De Harland Award, 2017

Samenvatting

Wat ik vanaf 2017 hoop te zien is een jaargang (en een start) waarin de organisatie van de Harland Award — onder die zeer specifieke naamvlag van Paul Harland — een standpunt gaat nemen met betrekking tot kwaliteits- en verhaalverwachtingen. Een standpunt dat –vanwege die naamkeuze “Harland Awards”– past bij het karakter van Paul Harland als specifiek persoon én als drager van specifieke vaandels én als criticus binnen het genre.

Ik hoop verder dat de selecteurs, de juryleden en hun criteria véél eerder bekend gemaakt gaan worden, zodat ik als schrijver (waar ik dat zou willen) rekening kan houden hun adviezen en selectiecriteria.

Hier een paar voorstellen voor de 2017-editie.

1: Handel ‘in de geest van’ of (advies:) kies een andere naam

Zou Paul zich de afgelopen jaren hebben omgewenteld? In zijn graf? Waarschijnlijk wel.

Paul was een kritisch lezer en een kritisch schrijver. Hij was fel in het voordeel van verhalen waarin bezieling was te lezen, verhalen waaruit —bij voorkeur— een unieke (en wilde) verbeeldingskracht sprak, verhalen waarin de platgetreden paden hard werden gemeden. Verhalen die iets nieuws brachten. Verhalen waarin grenzen werden opgezocht, regels werden gebroken.

Paul had de neiging de schrijvers die op de veilige paden wandelden, het soort schrijvers dat kritiekloos andermans werk na-aapten, de schrijvers die nooit verder kwamen dan zwakke imitaties van al even zwakke schrijvers, of waarvan het werk uit herkauwd gras of flauwe, kleurloze pap bestond, genadeloos af te branden.

 

Met andere woorden:

Als je een wedstrijd naar een specifieke schrijver vernoemt, eer dan ook (eindelijke eens) zijn standpunten. Of kies (zou ik als optie 2 willen voorstellen) een andere naam voor je wedstrijd.

De Harland Award kan hierin volgens mij het volgende doen:

  1. Zoek uit waar Paul Harland voor stond.
    1. Praat bijvoorbeeld specifiek met Paul Evenblij als het gaat om de inhoudelijke aspecten van schrijven en kritiek. (Kan zijn dat het Paul geen fuck interesseert, wat de HA doet, maar dat is een volgende halte)
    2. Lees of herlees Paul Harlands polemieken en recensies in de edities van: “Fantastische Vertellingen” uit de jaren ’80 en ’90 (uitgegeven door Remco Meisner en vast nog wel te verkrijgen). Analyseer zijn standpunten.
  2. Weerspiegel die standpunten in een lijst met verwachtingen of criteria.

 

2: Verwoordt dat in een statement

Voor mijn gevoel staat de Harland Award momenteel voornamelijk voor: “de winnaar van de Harland Award is schrijver met dat verhaal dat de meeste punten heeft gekregen”. Iets waarover ik al eerder schreef en waarin ik geen persoonlijkheid, kleur, of visie proef. (Zie ook: “Paul en zijn graf” hierboven.)

Ik kom nergens op de site enig inzicht tegen in de concrete verwachtingen van de organisatie naar de deelnemers, behalve globale zaken als: “schrijf een goed leesbaar en boeiend verhaal”, “stuur op tijd in”, “dit en dat verwachten de voorselecteurs en juryleden van een verhaal” en “zo moet je document worden opgemaakt”.

Dus.

 

Hoe zou een “Paul Harland specifiek” wedstrijd-statement er uit kunnen zien?

Hier een voorbeeld op basis van mijn visie op Paul Harland, omdat je ergesn moet beginnen:

De Harland Award beloont met name die verhalen:

  1. Die onmiskenbaar genre-verhalen zijn (SF, Fantasy, Horror, steampunk, cyberpunk, etc).
  2. Die inhoudelijk goed in elkaar steken, onder andere door een solide samenhang van gebeurtenissen in dat verhaal en geloofwaardige handelingen van personages binnen de verhaalwereld.
  3. Waarin de schrijver bovengemiddelde lef toont in zijn of haar schrijven, bijvoorbeeld door controversiële onderwerpen aan te snijden, tegendraadse standpunten in te nemen.
  4. Waarin de schrijver een bovengemiddelde flair en een bovengemiddelde verbeeldingskracht toont in zijn of haar schrijven, bijvoorbeeld door:
    1. Extravagante werelden en/of locaties
    2. Ongewone personages
    3. Ongewone situaties
  5. Waarin een uitzonderlijk inzicht wordt getoond in de brede variëteit van motivaties in het “waarom” van het menselijk handelen.
  6. Die positief staan tegenover homosexualiteit, bi-sexualiteit, a-sexualiteit, polyamorie en een positieve benadering hebben met betrekking tot gender-issues en aanverwante zaken.

 

3: Drop wedstrijd-doelstelling 3: “de schrijver helpen zich te ontwikkelen”

Een wedstrijd is geen groeiversneller voor een schrijver. Een wedstrijd is geen workshop.

Hoe goed bedoeld het ook is, een wedstrijd zoals de Harland Award is te traag (in de beoordeling van verhalen en met een frequentie van één wedstrijd per jaar) om voor een gemiddelde schrijver echt zoden aan de dijk te zetten in een (snelle) persoonlijke ontwikkeling.

Uiteraard is het prima om “de ontwikkeling van de schrijver” als doel te hebben van de organisatie. Maar plaats het dan op dat niveau en ondersteun het door o.a. schrijfboeken aan te bevelen, workshops en workshop-mogelijkheden te noemen van schrijvers als Thomas Olde Heuvelt, Tais Teng en handleidingen te geven in het organiseren van schrijfgroepjes en door facilitaire sessies te doen op de Harland Dag zelf, waarin schrijvers bijvoorbeeld praktische oefeningen doen in samenwerken om samen beter te worden voor de volgende ronde van de Harland Award.

 

4: Verander het concept van selectierondes

Bij Edge.Zero kwam één ding zeer duidelijk naar voren:

  1. Meer beoordelaars zorgt voor een betere balans in de selectie. We hadden o.a. beoordelaars die consistent bepaalde genres of bepaalde type verhalen lage punten gaven en andere genres en verhaaltypes consistent hoog lieten scoren, ongeacht de kwaliteit van het verhaal. Dit soort subjectieve voorkeuren was voor mij totaal onverwacht ( “We hadden toch redelijk objectieve criteria?”), is in mijn optiek geen harde fout en een onvermijdelijke feature van juryleden. Omhels het, gebruik het en doe dat op verstandige wijze. Ook in de keuze van de jury.

 

Hoe zou dat volgens mij gedaan kunnen worden?

Dit is slechts één mogelijke insteek:

