen. Opnieuw uitproberen. Zijpaden verkennen. Dingen loslaten. Jezelf laten verrassen. Fouten maken en fouten herstellen.

Als je verder wilt, hoger wilt: redigeer

Als je verder wilt met je schrijven, hoger wilt klimmen op je eigen ladder van mogelijkheden (wat een persoonlijke keuze is) dan is redactie essentieel. Geen enkele eerste versie van een verhaal (ongeacht wat je op dat moment mag denken en voelen) is het beste wat je uit dat werk kan halen.

Er zijn altijd dingen die onderbelicht zijn gebleven, pareltjes in je verhaal die nog niet uit de oesters zijn gehaald, goud op de grond en in de berm van het verhaal dat nog niet is opgeraapt, diamantjes die wel gevonden, maar nog niet (helemaal goed) geslepen zijn.

In mijn eigen ervaring begint een verhaal pas echt goed te glanzen na drie schrijf- en redactierondes. De eerste is de ruwe en eerste draft en de afronding daarvan, zodat het “af” is en gelezen kan worden. De tweede is de redactie na feedback. De derde versie is nadat het verhaal even gelegen heeft, eventueel nog wat feedback heeft gekregen en een derde schrijf en redactieronde heeft gekregen.

Redactie en doodschrijven

Ik schrijf en redigeer verhalen dood zodra ik ga nadenken over “de lezer”. Een hypothetische en zeer eenzijdige groep zeikerds/mensen, of een bepaalde azijnpisser/persoon, die voornamelijk in mijn hoofd bestaat en die (heel) kritisch naar mijn werk kijkt.

  1. “Kan ik dit wel doen?” — “Is dit wel goed genoeg volgens die persoon of die groep?” “Neem ik niet teveel risico?”
  2. “Sta ik niet voor schut?” — Waar ik anders wild zal dansen en grote risico’s zal nemen ga ik nu nadenken over die risico’s zelf. “Sta ik niet voor schut? Neem ik teveel risico? Maak ik geen domme fouten?”
  3. “Gaan mensen dit wel snappen?” — Waar ik hele spannende dingen en “complexe zaken” zou kunnen doen, ga ik het verhaal simpel maken “voor de lezer”.
  4. “Doe ik hier X wel een plezier mee?” — Waarbij “X” de jury van een wedstrijd kan zijn, of een specifieke criticus of “belangrijke persoon” die ik graag aan mijn kant wil krijgen. “Kijk eens wat een mooi verhaal ik voor jou geschreven heb!”

In dit proces en in mijn geval gaat mijn verhaal hierdoor vaak enorm dood, omdat ik niet meer mijn eigen flow volg, maar dans op de melodie van een verzonnen criticaster die (in mijn hoofd) alleen (nog) maar de slechte dingen ziet.

Of ik loop keihard vast met dat idee. (Schrijversblok)

Over externe kritiek

Proeflezers zijn essentieel, maar voornamelijk om te ontdekken waar het verhaal mijn eigen doelstellingen niet haalt. “Komt dit en dat over?”

Als het antwoord “nee” is, zal ik daar meer aandacht aan moeten geven (zie “Levendiger maken” hier beneden voor de stappen die ik normaal gesproken neem).

Het verhaal blijft mijn verhaal. Met mijn (schrijf)doelstellingen.

Dat een verhaal na kritiek wel eens drastisch kan veranderen komt voornamelijk doordat:

  1. De uitwerking van mijn verhaal op dat moment, gewoon niet meer voldoet.
  2. Ik vertrouwen heb verloren in mijn eigen uitvoering tot dan toe.

Dat laatste kan een slecht teken zijn. Het kan zijn dat ik onzeker wordt over mijn eigen schrijven. Zie mijn stukje over: “Redactie en doodschrijven” hierboven.