  1. Laat alle juryleden alle verhalen lezen – Je voorkomt hiermee “ronde-bias” waarin verhalen soms “onterecht” niet doorgaan naar een volgende ronde (bijvoorbeeld door zeer persoonlijke voorkeuren van twee of drie juryleden in een bepaalde ronde, of specifieke en beperkende criteria waardoor bijvoorbeeld voornamelijk het soort verhalen met een specifiek soort opbouw of insteek doorgaan naar een volgende ronde).
  2. Doe geen rondes, maar gebruik twee “beoordelings-bakjes” – en laat elk jurylid op zijn en haar manier alle verhalen doorgaan. Dit kan er als volgt uitzien:
    1. “Bakje één” – Dit zijn de verhalen, die volgens dat jurylid bijvoorbeeld niet voldoen aan de specifieke eisen van de wedstrijd. Deze verhalen mogen deels ongelezen blijven.
    2. “Bakje twee” – Dit zijn de verhalen die volgens dat jurylid wél voldoen aan de eisen van de wedstrijd. Deze worden geheel gelezen.
  3. Gebruik een vast stramien in de beoordeling van elk verhaal – Bijvoorbeeld die van de literaire analyse (of “verhaalanalyse”). (zie hier voor een voorbeeld).
    1. Denk aan scores op goed gebruik van: vertelsperspectieven, samenhang en verband, spanning, thema, motief, motto, stijl.
    2. Aanvullend voor SF, Fantasy en Horror passen daar ook bij: wereldbouw en geloofwaardigheid.
    3. En even relevant: motivatie (van handelingen), plot en verhaalbeleving.
  4. Dwing geen specifiek soort verhaal af – Er zijn in het verleden in wedstrijden meningen geweest van juryleden en andere sujetten dat een verhaal op een bepaalde manier geschreven zou moeten worden. Bijvoorbeeld: “gebruik niet meer dan één vertelperspectief” en “begin meteen met de actie”. Die criteria zijn vooral onzin als je streeft naar een brede reeks van inzendingen.
  5. Gebruik een puntensysteem per criteria waarop je kunt wegen – Bij Edge.Zero maakten we gebruik van drie opties: “Voldoet volgens mij niet”, “Voldoet volgens mij bijna”, “Voldoet volgens mij wel” op basale technische criteria als “plot” en “ontwikkeling van het personage”. Dit gaf per beoordelaar, per verhaal en per criterium een goede doorsnede van de meningen en ervaringen per lezer en per verhaal een score waarop we konden sorteren en filteren. Wat bij ons ontbrak was een korte motivatie per verhaal, per beoordelaar. “Waarom gaf je deze (lage) score?”
  6. Zet een minimaal leesquotum voor “bakje twee” — In het geval van de Harland Award zijn dat er bijvoorbeeld 25: de 25 (volgens die jury) beste verhalen die mogelijk in aanmerking komen voor een prijs.
  7. Distilleer je prijswinnaars – Met een goed systeem is het relatief eenvoudig om uit die eindlijst een eind-top te bepalen. “Wie wint?”
  8. Schrijf voornamelijk jurybesprekingen voor “bakje twee” – Die bovenlaag zit wel goed. Die snapt waarschijnlijk inmiddels wel hoe je een verhaal schrijft dat kop en staart heeft.
    1. Verdeel al de verhalen gelijkmatig over je juryleden.
    2. Laat per verhaal twee of drie juryliden kort feedback geven over de scores die hij/zij heeft gegeven. Per criteria. Hoe lager het verhaal scoort, hoe belangrijker de feedback is als leerpunten voor de persoonlijke groei van die schrijver.

Met de tijd die HA inboekt voor de beoordeling, mag dit geen problemen geven. En door de besprekingen (Als dat systeem gebruikt zou worden — niet iedereen werkt hetzelfde immers) over de groep te verdelen beperk je ook de werklast per jurylid.

In 3 zinnen samenvatten “waarom ik je een lage score op deze drie punten gaf” is redelijk snel te doen als de beoordeling al gegeven is in de vorm van punten. Aanzienlijk sneller dan een recensie (of sorts) per verhaal te schrijven is mijn persoonlijke ervaring met Edge.Zero — waarin we criteria gebruiken — en is mijn ervaring met wedstrijden als Trek Sagae en de Milleniumprijs waarin je per verhaal inhoudelijke feedback probeert te geven in een zelf-verzonnen structuur.

 

5: Wees niet bang voor die techniek, of: “Maar het is kunst!”

De Harland Awards voor korte verhalen is geen avantgardische bedoening waarin juist het breken van de regels de kern van de wedstrijd is.

“Staat dit huis onbedoeld scheef?” is een valide manier van meten binnen de doelstellingen van de wedstrijd en een valide eerste stap om de kwaliteit van een verhaal te beoordelen.

 

6: Balanceer het met subjectieve meningen

Techniek alleen maakt geen goed, mooi, meeslepend verhaal.

“Vind ik dit huis mooi? Uitdagend? Uitnodigend? Afstotend/bevreemdend/betoverend genoeg?” is daarom die tweede stap, die andere 50% van de beoordeling.

 

7: Zorg voor een goede follow-up

Je wedstrijd is afgelopen? De winnaars bekend? Perfect. Stimuleer je schrijvers het volgende te doen:

  1. Redigeren die hap! – Wellicht niet direct iets dat de verantwoordelijkheid is van een wedstrijd, maar momenteel ontbreekt in mijn optiek een ‘call to action’ om een volgende stap te maken. Biedt instrumenten aan (referenties naar boeken over schrijven bijvoorbeeld)
  2. Insturen die hap! – Stimuleer je schrijvers om hun werk actief in te zenden naar bundels als Ganymedes en initiatieven als Edge.Zero, bladen als SF-Terra en WonderWaan.

 

8: Wees veel eerder met juryleden en introducties

Dit jaar las ik pas een paar weken voor de deadline wie zou gaan jureren, waar die juryleden op letten en wat hun voorkeuren zijn. Dit mag vroeger. Véél vroeger. Bijvoorbeeld een half jaar vantevoren.

Dit geeft me de tijd om mijn verhaal te herlezen op die factoren, bij te schaven waar ik denk dat het onvoldoende voldoet en fatsoenlijk af te ronden voor inzending.

Nu kreeg ik het gevoel dat dit allemaal erg last-minute was waardoor de criteria van de selecteurs en juryleden nauwelijks meer relevantie hadden in mijn proces.

 

Slot: is de feedback in juryrapporten (nog) zinvol?

De Harland Award juryrapporten zijn een erfenis. Uit de King-Kong Award-tijd.

De organisatie zou een enorme efficientieslag kunnen maken door juryleden géén feedback te laten schrijven op elk verhaal.

Zoals één iemand het de afgelopen maand op Facebook stelde: “Kies gewoon een winnaar en klaar.”

En: “Daarnaast leg je de nadruk opnieuw op verbeterpunten, schrijvers die tekort schieten, terwijl de strijd tussen de besten zou moeten gaan, vakmensen die het klappen van de zweep kennen en waarschijnlijk al die verbeterpuntjes al kennen maar onbewust, of waarschijnlijker bewust niet hebben toegepast. Je kunt geen prestigieuze wedstrijd organiseren als de beste kandidaten niet meedoen. Iedereen weet dat bij de paralympics iedereen keihard zijn best doet, maar uiteindelijk draait het om de Olympische Spelen. In Nederland worden op genreschrijfgebied voornamelijk paralympics georganiseerd, maar wie zijn handicaps heeft overwonnen, kan blijkbaar nergens terecht.”

Ding is: de Harland Award is een wedstrijd voor iedereen. Beginnend schrijver en gevorderde. Dit heeft een aantal aspecten:

  1. Kans op ontdekking — Van oudsher kijken minstens één of meerdere uitgevers mee met de wedstrijd. Wat wordt ingestuurd? Is dat interessant? Zou ik dat willen publiceren?
  2. Mogelijkheid tot het krijgen van inhoudelijk sterke feedback — Niet elke schrijver heeft (op dat moment) een schrijfgroep of geoefende schrijvers en lezers die exact de pijnpunten kunnen aanwijzen in een / het verhaal. De HA (en ook de andere wedstrijden) leveren deze dienst.

Dit heeft ook één belangrijke consequentie:

  1. Meer overhead — Voor jury en organisatie (schrijven van zinvolle feedback voor individuele verhalen is geen sinecure bijvoorbeeld, evenmin als het samenstellen van het eindrapport)

Dat de HA (of een andere wedstrijd) zich zou moeten focussen op de topschrijvers en/of (afhankelijk van wie die mening geeft) zich moet weerhouden van feedback naar deze schrijvers is in mijn optiek totaal voorbijgaan aan het nut en doel van dit soort wedstrijden.

Ja: dit zijn JUIST het soort wedstrijden waaraan ook de beginners en de mensen met een handicap mee kunnen doen.

Ja: dit is een essentiële talentenjacht voor hobbyisten en liefhebbers en schrijvers die van mening zijn dat er nog groei mogelijk is.

Wil je iets anders dan dat? Organiseer dan iets anders, met een andere insteek, maar laat de HA in dat opzicht zoals het is. Omdat het concept JUIST rete-waardevol is voor beginnende schrijvers, in een land waarin zo veel andere belangrijke faciliteiten voor die schrijvers (waaronder tijdschriften met een groot bereik, betaling voor je werk, een groeipad dat meer is dan: “hier is het diepe, spring er maar in. Als je aan de overkant komt zonder te verdrinken? Gefeliciteerd!”) simpelweg ontbreken.

Wil je alleen iets voor de toppers? Prima. De helft heeft inmiddels schijt aan wedstrijden, omdat het niets meer toevoegt. Als geheel zijn dat soort wedstrijden voor al voor de buitenwereld voornamelijk schouderklopjes binnen een zeer klein, nauw kringetje. Iets dat al snel naar elitair en incestueus masturbatiewerk gaat neigen.

JUIST dat nieuwe, frisse talent dat in wedstrijden als de Harland Award naar boven komt drijven, met onverwachte en vaak onbekende winnaars houdt de boel fris.

 

Edge.Zero

Ik ontkom er niet aan Edge.Zero ook hier te melden.

Edge.Zero (uit de koker van Mike Jansen en mij) komt dichter bij het: “geef aandacht aan de topschrijvers” concept. Het idee achter Edge.Zero is om dat hele gekut van wedstrijden met een vakjury zoveel mogelijk los te laten. Want eerlijk: voor mij als ouwe rot telt voornamelijk hoeveel lezers ik bereik. Meer is beter.

Edge.Zero volgt daarom veel meer de paden van een uitgever met een magazine, met de doelstellingen van een magazine:

  1. Met zoveel goede verhalen zoveel mogelijk publiek bereiken — Zodat uiteindelijk omzet kan worden gegenereerd (uit donaties) en de gepubliceerde schrijvers ook daadwerkelijk een (maximaal) publiek kunnen bereiken
  2. Schiften op kwaliteit, binnen een bepaald kader — Dat publiek moet werk krijgen waar we zelf achter kunnen staan. En als “uitgevers” hebben we daarin hele specifieke voorkeuren.

We geven wel feedback, maar die feedback is voornamelijk standaard, omvat de mening per beoordelaar en inhoudelijk voornamelijk op basis van checklijsten en scores.

De reden voor Edge.Zero is juist dat te doen wat relevant is: een podium bieden voor het beste werk dat in Nederland en België geproduceerd wordt.

 

Eindgedachten

De wedstrijden die we hebben worden in bepaalde groepen te relevant gemaakt. Tot het punt waar ik denk: “waar maak je je zo (ziekelijk) druk over?”

Met enorm respect naar elke organisator een sneer naar de criticasters: Het gaat fucking nergens over als er geen structurele follow-up is.

Want wat win je uiteindelijk? Wat is de volgende stap? Wie pakt jouw verhaal op? Waar kom je vervolgens terecht? Blijf je doorgaan met schrijven? Biedt je je werk ook naar andere markten aan? Blijf je jezelf ontwikkelen? Wordt je gelezen? Bouw je daarmee een fan-base op?

“Waarom zien we niet meer ambitieuze SF, Horror en Fantasy verhalen?”

Ik heb mijn eigen theorieen hierover, die ik in het verleden al op verschillende manieren heb bewoord.

Kort samengevat:

  1. Gebrek aan stimulans — Iets waarop niemand zit te wachten zal minder snel ondersteuning en positieve impuls krijgen. “Doe maar niet te moeilijk. Niemand wil dit lezen.” en zo voorts.
  2. Gebrek aan zichtbaarheid — Wellicht wordt het wel geschreven, maar nergens uitgegeven.
  3. Gebrek aan ambitie — Ambitie zit in je, of niet. Veel ambitieloos schrijfwerk is simpelweg ambitieloos omdat de schrijver geen ambities heeft, anders dan dat verhaal te schrijven (en in of op te sturen naar iets of iemand)

Ambitie en het gebrek daaraan

Ambitie komt in mijn optiek van binnenuit en grenst wat mij betreft aan obsessief gedrag. Oftewel: het onvermogen iets los te laten wat anderen al lang geleden zouden hebben laten vallen.

Ambitie is verder persoonlijk. Zeer persoonlijk.

Een gebrek aan ambitie (wat dat ook mag zijn en waarin dat ook is) is echt enorm gezond en behoorlijk normaal. Veel mensen zijn niet-obsessief ingesteld. En kiezen voor dingen die leuk zijn, plezier geven, veel beloning opleveren en weinig moeite kosten.

Over het algemeen zijn mensen die niet obsessief ambitieus zijn, in mijn optiek blijere en vrijere mensen met minder kopzorgen. Ze schrijven ook het soort super-saaie verhalen dat ik liever niet lees, omdat ik eindeloos veel betere dingen te doen heb.

Stimulans

Hoe stimuleer je “ambitieuze verhalen”? Of “obsessieve ambitieuze schrijvers”?

Hier is mijn mening:

  1. Zorg dat ze ergens terecht kunnen:
    1. (Online) uitgevers die hun soort werk publiceert.
    2. Coaches en schrijvers die dat soort schrijvers van dat soort werk steun en stimulans geven
    3. Wedstrijden die specifiek voor dat soort verhalen worden georganiseerd
  2. Biedt ruimte voor experiment. Ambiteus werk is heel veel vallen en weer opstaan.
  3. Zorg dat het steun krijgt
    1. Bespreek dat soort werk.
    2. Schrijf over de noodzaak en behoefte.
  4. Maak dat soort werk zichtbaar

Zichtbaarheid

Het is 2016 en Internet, Facebook en plekken als SmashWords zijn momenteel je vrienden. En je gaat (als ambities schrijver) niet zitten wachten tot iemand je een hand reikt. Dat gebeurt namelijk binnen SF-minnend Nederland al meer dan 30 200 jaar niet. Er is geen geld. Er is geen (tot nauwelijks) ambitie. En er wordt enorm veel gepraat zonder dat er concreet wat verandert.

  1. Werk samen
  2. Verzamel schrijvers. Maak bundels en zet ze op Smashwords
  3. Maak een website
  4. Publiceer kort werk en lang werk en prikkelende dingen
  5. Snap wat je publiek zoekt en wat heb prikkelt
  6. Doe aan marketing en zelfmarkeing
  7. Zorg dat het woord zich verspreidt.
  8. Stuur je werk in naar zoveel mogelijk wedstrijden die voor jouw soort genre relevant zijn. Want niet-meedoen is toegeven dat jouw werk niet relevant is.

Vorm kliekjes van gelijkgestemden

Juist met ambitieus werk is het belangrijk om focus te houden. Ambitieus werk vraag om toewijding, niet om democratische meningen en verwatering van schrijfdoelstellingen.

Accepteer de intolerante eikels

Verder zijn obsessieve ambitieuze mensen vaak enorme intolerante eikels die slecht samenwerken, snel ruzie krijgen met andere obsessieve ambitieuze mensen en ruzie zoeken en die slecht tegen de afwijkende meningen van anderen kunnen. Dit houdt onder andere in dat samenwerking meer in de vorm van “hoe doen katten dat?” dan “hoe doen honden dat?” gaat.

Het is mogelijk, zolang het maar vrijheid blijft bieden en iedereen zijn of haar eigen gelijk kan vinden. En wegblijft van het soort ruzies dat harten breekt. (Respect tonen en zo, zelfs als je lijnrecht tegenover elkaar staat en zo.)

Verlaat de groepen die giftig zijn

Sommige groepen zijn ronduit giftig, met bittere en manipulatieve mensen die jouw rug gebruiken om zichzelf hoger te plaatsen.

Eén simpel advies: loop zo snel mogelijk weg en sluit de deur. Zelfs “als ze mogelijk nog ergens een meerwaarde kunnen leveren.” Vaak is dat niet het geval.

Produceer

Ambitie is latten hoger leggen en leercurves overwinnen en dan opnieuw hoger reiken. De enige manier om door te gaan is te produceren. Veel verhalen.

Fuck: “koop mijn boekje” (tenzij je dat leuk vind)

“Koop mijn boekje” loont niet (uitzonderingen daargelaten!). Het verspreidt niet (uitzonderingen daargelaten!). En het Internet is zo goed als gratis met websites als WordPress die geen kosten rekenen voor weblogs, die weer als publicatieplatform kunnen worden gebruikt.

Ga voor eyeballs. Bezoekers. Bekendheid.

Pageviews zijn in mijn optiek je eerste inkomsten, je eerste beloning, je eerste betaling.

Faal. En faal nogmaals. En dan nog een keer. Tot het lukt.

Elk falen is een stap op weg naar beheersing.

Het goede van schrijven (in tegenstelling tot skateboarden en parcour) is dat “op je bek gaan” bij het schrijven (en online publiceren) geen blijvende schade oplevert, zoals gebroken knieschrijven, gebroken enkels, gebroken polsen, gebroken kaken, gebroken neuzen en gebroken ellebogen.

Publiceer

Fuck elke uitgever die je niet wilt publiceren. En als er niets overblijft, maak dan je eigen plek. Dat is hoe dingen werken. Maak je werk zichtbaar.