Levendiger maken

Ik heb in de afgelopen jaren een andere aanpak gevonden. Die ziet er zo uit:

  1. Doelstellingen scherp stellen — Ik zet eerst voor mezelf op een rijtje wat ik wil met dit verhaal.
  2. Inhoud scherp stellen — Ik wil weten waarover ik schrijf. “Wie is wie? Waarom doet hij/zij dat wel of niet? Welke elementen spelen een rol in die wereld? Waarom? Waarom andere dingen niet? Of ook?” En ook: “klopt dit wel? Klopt dit wel in verband met andere zaken in het verhaal?” [1]
  3. Nog wilder, nog mooier, nog extremer — Ik ga kijken of ik de boel (binnen bepaalde grenzen) nog verder naar de rand kan duwen. “Haal ik het meeste uit deze scene, in dit moment van dit verhaal? Kan het scherper? Mooier? Wilder? Extremer? Meer verstild?”
  4. Resonantie — Resoneert het? Emotioneel? Voel ik wat hier gaande is? Niet? Kan ik dit stuk zo herschrijven dat dat wel gebeurt?
  5. Vertrouwen in wat er staat — Als mijn eerste draft staat, is dat meestal (in ruwe vorm) het verhaal dat ik wil vertellen. Het kan zijn dat er nog wat kleine aanpassingen gebeuren, maar dat verhaal is wel het verhaal. Als die ruwe schets (totaal) niet werkt, ligt dat vaak aan de manier waarop ik het op dat moment geschreven heb, of de manier waarop ik dat moment weergeef.
  6. Terug in de koelkast — En soms is het idee en het (mogelijke) verhaal gewoon nog niet rijp genoeg en moet ik het later nog een keer proberen en niet nu. Dat verhaal gaat terug naar de koelkast. Het is waarschijnlijk nog zo rauw dat het herschreven moet worden.
  7. Schrappen — Sommige stukken in mijn verhaal waren leuk, of leken belangrijk toen ik ze schreef, maar voegen na afronding van dat verhaal niets (meer) toe aan dat verhaal. En kunnen dus worden weggesmeten. (“Kill your darlings”)
  8. Herschrijven — Sommige stukken moeten opnieuw. Regel na regel. Niet zozeer inhoudelijk (uitzonderingen daargelaten) maar in de manier waarop het gepresenteerd wordt. “Van ‘afstandelijk en beschrijvend’ naar ‘op de huid van het personage'” bijvoorbeeld.
  9. Veranderen van volgorde om de impact te vergroten — Soms komt een stuk harder, beter, effectiever aan als bepaalde informatie eerder, of pas later wordt gegeven. Dit kan een volledig hoofdstuk zijn, een paragraaf, of een scene.

[1]

Soms zijn mijn karakterschetsen en mijn lijstjes met achtergrondgegevens even omvangrijk als (en soms zelf groter dan) het verhaal zelf.

Research is daar verder een (belangrijk) onderdeel van. Veel googlen als dat nodig is en zorgen dat ik (goed genoeg) snap waar ik het over heb om niet al te dom over te komen als iemand een expert is op dat vlak.

Impact? Emotionele resonantie?

De impact van- en binnen een verhaal is in mijn geval: “de emoties die overblijven”.  Nadat de lezer een stuk- of een verhaal gelezen heeft bijvoorbeeld.

De emotionele resonantie binnen een verhaal is in mijn aanpak: “De emoties die loskomen tijdens het lezen van dat specifieke stuk”. Nagel ik je aan je stoel? Voel je (en ikzelf, tijdens het lezen en redigeren) het verdriet of de vreugde van dat personage?

Die emotionele resonantie is heel lastig te vatten. Net als bij muziek heeft die emotie een opbouw, is het een resultaat van een combinatie van “klanken”. Het is heel erg voelen als schrijver, om dat punt te pakken. En heel veel schrappen van zinnen die teveel sturend zijn.

“Ze is blij/verdrietig. Het was heel erg eng/heel erg erg/heel erg leuk.” Voel ik dit? Nee? Herschrijven die hap. En dan: bijschaven. Herlezen. Voelen. Bijschaven. Herlezen. Voelen. Net zo lang tot het (bij mij) gaat resoneren. En ik bij herlezing weken later spontaan tranen voel opkomen, of blijdschap. Of woede. Of angst. Of een “Fuck! Dit werkt!”.

Vertrouwen in wat er staat

Ik heb in 2012 een stelling ingenomen: “Er bestaat niet zoiets als ‘een slecht idee’. Het probleem ligt vaak bij de uitwerking.”