Fuck verder iedereen die klaagt dat “gratis werk de markt ondermijnt”. Dat is niet zo. Pirated-werk (zoals gratis-downloadbare boeken van gerenommeerde uitgevers) ondermijnt de markt. Facebook ondermijnt de markt. Slechte marketing van het eigen fonds; een slecht marketing-plan; een armoedige uitvoering van dat marketing-plan ondermijnt “de markt” (lees: de eigen verkopen).

Niet jouw gratis werk.

Wees geen (bittere) jankert online

Als dingen niet lukken, huil daar dan offline over. Niet online. Bij ambitie hoort falen. En een groot publiek dat jouw werk niet pruimt omdat het te raar, te moeilijk of te onleesbaar is. Huil offline, verzet je doelen en doelstellingen en ga weer door.

Verwar ambitie niet met kwaliteit of succes, tenzij dat je ambitie is

 

(Super)ambitieus werk is (zoals eerder gezegd) niet per definitie leesbaar of verkoopbaar of goed, of goed te pruimen door (veel) lezers. Zeker niet als je als schrijver grenzen probeert te doorbreken.

(Super)ambitieus werk kan zelfs heel lelijk zijn.

(Super)ambiteus werk kan totale rotzooi zijn voor een grote groep lezers (en weer super-enerverend voor een andere groep).

Tot slot

Ik denk dat het beste dat in de komende jaren in Nederland kan gaan gebeuren, een wildgroei aan websites gaat zijn waarop ambitieuze en andersoortige verhalen te lezen zullen zijn.

Elk met een specifiek doel en kwaliteitsdoelstellingen voor ogen.

Je publiek daarin zijn niet de oude knorrige mensen zoals ik (die nergens tijd meer voor hebben en vrijwel alles kut vinden) maar jonge lezers die net het genre beginnen te ontdekken en overal nog open en fris tegenaan kijken.

Je kracht ligt verder in onderscheid en samenwerking. Laat zien waarin jouw site en jouw verzameling van schrijvers uitblinkt ten aanzien van andere sites en schrijvers. Wissel met elkaar uit. Werk samen, doe maandelijkse “wedstrijden” en opdrachten waarin je (samen) bepaalde onderwerpen uitwerkt.

Schrijf fan-fiction en trek dat soort lezers ook naar andere plekken toe. Ga voor pageviews en bezoekersaantallen. Volg je eigen hart. Maak dingen die totaal geweldig en tegelijkertijd totaal kut zijn. Faal met liefde en passie. Streef naar hoger en meer. Wat dat ook mag zijn in jouw persoonlijke schrijfdoelstellingen.

En heb schijt aan mensen die je proberen te vertellen wat je wel en niet moet doen, op basis van “succesformules” en andere onzin, of zonder dat ze ooit echt aandacht aan je werk te hebben geschonken.

Stop met het pleasen van lezers en juryleden.

Pak alleen die feedback waarmee jouw werk in jouw optiek beter gaat worden. Want het is jouw werk. Hoe lelijk of mooi dat ook mag zijn.

En heb je geen ambitie? Dan is dat ook prima.

Alles is relatief, of: een korte en snelle blik op het jury-oordeel van de slushronde

[First draft] Met Edge.Zero volgen we een drie-stappenproces in de keuze van de verhalen die uiteindelijk door/op Edge.Zero gepubliceerd gaan worden.

In elke ronde wordt elk verhaal beoordeeld op een aantal vooraf bepaalde criteria. Voor ronde één waren dat:

  1. Edgyness — Heeft het verhaal –in de ogen van de juryleden– iets dat “edgy” genoemd kan worden?
  2. Frisheid — Past het verhaal bij “anno nu”? of meer bij 1951?
  3. Eigen stem — Laat de schrijver een eigen stem horen? Is er eigenheid te lezen in het verhaal?
  4. Leeservaring — Nodigde de eerste drie bladzijden van het verhaal uit naar meer?
  5. Direct publiceerbaar — Is het (op basis van die 3 eerste bladzijden) volgens de jury direct publiceerbaar?
  6. Geschikt voor Edge.Zero — Past het bij wat Edge.Zero voortstaat?

Tot mijn grote verrassing waren bij een aantal verhalen de meningen soms totaal tegenstrijdig.

Waar jurylid A op vrijwel alles bij verhaal X een “ja” of “bijna” stemde, kon datzelfde verhaal door jurylid B en C op elke categorie een “nee” krijgen.

 

Mijn eigen ervaring

Relatief laat in de eerste ronde, heb ik (op verzoek van mede-oprichter Mike Jansen) gestemd op de verhalen die door juryleden waren geschreven. Ik had verder (als mede-oprichter van Edge.Zero) volledig inzicht in alle stemmen die werden uitgebracht.

Dat gaf me twee inzichten:

  1. Mijn smaak staat soms lijnrecht tegen dat van andere juryleden.
  2. Die smaak-voorkeur is ook terug te zien in wat we schrijven en in de scores die we aan elkaars verhalen hebben gegeven.

Uiteraard heb ik gekeken naar consistentie in die stemmen. En voor zover ik kon zien was er geen duidelijk bewijs van “wederzijdse wraak”. Het komt simpel en heel banaal gezegd in de meest extreme gevallen neer op: “jij vind mijn favoriete muziek saai of kut en ik voel hetzelfde voor jouw muziek”.

 

Kan dat wel?

Er bestaat het idee dat een jury onpartijdig moet zijn. En volledig volgens objectieve maatstaven moet beoordelen.

Ik denk dat dat niet mogelijk is. Zeker binnen deze eerste ronde, waarin we nog niet naar techniek kijken, waarin de eerste indruk telt. Waarin het gevoelsmatige oordeel voorop staat. “Is dit verhaal volgens jou..?”

Ik denk verder dat dat goed is. Meer mensen, meer smaken.

En ik denk dat Mike Jansen daarin een goede inschatting heeft gemaakt, door te streven naar een jury van 10 mensen.

Wat je nu in de longlist ziet, zijn verhalen die door een aantal juryleden (soms volledig) zijn afgeschoten, bij een aantal andere juryleden (soms heel) goed scoorden en die bij een derde groep op de rand hing tussen “ja” en “nee”.

Dit gaf elk verhaal een kans.

Wat ik verder zie is dat van de schrijvers die 2 of meer verhalen instuurden, veelal het “meer overtuigende verhaal” hogere punten scoort dan het verhaal dat “minder overtuigend” is.

 

 

Had de uitkomst anders kunnen zijn?

Mogelijk wel. Mogelijk ook niet. (Zie beneden voor drie voorbeelden met een alternatieve jurysamenstelling en de daadwerkelijk gegeven scores op 14 verhalen).

Ding is: zo werkt dit. De smaak van de jury bepaalt. De samenstelling van die jury bepaalt. Wie wie kent, bepaalt (Ook al willen we dat heel graag ontkennen.)

 

Tegenstrijdigheden zichtbaar gemaakt

Hieronder zie je drie lijsten:

  1. De verhalen die de hoogste gemiddelden haalden
  2. De verhalen die in het midden zitten
  3. De verhalen die onderaan eindigden.

Let vooral op de blauwe en lichtblauwe vlakjes.

Voor je begrip, de jury had per categorie 3 keuzes: “voldoet wel, voldoet niet, voldoet bijna

  1. Lichtblauw — De jury is het oneens, maar stemde “wel”, “niet” óf “bijna”. Een milde controversie.
  2. Donkerblauw — De jury stemde “ja” óf “nee”. Niemand stemde “bijna”. Een sterke controversie.
  3. Geel en wit — De jury stemde “bijna” en een “ja” of een “nee”. Er is geen controversie in de stemmen.

scores_totaal_hoog

Je ziet in deze lijst dat voor elk verhaal in de top een milde controversie was. Sommige juryleden stemden “nee”, anderen “ja” en weer anderen “bijna”

Bij verhalen #049, #072, #109 en #084 is per verhaal sprake van een situatie waarin de juryleden het verhaal op die categorie ofwel helemaal top vonden, ofwel helemaal niets. (donkerblauw).

Middengebied:

midden

In het middengebied is er voor elk van de verhalen sprake van tegenstrijdige meningen. Sommige juryleden vonden het niets, sommigen vonden dat een verhaal bijna voldeed en anderen dat dat verhaal helemaal voldeed aan de eisen.

Onderste regionen:

onderaan

Kijken we naar de onderkant van de lijst, dan vinden we het bovenstaande plaatje.