Als een idee niet werkt, ligt dat vaak niet aan dat idee zelf, maar aan de manier waarop dat is uitgewerkt. Om een heel lang verhaal kort te houden:

  1. Slechte research — Het idee kan best goed zijn, of goed werken, maar de schrijver heeft geen research gedaan. En daardoor klopt er geen zak van de uitwerking van dat idee. Ongeloofwaardige gebeurtenissen en plotgaten als gevolg.
  2. Luie uitwerking — De research kan best OK zijn, maar de uitwerking van het idee zelf is lui. Bijvoorbeeld door het volgen van al gebaande paden, of de keuze van oninteressante momenten en oninteressante personages
  3. Armzalige karakterisering — De personages doen van alles, maar zijn zo armzalig neergezet, dat ik –als lezer– geen binding met ze kan krijgen. Reacties die teveel over de top zijn, of te klungelig, of te geforceerd of juist totaal plat en afwezig. Alsof je naar een toneelstuk aan het kijken bent met acteurs die maar wat aan het rondkloten zijn.
  4. Te weinig samenhang/geratel — De scenes kunnen op zich goed zijn, maar ik kan als lezer de weg kwijtraken. “Waarom is dit stuk belangrijk voor het verhaal? Want ik zie het niet”. En soms kan een (stuk van dat) verhaal letterlijk bestaan uit het geratel van de schrijver.
  5. Teveel willen / gebrek aan focus — Soms bevat één verhaal teveel lijnen, zonder een duidelijke hoofdlijn te hebben. Het gaat over van alles, maar het is onduidelijk wat nu echt het kernpunt is van het verhaal. Waarvan geen enkele lijn geheel tot z’n recht komt. Dit komt bijvoorbeeld als de schrijver teveel wilt vertellen in één verhaal, en/of als de schrijver een gebrek aan focus heeft, bijvoorbeeld.
  6. Angst voor de lezer/risicomijdend schrijfgedrag — Een van de slechtste raadgevers bij het schrijven is “de fictieve lezer”. Fuck die fictieve lezer. Schrijf wat je wilt schrijven. Neem risico.

En hoe fix je dit soort problemen? Zie het begin van deze blogpost.

Uitgevers en pareltjes en bagger-werk — ruw beeld

[Dit is mijn hele ruwe beeld over het uitgeversgebeuren. Ik kan er naast zitten. Mede omdat ik niet direct in die wereld zit of zat, en alleen een paar verhalen ken]

Het vak zelf is sinds de jaren ’80 veranderd. Van redelijk “idealistische” instellingen waarbij het boek en de schrijver belangrijker waren (simplistisch gesteld) dan de winst, heeft een verschuiving plaatsgevonden naar de commercie.
De uitgeverij is veel meer een bedrijf geworden.

Dit heeft consequenties gehad die o.a. heel zichtbaar zijn geworden voor schrijvers zelf. Maar ook voor series. “Als het niet verkoopt, gaan we niet door” inplaats van: “we geloven in deze serie en gaan door, zelfs als de verkopen tegenvallen”.

Zilverbron/zilverspoor

Zilverspoor / Zilverbron heeft aan de ene kant een hele slimme zet gedaan: hun Zilverbron-fonds wordt geheel gefinancierd door de schrijvers zelf, waardoor de uitgeverij omzet kan halen met het uitgeven van genre-boeken die anders niet mogelijk is.
Dit is enorm knap. En het valse deel van mijzelf kan daar hele valse dingen over zeggen, maar zakelijk gezien heeft de uitgeverij het beste gedaan wat het had kunnen doen binnen dit kader.

Vervuller van wensdroom

Ik zie Zilverbron als een vervuller van een wensdroom: uitgegeven worden bij een uitgever. Het beloont de schrijver met een boek.
En zoals gezegd: het is aan de SCHRIJVER om te bepalen of de prijs voor die beloning (2000 euro, je eigen boek in druk) het dat waard is. En voor velen is dat zo.

De consequenties (meer dan het gevaar) zijn de volgende:

  1. Positief: Er verschijnen veel meer genreboeken van eigen bodem
    Negatief: Veel daarvan zou eigenlijk nog een aantal stevige herschrijf-rondes moeten krijgen.
  2. Positief: Veel schrijvers zien hun wens vervuld worden (uitgegeven worden!)
  3. Negatief: Er komt zoveel genrewerk van middelmatige kwaliteit op de markt dat er een soort keuze-blindheid ontstaat
  4. Negatief: de uitgeverijen die minder boeken uitgeven (en mogelijk van betere kwaliteit) moeten meer moeite doen om _hun_ werk onder de aandacht te brengen. (Ze brengen één van vele titels uit dat jaar)

Uitdaging en onderscheid

Het is de uitdaging voor die uitgevers om zich te onderscheiden met schrijvers die op de één of andere manier met kop en schouders boven de anderen uitsteken.
(Wie dat bepaalt — en waar je die schrijvers gaat vinden — is nog even een andere uitdaging)

Het is daarin ook een enorme uitdaging om de productie constant te houden. Als je als uitgever per jaar één boek uitbrengt, bouw je niet echt een publiek op. Of heel langzaam.
Meer boeken, meer schrijvers is ook meer kans om op het netvlies te komen bij de lezer.

Ik denk dat uitgevers zich bewust zijn van hun merk en hun positie. “Wie ben ik? Wat geef ik uit? Voor wie is dat?”
Quasis is daarin anders dan Macc of Celtica of Zilverbron/Zilverspoor of Verschijnsel

Fonds, schrijvers, kwaliteit

Zover ik begrijp (uit gesprekken) is het grootste probleem:

  1. Om een stevig fonds op te bouwen (goede schrijvers, sterke verhalen) heb je een minimaal aantal schrijvers nodig (zeg: minstens 5 goeie schrijvers met de hoop te groeien naar 10)
  2. Er zijn maar heel weinig genre-schrijvers in Nederland die nu, op dit moment, werk kunnen leveren van een hoge kwaliteit.
  3. Deze schrijvers zijn niet allemaal even productief (lees: schrijft niet minstens één boek per twee/drie jaar)
  4. Deze schrijvers zijn niet altijd bereid om mee te werken (andere plannen, geen match met de uitgeverij)
  5. Deze schrijvers schrijven niet altijd werk dat bij een groot publiek aansluit. Soms kan dat werk zelfs ondoorgrondelijk zijn voor veel lezers. Het soort “Topschrijver, maar toch onleesbaar werk en eigenlijk bagger van zeer hoog literair niveau”

Golden age

Wat ik begrijp uit o.a. de verhalen over de “golden age” in de US hebben een aantal factoren daar een rol gespeeld tot de groei en bloei van het genre:

  1. Er was een markt en er was geld (voldoende om schrijvers het equivilent van 1 euro per geschreven woord te betalen, zodat je met een verhaal van 2000 woorden je maandlasten kon betalen)
  2. Er was een betalend platform voor korte verhalen (waardoor schrijvers zich konden ontwikkelen)
  3. Er was / kwam een redacteur die zielsveel om het genre gaf, persoonlijk investeerde in de schrijvers en schrijvers doelbewust in een bepaalde richting duwde. (Campbell en later … ben ik vergeten)
  4. Er was een lezerspubliek, groot genoeg om uitgeverijen rendabel te maken (bestsellers van 100.000 stuks en meer per titel)

Schrijvers

Voor schrijvers was er (indirect en direct)

  1. Een podium waarop- en een kweekvijver waarin ze tot bloei konden komen
  2. Stimulans en begeleiding

In mijn optiek staan we in Nederland nu waar de Amerikaanse schrijvers en uitgevers ergens in 1920 stonden. We hebben iets van 200 genre-schrijvers die zo nu en dan iets insturen.

Een paar daarvan leveren werk van goede kwaliteit. (En zijn in overdrachtelijke zin de voorlopers zoals Jules-Vernes en H.G. Wells dat waren)

Er begint zich een markt te vormen waar je uitgegeven kan worden en waar je als schrijver kunt groeien.

Vrijwilligerswerk

Het enige belangrijke verschil is geld. Dat geld is er niet. Er is geen geld. Er is geen huidige afzetmarkt die groot genoeg is om schrijvers te betalen. Er is geen geld. Er is geen huidige afzetmarkt die groot genoeg is om… etcetera

Zonder dat geld en zonder die afzetmarkt kun je de meest mooie dingen verzinnen en willen, maar zonder dat geld blijft het hangen bij goede bedoelingen en een paar gekken die tegen alles in toch door blijven beuken.