Ook daar is controverse. Sommige juryleden stemden volmondig “ja” op een bepaalde categorie, terwijl anderen een “bijna” of een “nee” gaven.

 

Wat kunnen we uit deze scores halen?

Juryleden zijn het (behoorlijk) oneens met elkaar.

Maar deze algemene lijst geeft te weinig inzicht in diepere vragen.

 

Kan de jurysamenstelling de uitkomst bepalen?

Ons vermoeden was: ja. Daarom streefden we naar 10 juryleden in de slushronde.

Mijn conclusie met de cijfers tot nu toe is: “Ja. Inderdaad. De samenstelling van de jury kan (soms zeer drastisch) de uitkomst van een selectie bepalen.”

scores0

Dit is een totaaloverzicht van stemmen voor 14 verhalen, door alle juryleden inclusief ikzelf (X). Groen is: “voldoende punten om door te gaan”. Geel is: “onvoldoende punten om door te gaan”. Wit is: “geen stem” of: “ben ik vergeten te markeren”.

De juryleden zijn anoniem gehouden en genummerd van A tot H.

Je ziet dat sommige juryleden voor deze korte lijst vrijwel overal een voldoende geven (juryleden B, G en H) en andere juryleden vrijwel elk verhaal in deze lijst een “onvoldoende” gaven (juryleden D en F)

 

“Wat als”-scenario’s

Hieronder vind je 3 verschillende jury-opstellingen. We beginnen met juryleden B, D en F.

scores2

De perzik-kleurige scores zijn die van de totaaljury. De groene markeringen “door” in de “verhaal”-kolom is de uitkomst als alleen déze jury de voorronde had beoordeeld.

Door gebrek aan stemmen op verhaal #049 kunnen we niets zeggen over “slagen” of “falen”. Kans is dat dit verhaal ook bij deze jury een voldoende zou hebben gehaald.

De verschillen worden echt zichtbaar bij verhalen #002, #003, #081, #080 en #084.

Nemen we alleen juryleden B, G en H dan krijgen we dit:

scores4

De meeste verhalen in deze lijst zouden doorgegaan zijn naar de volgende ronde. Alleen verhalen #098 en #084 zouden zijn afgevallen. (#002 moet ook groen zijn in dit overzicht). Alleen verhalen #100, #002, #006 en #009 scoren van de “door’ groep onder de 1,5 punten.

Tot slot deze uitkomst, op basis van juryleden C, D en F.

scores5

“OMG! Wat een dramatisch groot verschil, Bob!”

In dit geval zouden alleen verhalen #009, #010 en #080 zijn doorgegaan. De rest van de verhalen scoort (soms zeer zwaar) onder de 1,0.

 

 

 

 

 

4 non-productieve weken

Van weerzin en weerstand ben ik rustig aan ook hier naar acceptatie gegleden.

Wat is er aan de hand?

Ik heb een keelontsteking. Deze duurt nu een week en is hopelijk eindelijk afgelopen. De week daarvoor waren er een aantal sociale en andere verplichtingen die mijn effectieve schrijftijd heeft beperkt tot 12 uur. Op een week van 50 beschikbare werk-uren.

Met die opkomende keelontsteking was mijn effectiviteit in die 12 uur minimaal. Ik heb dingen kunnen doen, maar veel  verder dan het overdrachtelijke schaven en schuren van basale dingen ben ik niet gekomen. Onder andere omdat mijn woordenschat van 10 miljoen woorden terugvalt naar 50. En omdat ik dat extra vuur mis.

De week daarvoor was ik op vakantie.

De week daarvoor redigeerde ik een Engelse versie van Verhaal X, waarvan op 2 april bekend is of het gedaan heeft wat het heeft moeten doen (toppositie) of niet (opnieuw ergens in de lage regionen.)

De week daarvoor schreef en redigeerde ik een Engels verhaal, “Everything as a result of short term something” waarvan ik ongeveer 50% ga wegpleuren omdat het niet doet wat ik wil dat het doet.

De slechte invloed  van peer pressure

Ik ken mensen in mijn directe kring die in 12 maanden een roman hebben opgeleverd en afgeredigeerd. Terwijl ze daarnaast aan het werk waren. Die elke dag neerzitten en een x-aantal woorden schrijven.

Naast de dagelijkse bezigheden.

Met een full-time sabbatical, voel ik me lui met mijn “lage productie”. Of tenminste traag. Want op elke dag schrijven volgen minstens 4 dagen redigeren.

Niet omdat dat schrijfwerk zo slecht is, maar omdat ik het niet goed genoeg vind. Omdat het te vlak geschreven is. Omdat er geen spanning in zit. Omdat er spanning ontbreekt. (Het soort spanning van: “je pakt een stuk hout in twee handen en buigt het over je knie” dat niet specifiek gerelateerd is aan “er gebeuren heel veel actie-dingen”)

Of tenminste ongefocused, want ik heb 100 dingen gedaan, behalve werken aan mijn roman.

Vervolgens worden mijn neefjes en nichtjes jong-volwassenen en pubers en hebben ze alweer X-jaar muziekles achter de rug en studeren ze af of gaan ze naar het voortgezet onderwijs.

En mijn roman is nog steeds niet af. En mijn deadline nadert. Want mijn spaargeld raakt op en ergens in mei/juni zou ik verstandelijkerwijs weer aan de slag moeten.

En in mijn hoofd heb ik af en toe gesprekken met denkbeeldige mensen, waarin ik uitleg waarom mijn roman nog niet af is. En waarin ik mezelf verwijt dat ik te traag ben en zo.

Fuck die shit

Ding is: alles heeft z’n eigen tempo. En ja: ik kan dingen doen zoals schrijver X of schrijver Y, inclusief “elke ochtend (of avond) een X aantal woorden schrijven”.

Ik herlas “The Demolised man” van Alfred Bester. En ik zag dat een film (waarvan ik nu even de titel vergeten ben) in 2004 verschenen was en dat daar 3 jaar voorbereidingstijd aan voorafging en dat gaf me op de één of andere manier het gevoel dat het niet zo uitmaakte.

Zolang die fukking roman maar afkomt. En zolang ik niet vergeet waarom en voor wie ik die roman aan het schrijven ben. (Mezelf.) En zolang die roman maar doet wat ik wil dat het doet. (Een gevoel van schoonheid overbrengen. En liefde. En het besef dat dingen ook anders kunnen.)

Acceptatie

De keelontsteking en de slaap en het niets anders kunnen doen dan uit bed komen en weer naar bed gaan en nog maar weer eens een paar uur slapen leerde me iets dat ik al een paar keer daarvoor heb geleerd.

Sommige dingen gaan zoals ze gaan. Vechten ertegen heeft geen zin.

Het pad dat ik kies is van revisie. En revisie van revisies. Tot ik op een gegeven moment dat punt bereik waarin het verhaal doet wat het moet doen.

Dit heeft als consequentie dat ik een lage productie heb. En dat verhalen lang blijven liggen. En soms 2 jaar of 5 of 10 jaar later pas weer worden opgepakt om afgemaakt te worden.

Dith eeft ook als consequentie dat anderen rondom me (en ik ben een jaloerse bitch, ik ga dat niet ontkennen) links en rechts in Nederlandstalige en Engelstalige publicaties verschijnen terwijl er van mij momenteel slechts één werk online staat: “Gila Pradopo”.

Hier is het enige dat ik niet meer doe is een verhaal in de steek laten. Zoals ik met 4 andere romans in 2003 en 2012 wel heb gedaan. Ik wordt te oud voor die shit.

Een tweede verandering is het besef dat ongeacht wat er speelt of gebeurt, het schrijven een soort aanhangsel van mezelf is. Ik kom er niet vanaf.

Een plot dat werkt en een plot dat faalt

Gisteren, terwijl ik een plot-probleem probeerde op te lossen in mijn roman (we zijn halverwege en het primaire conflict is opgelost. “En nu?”) vond ik de meest simpele vergelijking om dit plotprobleem op te lossen.

Waarom faalt mijn plot?

Mijn basisverhaal (“hoofdpersoon wil ontsnappen, doet moeite, slaagt of faalt”) eindigt in hoofdstuk 4. Ze slaagt.

En ik heb in die roman een totaal van 7 hoofdstukken.