Schrijven van genre-werk in Nederland is momenteel voornamelijk vrijwilligerswerk. Als er al een vergoeding is (vanuit de uitgever) dan is deze –zover ik de cijfers ken, en met een voorschot van 2500 euro– niet groot genoeg om een jaar van te leven.

Hoe bereiken we ons publiek?

Ik wil iets duidelijk stellen vanuit mijn kant. [In reactie op mijn eigen facebook-reacties in de draad waaruit deze tekst komt]

Ik wil heel graag dat er meer gaat komen voor schrijvers. Meer kansen, meer publiek, meer aandacht. Om die redenen heb ik o.a. donaties gedaan naar de Harland Award en de ‘Stichting voor bla bla bla’ en is er geld toegezegd naar Roelof Goudriaan voor betaling van schrijvers van WonderWaan, zodra de backlog online en/of en gratis e-pubs gepubliceerd gaat worden MET respect voor de schrijvers.

Ik kijk naar de markt op dit moment als eentje die in ontwikkeling is en net van de grond begint te komen. (Been there many times.) De regels die in dat moment gelden zijn anders dan de regels die gelden in een markt die al ontwikkeld IS.

Een markt die nog niet ontwikkeld is (lees: waarin je als bedrijf nog geen winst kunt maken en voornamelijk aan het investeren bent) vereist moed en doorzettingsvermogen en een stuk financiële steun die NIET uit die (potentiële) markt voortkomt maar onder andere van donateurs, sponsors, vrienden, familie en de eigen partner (bijvoorbeeld: “doe jij jouw ding EN hou het huis schoon en de koelkast vol, ik verdien het geld wel om de huur en het gas/water/licht en de boodschappen te betalen”)

De kans van falen (lees: de kans dat je niet voldoende omzet haalt om je bedrijf levensvatbaar te maken zonder externe steun) is groot.

Welnu:
We kennen inmiddels het truukje: “Hoe druk ik een mooi boek?”

De grootste focus nu zou moeten zijn: “Hoe bereiken we ons publiek?” En dan niet die 500 die nu voor een mooie break-even zorgt, maar die 5000 die zorgt dat we kunnen groeien.

Mijn grootste zorg nu is dat we regels hanteren die bij een ontwikkelde markt horen. “Betaal de schrijvers. Geen gratis content.” etcetera.
Dit is echter een doodlopende steeg. Je kunt niet oogsten zonder te zaaien.

Hoe ga je in dat nieuwe / onontgonnen marktgebied doorbreken? Wat is je verwachting qua markt-omvang? Hoeveel potentiële klanten denk je dat er zijn?

Zilverbron heeft daarin –vanuit hun zakelijke kant– een hele duidelijke stelling genomen: “We verwachten dat die markt er niet is, dus gaan we zelf geen risico nemen.” Daarom betalen de schrijvers zelf. Een hele gezonde en praktische keuze wat mij betreft. En in z’n eigen recht prima en vanuit andere standpunten (die allemaal ook hier besproken zijn) wat cynisch en ook niet echt leuk.
Waar is de expansie-drift naar de markt?

“Als je schrijvers betaalt, MOET je wel aan je promotie werken”

Er werd in de facebook-draad [waaruit dit komt] opgemerkt dat als je in je schrijvers investeren, je wel MOET werken aan de ontwikkeling van je markt (mijn woorden).

Dit is een foute en omgedraaide redenering.

Als uitgever maak je een zakelijk plan. Dat plan is gebaseerd op wat je denkt te weten van de markt.
Als die markt positief is (er zijn kopers, er kan winst worden gemaakt binnen X-jaar tijd) dan ga je op zoek naar investeerders. Zodat je geld hebt.

Met dat geld betaal je je mensen (inclusief je schrijvers en je markering/PR mensen). Vervolgens ga je aan de slag om je targets te halen. (Omzet)

Elk jaar check je (etcetera)

Als die markt negatief is (er zijn te weinig kopers om winst te maken) ga je afwegingen maken. “Wat doe ik wel? Wat wil ik niet?”

“Ga ik mijn schrijvers betalen?” “Ga ik investeren in marketing?” “Waar doe ik dat?” “Hoe ga ik het geld verdienen voor de investeringen die nodig zijn?” En zo voorts.

Als het niet je intentie is om tijd en moeite te steken in je schrijvers of je fonds (een truukje dat ik o.a zag bij L.S.), dan blijkt dat vanzelf. “Beste schrijver, ik wil dat JIJ je promotie gaat doen” is één van die signalen dat een uitgever eigenlijk te lui of te cheap-ass is om zelf te investeren in de marketing, promotie en groei van dat fonds.

Klein fonds

Voor een kleine uitgever in een negatieve markt zou ik kiezen voor:

  1. Focus op bereik en kwaliteit. “Zoveel mogelijk lezers bereiken met retegoeie content”
  2. Betaling van mijn schrijvers. (1 cent per woord om mee te beginnen)
  3. Geld binnenhalen via andere kanalen (o.a. sponsors en werk uit goedbetalende andersoortige arbeid)

De content die ik zou bieden zou een deel gratis zijn (promotie – een discussie die we al eerder hebben gehad) en die promotie-content zou ik gebruiken om de boeken te pluggen. “DEZE SCHRIJVER HEEFT OOK EEN PRACHT-BOEK! KOOP HET NU!” en: “ALLE 15 VERHALEN VAN DIT KWARTAAL GEBUNDELD ALS EBOOK! VOOR MAAR 10 EURO! STEUN ONS! KOOP HET NU!”

Kwaliteit zou #1 zijn. Geen bagger. Sterke content. Goed geredigeerd.

Succes zou ik meten op page-views. “Haal ik de 300 views per dag?” “Zien we effecten van online campagnes?”

Promotie van werk van eigen bodem: de favorieten van-

Ik denk dat een “de favorieten van..” zou kunnen werken (zoals eerder gezegd). “De 20 meest favoriete boeken van [X] in 2015”. Als ik op facebook al vind dat je met goede argementen komt, kan ik in je favorietenlijstje bijvoorbeeld zien welke boeken je graag gelezen hebt (met referenties als “X was met haar vorige boek al goed op dreef, maar dit boek gaat weer een stap verder”_. Wat mij weer kan aanzetten om het werk van X te gaan zoeken en lezen.

Zoals dit: buzzfeeds beste SF boeken van 2015.

Ik ben heel nieuwsgierig naar leeslijsten van Jan VantEnt en Paul van Leeuwenkamp en en Roelof Goudriaan en Jos Lexmond en andere lezers die ook recenseren (of gerecenseerd hebben). En niet zozeer recensies, maar meer: “deze schrijvers en deze boeken van eigen bodem vond ik de moeite waard. En wel om deze redenen” En wellicht ook: “Deze schrijvers MOET je ECHT lezen”

 

“Waarom is dit relevant?” Over personages, hun motivaties en de lezer

Ik vergelijk in dit kader het verloop van een verhaal in mijn hoofd vaak met een auto-ritje, waarbij de schrijver de bestuurder is en de lezer de passagier.

Modellen die ik gebruik

  1. Belofte en vervulling van die belofte — Waar gaat dit verhaal naartoe? Wat wil de hoofdpersoon? Wat kunnen we als lezer verwachten?
  2. Motivatie en conflict — Wat wil het personage? Wat is daarvan niet mogelijk? Niet acceptabel voor de omgeving? Wat wordt tegengewerkt? Welke drijfveren heeft de hoofdpersoon? Welke daarvan botsen met de dingen die door de buitenwereld worden verwacht van dat personage?
  3. Waarden — Vanuit welke waarden werken de personages? Welke waarden liggen er onder die drijfveren?
  4. Rode draad — Wat is door het hele verhaal de leidraad? De kern? Het thema dat terug blijft keren?

Ik splits een aantal van die modellen uit in sub-modellen. Omdat ik daarmee meer antwoorden krijg. Voor elke nieuwe omgeving werk ik opnieuw die lijst uit.

Reden?

Mijn werelden en mijn personages wijken vaak van gebaande paden af. Het ligt voor mij heel vaak niet echt voor de hand waarom ze een bepaalde handeling juist wel of niet plegen.