In die resterende 3 hoofdstukken zien we de consequenties van haar daden. Omdat het verhaal bij hoofdstuk 4 “al is afgelopen” heb ik als lezer weinig zin in de rest van het boek. “Ze is ontsnapt.” Klaar is klaar. De rest is geneuzel.

Ik had een ingeving. En die ingeving kwam door een beeld van een plank met drie flessen. Waarvan er één plotseling verdwenen was. “Waar is die fles?”

Dit bracht me uiteindelijk tot het volgende:

Stelling 1: Het kernprobleem moet onopgelost blijven, tot het einde

Het is belangrijk om het kernprobleem onopgelost te houden, tot het einde.

Als mijn hoofdpersoon al in hoofdstuk 4 met alles klaar is, is de hele noodzaak om het verhaal nog verder door te lezen zo goed als verdwenen.

Als de mol met de drol (zie later) die drol op bladzijde 2 zou verwijderen, als Walter White uit “Breaking bad” gewoon een behandeling vanuit zijn verzekering zou kunnen ontvangen, dan zou het verhaal dat volgt lang niet zo intrigerend zijn.

Het probleem is namelijk al opgelost en de rest is slechts afwikkeling van de “wie” of de “wat” vraag: “Wie heeft dat gedaan?” “Wat gaat er verder nog gebeuren?”. Wat zeker bij dit soort verhalen al snel heel saai kan worden.

Voorbeeld 1: Breaking Breaking Bad

Breaking bad volgt het patroon van: “Er was iets (de gezondheid van Walter White). Nu is dat er niet meer (hij heeft kanker). Dat moet weer terug komen (via stink-dure chemotherapie).”

Voor wie “Breaking bad” niet heeft gezien: Walter White is een chemie-leraar met een kutbaan. Hij heeft kanker. Hij heeft geen geld voor een peperdure behandeling, maar wel een leerling in zijn klas die drugs dealt. Om zijn behandelingen te betalen, komt hij op het twijfelachtige plan om zelf crystal meth te maken: een harddrug. Vanaf daar gaan we verschillende seizoenen in waarin het geweld en de problematiek rondom de drugs-fabricage alleen maar groter wordt.

Dit basisgegeven (kanker, stinkdure behandelingen, geen verzekering, wanhopige oplossing) werkt, omdat het zich in Amerika afspeelt. Waar je –in de tijd dat Breaking Bad begon– zelf opdraait voor de ziekenhuiskosten.

Zie hoe dat zelfde basisconcept van “Breaking Bad” in Canada zou werken:

631

Er is in de “Canada-versie” geen verhaal voor Walter White. Geen overkoepelende arc meer die vergelijkbaar is met de Amerikaanse versie. Geen motivatie die hem dusdanig uit zijn comfort-zone haalt dat we trouw blijven aan zijn personage. Zelfs als dat personage al vrij snel gruwelijke dingen doet. Het probleem is namelijk opgelost. Het verhaal afgelopen. Walter White is teruggeworpen op zichzelf. Als een middelmatig personage zonder echte problemen.

Stelling 2: Dit is de basis van elk overkoepelend plot

Er is een stelling dat er iets van 20 basisplots zijn. Ik stel dat er niet meer dan 3 of 4 kern-plotten zijn. Hier zijn de vier die ik nu zie

Variatie 1 – Iets moet er komen: Iets dat er zou moeten zijn is er niet. Het moet er komen. Uiteindelijk komt het er, of niet.

Variatie 2 – Iets moet terug komen: Iets was er. Nu is het er niet meer. Het moet weer terug komen. Uiteindelijk is het weer terug. Of faalt men.

Variatie 3 – Iets mag er nooit komen: Iets komt er aan, maar mag nooit aankomen of nooit gaan gebeuren. Uiteindelijk komt het aan, of wordt het tegengehouden, of deels tegengehouden.

Variatie 4 – Iets moet weg: Iets is er wel, maar moet weg. Uiteindelijk is het verdwenen. Of faalt men om dat te laten verdwijnen.

Variaties 3 en 4 zijn inversies van variaties 1 en 2.

Versimpeld / andere variant

  1. Iets is veranderd en moet worden teruggedraaid
  2. Iets is zoals het is en moet veranderen

Stelling 3: Er is dwang, of het is deel van de routine

Er zijn twee redenen waarom een personage overgaat tot actie:

  1. Routine — Het hoort bij zijn of haar werk of routine.
  2. Dwang — Hij of zij wordt (bijvoorbeeld door omstandigheden) gedwongen om tot die actie over te gaan.

Van een soldaat of een brandweerman zullen we ons niet afvragen waarom hij/zij zich in een gevaarlijk gebied beweegt. Van een huurmoordenaar zullen we het niet gek vinden dat hij/zij op een gegeven moment een moord zal plegen. En zo voorts.

Zodra iemand in een situatie komt die niet bij zijn of haar routine past, gedwongen wordt daarmee om te gaan, kan dat komen door omstandigheden (pech) of door een externe factor (directe dwang).

“Maar wat is de uitkomst dan?”

Simpel gezegd zijn er drie mogelijke uitkomsten:

  1. Het lukt. Wat de personages ook nastreven en welke offers ook gegeven worden, uiteindelijk lukt het
  2. Het mislukt. Wat de personages ook nastreven, hoe rooskleurig het uiteindelijk ook mag lijken en welke offers ook gegeven worden, uiteindelijk mislukt het.
  3. Het lukt (mislukt) gedeeltelijk. Wat de personages ook nastreven, hoe rooskleurig het uiteindelijk ook mag lijken en welke offers ook gegeven worden, uiteindelijk likt/mislukt slechts een deel van dat streven.

Drie varianten en alternatieven:

  1. Het was niet belangrijk.
  2. Iedereen gaat dood.
  3. Alles begint weer overnieuw.

Uiteraard zijn er meer dan drie varianten en alternatieven. Deze zijn slechts om je een idee te geven.

Het probleem is opgelost: Wat nu? Opeenstapeling of breuk

In mijn geval is het basisprobleem in hoofdstuk 4 opgelost. Mijn hoofdpersoon slaagt.

Er is echter een serie gebeurtenissen NA dat moment die minstens zo relevant zijn. Bijvoorbeeld de consequenties van haar daden voor de mensen die ze heeft achtergelaten.

Ik kan twee dingen doen:

  1. Ik stapel een nieuw probleem op het oude en zet het verhaal door. “Het doel is bereikt, maar daarmee wordt een nieuwe en direct gerelateerde ontwikkeling gestart voor de hoofdpersoon.
  2. Ik introduceer een nieuw probleem en begin een nieuw verhaal. “Het doel is bereikt. Er doet zich een nieuw probleem voor, vanuit een andere hoek en oorzaak.”

En in het geval van mijn roman kies ik voor de eerste optie. Vanuit de oplossing van het oude probleem komt een nieuw en direct gerelateerd probleem voort.

Hiermee wek ik voor de lezer de indruk dat het probleem nog helemaal niet is opgelost. “De mol heeft nog steeds een drop op z’n kop.”

Een voorbeeld van een basisplot: “er was iets niet, nu is het er wel en het moet weg

images (1)

“Over een kleine mol die wil weten wie er op zijn hoofd heeft gepoept” (hier op Bol.com) is in mijn optiek een briljant voorbeeld van plotvariant 3: “er was iets niet, nu is het er wel en het moet weg”.

Kort: De mol heeft een drol op zijn kop. Die drol hoort daar niet en moet weg.

Maar voordat de mol rust heeft en voordat die drol verwijderd kan worden, MOET hij weten van wie die drol afkomstig is. In het boek zien we vervolgens verschillende dieren poepen zodat de mol uiteindelijk en EINDELIJK het raadsel op kan lossen en wraak kan nemen.

Stelling 4: Het gaat erom wat je er mee doet

Het gaat niet zozeer om dat basisplot zelf, maar WAT je er mee doet.

Het basisplot is een “hook” waarmee je het brein van je lezer kunt pakken, vervolgens daarmee en daaromheen allerlei truukjes uit kunt halen om de lezer bij dat verhaal te houden.

Maar wat wil je?

Ongeacht wat het verhaal doet, helpt het om te weten wat je uiteindelijk wilt met het verhaal. Wat is je hoofdlijn? “Moet er iets weg”? Moet het juist komen? Moet iets dat gebroken is hersteld worden? Iets dat niet gebroken is kapot gemaakt?

Waar zitten de plotontwikkelingen?