Zonder na te denken over het “waarom?” blijven die personages vaak oppervlakkig. Deze modellen (hoewel “uitgebreid”) helpen me om op verschillende manieren naar die personages te kijken en met vrij simpele vragen antwoorden te vinden waarmee ik scenes vaak van “meh” naar “Fukkerdefuck. Dat was intens” kan tillen.

 

Verveling en doelstelling

Verveling slaat vaak toe als ik geen flauw idee heb van waar we naartoe gaan. “Waar gaan we naartoe? We zijn nu al drie uur onderweg. Zijn we er al? Waarom zijn we in Belgie?”

“We gaan naar Parijs.”

“OK. Waarom zijn we met de auto?”

“Omdat dat uiteindelijk sneller is dan het vliegtuig of de TGV. We moeten in een buitenwijk zijn.”

“OK. Waarom nemen we deze stomme afslagen?”

“Omdat er een file is.”

“OK. Maar waarom stoppen we elke 30 minuten bij een tankstation?”

“Omdat ik zwanger ben en ik geen zin heb om in mijn broek te pissen.”

“OK.”

 

Belofte, vervulling van die belofte

Het overkoepelende model dat ik bij het schrijven gebruik is dat van “Promise & delivery”. Ik maak aan het begin een belofte. Gedurende het verhaal vervul ik die. Of niet.

Ik moet op een gegeven moment weten wat die belofte is. Wat ga ik je bieden? Waar gaan we uitkomen? En ik moet weten waarom zowel de belofte als de uitkomst van die belofte relevant zijn.

De MANIER WAAROP ik die belofte vervul, is wat mijn verhaal mijn verhaal maakt.

De helderheid waarmee ik zelf kan antwoorden wat die belofte en de vervulling is, maakt voor een groot deel of mijn verhaal meer wordt dan een aaneenschakeling van gebeurtenissen.

Vertrouwen: samen op reis

Eén manier waarop ik de band tussen lezer (jij) en schrijver (ik) zie is die van vertrouwen. Jij: de lezer, gaat samen met mij op reis. Een reis die ik georganiseerd heb.

Belofte, vervulling, obstakel, bijstelling, hernieuwde belofte, vervulling,

In het bovenstaande voorbeeld (“We gaan naar Parijs”) is –naast dat vertrouwen– sprake van een belofte, die niet zomaar wordt ingevuld. En niet zomaar met de meest voordehandliggende oplossingen — voor de passagier. “Waarom stoppen we zo vaak? Waarom gaan we niet met de TGV?” en zo voorts.

Elke keer als ik als schrijver een nieuw obstakel opwerpt, of afwijkt van de route, is het binnen mijn model –dat ik steeds strakker probeer toe te passen– belangrijk dat de lezer (nog steeds) het gevoel heeft dat dit een reden heeft die samenhangt met het doel.

“Waarom wijken we af?” “Omdat er een file is.”

Ik wil dat die zijsporen relevant zijn. Van toegevoegde waarde zijn. En dat voor de lezer elk van die zijsporen iets toevoegt dat past bij de totaalbeleving. En dat alleen datgene getoond wordt wat toevoegt.

“We gaan naar Parijs” is de belofte. “Er is een file” is een obstakel. “We gaan nu een B-weg op” is een zijspoor. “We stoppen bij een tankstation” is een onderbreking.

Motivatie en conflict: het personage en de lezer

Wat voor het personage HEEL BELANGRIJK is, kan voor de lezer in eerste instantie totaal niet relevant zijn.

“Waarom zou me dit boeien? Waarom zou ik dit lezen?”

Een van de meest eenvoudige middelen om hier antwoord op te geven is via conflict. Dit conflict is niet “een schreeuwende ruzie”, maar iets dat spanning veroorzaakt tussen “wat zou moeten zijn / zou moeten gebeuren” en wat in werkelijkheid door een personage wordt uitgevoerd.

Een simpel model: Nurture, Nature & Culture

“Nurture” is in dit model: “Datgene wat een persoon vanuit zijn of haar opvoeding meekrijgt”. Die opvoeding is in de breedste zin van het woord.

“Nature” is in dit model: “Datgene wat een persoon inwendig motiveert”. Natuurlijke drijfveren. Regels en meningen die vanuit de persoon zelf komen.

“Culture” is in dit model: “Datgene wat het personage omringt”. Die cultuur kan heel dwingend zijn, maar ook nauwelijks zichtbaar zijn.

Onderwerp, Nurture, Nature, Culture & Conflict

Dit (voor mij nieuwe model) werkt als volgt (in bold de conflicten):

Onderwerp: Vrijheid

Nature: Mijn hoofdpersoon wil vrij zijn. In elke mogelijke vorm.

Nurture: Haar sturende omgeving en haar opvoeding is gericht op gehoorzaamheid. Vrijheid is toegestaan, maar binnen zeer beperkte kaders. Waaronder een soort “bargevechten” die oogluikend worden toegestaan.

Culture: Vrijheid is relatief. De meeste mensen voelen zich vrij in de omgeving waarin ze leven. Niet iedereen wordt opgevoed zoals dit personage. Veel mensen snappen haar probleem niet en voelen zich vrij.

Conflicten:

  1. Tussen haarzelf en haar directe omgeving (moeder, meesters)
  2. Tussen haarzelf en de mensen in die cultuur. Haar eigen gevoel van gevangenschap wordt niet gedeeld. Ze is onbegrepen.

Dit is een simpel voorbeeld en het begin van de volgende stap: drijfveren.

Interne en externe drijfveren, conflict

Een persoon wordt –in de modellen die ik gebruik– gedreven door twee verschillende drijfveren:

  1. Intern — De dingen die een persoon zelf wil
  2. Extern — De dingen die door de omgeving van dat personage veroorzaakt of verwacht worden en waaraan dat personage zich (mogelijk en ofwel) verbonden heeft of niet meer uit kan onttrekken.

Een drijfveer is sterker dan “gewoon maar iets willen”. Een drijfveer zet een persoon in beweging. Een drijfveer zorgt dat plannen ook werkelijk uitgevoerd worden. En ook drijfveren kunnen botsen.

In mijn geval:

  1. Interne drijfveer: “Ik wil vrij zijn”
  2. Externe drijfveer: “Ik moet het bedrijf van mijn moeder voortzetten”
  3. Conflict: “Als ik mezelf vrijmaak, zal het bedrijf mogelijk kapot gaan.”

Nut en verschil

Diepte: Wat uit het “Nature, Nurture, Culture” model komt is voornamelijk handig om het personage diepte te geven. Hoe reageert hij/zij op bepaalde gesprekken en situaties? Wat maakt hem of haar herkenbaar en zelfs uitzonderlijk in de ervaring van de lezer? Waarom is dat personage meer dan een instrument? Meer dan een pop die maar wat door de schrijver wordt rondgeduwd? Waar is de weerstand? Waar ligt de passie?

Verscherping van het conflict: Dat model helpt verder als instrument om het conflict, dat uit de interne en externe drijfveren kan voortkomen, scherper te stellen. Doordat we het personage ook op andere vlakken beter leren kennen, gaan we beter begrijpen waarom de eigen belangen in dit conflict zo relevant zijn voor dat personage.

Oorzaak van primair conflict: Een botsing tussen de Interne en Externe drijfveren helpen (zoals gezegd) om de oorzaak van het primaire conflict duidelijk te stellen. “Waarom doe je dit?” kan uit dit model een goed antwoord krijgen.

Externe drijfveren?

Een paar voorbeelden:

  1. Er is een oorlog gaande. De hoofdpersoon wordt meegesleept.
  2. De hoofdpersoon is alles kwijtgeraakt en moet een deel weer terugvinden om te overleven.
  3. De omgeving is van mening dat je alleen van waarde bent als je X of Y bent of doet. De hoofdpersoon gaat daarin mee.
  4. De omgeving dwingt een bepaald gedrag af, omdat niet-conformeren nare consequenties kan hebben.

Interne drijfveren?

Vier voorbeelden:

  1. Het personage wil (koste wat kost) zelf vrij zijn
  2. Het personage wil graag iemand anders dienen.
  3. Het personage wil koste wat koste een heel specifiek eigen doel bereiken.
  4. Het personage wil eigenlijk met rust gelaten worden.