De plotontwikkelingen vinden plaats in het middengedeelte.

“[A] Iets was er, [B] het moet terugkomen. [C] Plotontwikkelingen. [D] Uiteindelijk falen of slagen we.”

[A] en [B] vormen onze setup. Bijvoorbeeld: “Iets was er. Het moet terug komen.” “Iets was er niet. Het moet er komen.”

[D] is de conclusie van het verhaal: “Het is geluk. Het is mislukt. Het is deels gelukt.”

[C] Zijn de plotontwikkelingen: “Eerst gebeurt er dit. Dan dat. Dat levert dit op, maar leidt tot dat verlies.”

Formules

Er zijn verschillende formules om van A naar D te komen. Ik benoem ze hier. En hoewel ze een verhaal kunnen helpen om scherper te worden en sneller te “klikken” bij de lezer, zijn het slechts hulpmiddelen.

  1. Doe je hele (of eerste) setup (A en B) in de eerste 500 woorden — Het idee is dat je lezer vanaf bladzijde 2 weet wat de uitdaging is, de drijvende kracht, datgene waarover het verhaal zal gaan.
  2. Gebruik obstakels en uitdagingen — Als het personage ongestoord van A naar D kan lopen, zonder uitdagingen, zonder conflictsituaties, zonder interne conflicten dan is een verhaal vaak vrij saai.
  3. Gebruik conflict — Conflicten kunnen fysiek zijn (gevechten, bekvechten) maar ook intern zijn (het conflict tussen interne waarden en wat anderen van een personage verwachten, bijvoorbeeld)
  4. Werk naar een climax — Het kan helpen als in het C-deel, de plotontwikkelingen die vanaf je setup naar je conclusie leidt, een oplopende spanning zit, die naar een climax leidt.
  5. Plaats die climax dicht bij het einde — Want als je climax helemaal aan het begin, of ergens halverwege gebeurt, wat volgt daarna dan?

Uiteraard kun je (en moet je in mijn optiek, al is het alleen voor het experiment) breken met die formule. Wat de uitkomst van die climax is, verschilt per verhaal.

“Hij werd gered” is een mogelijke uitkomst. “Eindelijk kon hij gaan zitten” is een mogelijke uitkomst. “En alles begon weer opnieuw” is een mogelijke uitkomst.

Als je dit zou weergeven in een soort van grafiek, dan zou die er in de meest basale uitvoering zo uit zien:

AA BB CCCC CCCC CCC CCC CCCC CCC CCC CCC DD

We introduceren het probleem [A] en de relevantie van dat probleem [B]. Vervolgens ontwikkelt het plot zich [C]  om tot de onknoping te komen [D]

Maar dat is niet de enige manier om een verhaal te vertellen.

Voor meer complexe romans is elke combinatie mogelijk. Een voorbeeld:

AA CC AA CC BB AA CC BB CCCCC CCC CCCC CC DD

“Iets was er” (bijvoorbeeld). We exposen dat. Er volgen wat plotontwikkelingen. We laten opnieuw zien dat iets er was (of niet). Vervolgens maken we duidelijk dat het terug moet komen. Waarna we weer laten zien dat het er niet is. Meer plotontwikkelingen. Ontknoping.

Je kunt de boel omdraaien en rondhusselen:

DD CC CC CCC AA BB CC D AA CCCCCCCC CCC AA DD

“Dit is de ontknoping”, gevolgd door plotontwikkelingen, een exposure over “wat er was” en “waarom het terug moet komen” waarna weer meer plotontwikkelingen volgen en een nieuw stuk ontknoping, eindigend in “dit was er”. Detective-stories met een minneur-einde kunnen bijvoorbeeld op deze manier worden opgezet.

Belang van die setup

Die setup helpt mij, de lezer, te begrijpen WAAROM dit belangrijk is. Net als dat belangrijk is te weten WAARHEEN we gaan als we de trein pakken. Blind meereizen gaat (mij althans) snel op de zenuwen werken. Zeker als die reis een paar uur duurt je je geen enkel idee hebt waarheen.

Voorbeelden van de vier grote plotlijnen:

1: Het is er niet, het moet er komen

Dit is een subiele maar belangrijke variatie op de tweede versie. Verschil is deze: “Het was er misschien ooit, maar niemand in het verhaal heeft dat meegemaakt.”

  1. Jongen of meisje is eenzaam en wil liefde. Ergens is een bekende of onbekende liefde. Uiteindelijke vervulling is “jongen vind meisje” of “jongen vind meisje niet” of “jongen vind meisje en verliest haar weer”. De plotontwikkelingen vormen het verhaal.
  2. Het land is in duisternis gehuld. Het licht moet komen. We zien personages van alles doen om dat licht (bevrijding uit onderdrukking, etcetera) te laten komen. Het lukt, lukt niet, of lukt gedeeltelijk.
  3. Het land is in licht gehuld. Het wordt tijd dat het in duisternis wordt geworpen. We zien personages van alles doen om de duisternis (een totalitair regiem, een overheersing door demonen, whatever) te veroorzaken. Het lukt, lukt niet, of lukt gedeeltelijk.

2: Het was er en het moet terug komen

  1. Jongen of meisje was ooit verliefd, verloor zijn lief en wil deze terug winnen
  2. Ooit was er licht in het land, maar nu niet meer (door onderdrukking). Dat licht (de vrijheid b.v.) moet terugkeren.
  3. Ooit was er duisternis (in het land). Nu niet meer. Het moet terugkeren.

Het verschil op de eerste variant is het element van sentiment. “Er was iets. Dat zijn we nu (gedeeltelijk) kwijt.” Dat sentiment helpt vaak om een probleem heel snel heel concreet te maken vanuit de personages.

3: Er gaat iets gebeuren dat niet plaats mag vinden

  1. Een despoot gaat mogelijk eigenaar worden van het land. Bijvoorbeeld door oorlog, of een verkiezing.
  2. Er is in een deel van de wereld een ziekte uitgebroken die wereldwijd kan uitslaan.

4: Het is er, maar moet weg

  1. Er is iets dat er niet hoort te zijn. Bijvoorbeeld een despoot die het land onderdrukt, een wet die voornamelijk negatieve gevolgen heeft, de rottende vuilnis in de vuilnisbak. En dit moet weg.
  2. Er is iets dat niet goed werkt. Bijvoorbeeld een relatie, een auto die niet goed werkt en dit moet weg. Dit leidt niet noodzakelijk tot vervanging.
  3. Er is iets dat vervangen moet worden. Bijvoorbeeld een oud huis, of een oude printer, of een collega. En voordat het nieuwe er kan komen, moet het oude weg.

Slot

Ik ga niet beweren dat dit de alles-overkoepelende super-theorie is die elk plot dekt en elk plot verklaart.

Want dat is het niet.

De structuur die ik hier beschrijf is simpelweg een structuur die inhaakt op een deel van ons brein dat antwoorden zoekt en dat vrij makkelijk getriggerd kan worden. “Het is er niet! Dan moet het terugkomen!”

 

Redactie: hoe ik mijn verhalen doodschrijf of juist levendiger maak

Subtitel: “(Intensief) Redigeren: gevaar of goed idee?”

Perfectie. Of “mijn variant” daarvan

Er zijn even simpel gezegd twee kampen:

  1. De criticasters die soms of vaak totale perfectie wensen en eisen.
  2. De lezer die een leuk en fijn verhaal wil lezen

Het is aan de schrijver zelf welke schrijfdoelen hij of zij stelt. In mijn geval ben ik een zeer kritische lezer en een criticaster die “totale perfectie” eist. Ook in mijn eigen werk.

Maar mijn schrijfdoelen zijn niet heilig. Schrijvers die niet aan mijn (perfectionistische) schrijfdoelen voldoen, zijn niet minder schrijver dan ik: een redenering die ik vaak online voorbij zie komen. “Schrijvers MOETEN dit en dat!”

Bullshit.

Schrijvers die niet schrijven zoals ik, zijn schrijvers met andere doelstellingen en voor een ander publiek. Zo simpel is het. En als ik als lezer geen zin heb in het werk van die schrijvers, lees ik ze niet.

Ik ga verder niet proberen die schrijvers te veranderen (zodat ze gaan schrijven wat ik wil bijvoorbeeld).

Schrijvers zijn vrij om te doen wat ze willen. Klaar.

Fouten durven maken

Elk verhaal is in principe nieuw. Schrijven is daarom ook: experimenteren. Dingen doen die je al kent, dingen doen die je nog nooit geprobeerd hebt. Combineren. Lostrekken van dingen die je voorheen samen deed. Falen. Slagen. Opnieuw uitproberen. Zijpaden verkennen. Dingen loslaten. Jezelf laten verrassen. Fouten maken en fouten herstellen.

Als je verder wilt, hoger wilt: redigeer

Als je verder wilt met je schrijven, hoger wilt klimmen op je eigen ladder van mogelijkheden (wat een persoonlijke keuze is) dan is redactie essentieel. Geen enkele eerste versie van een verhaal (ongeacht wat je op dat moment mag denken en voelen) is het beste wat je uit dat werk kan halen.

Er zijn altijd dingen die onderbelicht zijn gebleven, pareltjes in je verhaal die nog niet uit de oesters zijn gehaald, goud op de grond en in de berm van het verhaal dat nog niet is opgeraapt, diamantjes die wel gevonden, maar nog niet (helemaal goed) geslepen zijn.

In mijn eigen ervaring begint een verhaal pas echt goed te glanzen na drie schrijf- en redactierondes. De eerste is de ruwe en eerste draft en de afronding daarvan, zodat het “af” is en gelezen kan worden. De tweede is de redactie na feedback. De derde versie is nadat het verhaal even gelegen heeft, eventueel nog wat feedback heeft gekregen en een derde schrijf en redactieronde heeft gekregen.

Redactie en doodschrijven

Ik schrijf en redigeer verhalen dood zodra ik ga nadenken over “de lezer”. Een hypothetische en zeer eenzijdige groep zeikerds/mensen, of een bepaalde azijnpisser/persoon, die voornamelijk in mijn hoofd bestaat en die (heel) kritisch naar mijn werk kijkt.

  1. “Kan ik dit wel doen?” — “Is dit wel goed genoeg volgens die persoon of die groep?” “Neem ik niet teveel risico?”
  2. “Sta ik niet voor schut?” — Waar ik anders wild zal dansen en grote risico’s zal nemen ga ik nu nadenken over die risico’s zelf. “Sta ik niet voor schut? Neem ik teveel risico? Maak ik geen domme fouten?”
  3. “Gaan mensen dit wel snappen?” — Waar ik hele spannende dingen en “complexe zaken” zou kunnen doen, ga ik het verhaal simpel maken “voor de lezer”.
  4. “Doe ik hier X wel een plezier mee?” — Waarbij “X” de jury van een wedstrijd kan zijn, of een specifieke criticus of “belangrijke persoon” die ik graag aan mijn kant wil krijgen. “Kijk eens wat een mooi verhaal ik voor jou geschreven heb!”

In dit proces en in mijn geval gaat mijn verhaal hierdoor vaak enorm dood, omdat ik niet meer mijn eigen flow volg, maar dans op de melodie van een verzonnen criticaster die (in mijn hoofd) alleen (nog) maar de slechte dingen ziet.

Of ik loop keihard vast met dat idee. (Schrijversblok)

Over externe kritiek

Proeflezers zijn essentieel, maar voornamelijk om te ontdekken waar het verhaal mijn eigen doelstellingen niet haalt. “Komt dit en dat over?”

Als het antwoord “nee” is, zal ik daar meer aandacht aan moeten geven (zie “Levendiger maken” hier beneden voor de stappen die ik normaal gesproken neem).

Het verhaal blijft mijn verhaal. Met mijn (schrijf)doelstellingen.

Dat een verhaal na kritiek wel eens drastisch kan veranderen komt voornamelijk doordat:

  1. De uitwerking van mijn verhaal op dat moment, gewoon niet meer voldoet.
  2. Ik vertrouwen heb verloren in mijn eigen uitvoering tot dan toe.

Dat laatste kan een slecht teken zijn. Het kan zijn dat ik onzeker wordt over mijn eigen schrijven. Zie mijn stukje over: “Redactie en doodschrijven” hierboven.

Levendiger maken

Ik heb in de afgelopen jaren een andere aanpak gevonden. Die ziet er zo uit:

  1. Doelstellingen scherp stellen — Ik zet eerst voor mezelf op een rijtje wat ik wil met dit verhaal.
  2. Inhoud scherp stellen — Ik wil weten waarover ik schrijf. “Wie is wie? Waarom doet hij/zij dat wel of niet? Welke elementen spelen een rol in die wereld? Waarom? Waarom andere dingen niet? Of ook?” En ook: “klopt dit wel? Klopt dit wel in verband met andere zaken in het verhaal?” [1]
  3. Nog wilder, nog mooier, nog extremer — Ik ga kijken of ik de boel (binnen bepaalde grenzen) nog verder naar de rand kan duwen. “Haal ik het meeste uit deze scene, in dit moment van dit verhaal? Kan het scherper? Mooier? Wilder? Extremer? Meer verstild?”
  4. Resonantie — Resoneert het? Emotioneel? Voel ik wat hier gaande is? Niet? Kan ik dit stuk zo herschrijven dat dat wel gebeurt?
  5. Vertrouwen in wat er staat — Als mijn eerste draft staat, is dat meestal (in ruwe vorm) het verhaal dat ik wil vertellen. Het kan zijn dat er nog wat kleine aanpassingen gebeuren, maar dat verhaal is wel het verhaal. Als die ruwe schets (totaal) niet werkt, ligt dat vaak aan de manier waarop ik het op dat moment geschreven heb, of de manier waarop ik dat moment weergeef.
  6. Terug in de koelkast — En soms is het idee en het (mogelijke) verhaal gewoon nog niet rijp genoeg en moet ik het later nog een keer proberen en niet nu. Dat verhaal gaat terug naar de koelkast. Het is waarschijnlijk nog zo rauw dat het herschreven moet worden.
  7. Schrappen — Sommige stukken in mijn verhaal waren leuk, of leken belangrijk toen ik ze schreef, maar voegen na afronding van dat verhaal niets (meer) toe aan dat verhaal. En kunnen dus worden weggesmeten. (“Kill your darlings”)
  8. Herschrijven — Sommige stukken moeten opnieuw. Regel na regel. Niet zozeer inhoudelijk (uitzonderingen daargelaten) maar in de manier waarop het gepresenteerd wordt. “Van ‘afstandelijk en beschrijvend’ naar ‘op de huid van het personage'” bijvoorbeeld.
  9. Veranderen van volgorde om de impact te vergroten — Soms komt een stuk harder, beter, effectiever aan als bepaalde informatie eerder, of pas later wordt gegeven. Dit kan een volledig hoofdstuk zijn, een paragraaf, of een scene.

[1]

Soms zijn mijn karakterschetsen en mijn lijstjes met achtergrondgegevens even omvangrijk als (en soms zelf groter dan) het verhaal zelf.

Research is daar verder een (belangrijk) onderdeel van. Veel googlen als dat nodig is en zorgen dat ik (goed genoeg) snap waar ik het over heb om niet al te dom over te komen als iemand een expert is op dat vlak.

Impact? Emotionele resonantie?

De impact van- en binnen een verhaal is in mijn geval: “de emoties die overblijven”.  Nadat de lezer een stuk- of een verhaal gelezen heeft bijvoorbeeld.

De emotionele resonantie binnen een verhaal is in mijn aanpak: “De emoties die loskomen tijdens het lezen van dat specifieke stuk”. Nagel ik je aan je stoel? Voel je (en ikzelf, tijdens het lezen en redigeren) het verdriet of de vreugde van dat personage?

Die emotionele resonantie is heel lastig te vatten. Net als bij muziek heeft die emotie een opbouw, is het een resultaat van een combinatie van “klanken”. Het is heel erg voelen als schrijver, om dat punt te pakken. En heel veel schrappen van zinnen die teveel sturend zijn.

“Ze is blij/verdrietig. Het was heel erg eng/heel erg erg/heel erg leuk.” Voel ik dit? Nee? Herschrijven die hap. En dan: bijschaven. Herlezen. Voelen. Bijschaven. Herlezen. Voelen. Net zo lang tot het (bij mij) gaat resoneren. En ik bij herlezing weken later spontaan tranen voel opkomen, of blijdschap. Of woede. Of angst. Of een “Fuck! Dit werkt!”.

Vertrouwen in wat er staat

Ik heb in 2012 een stelling ingenomen: “Er bestaat niet zoiets als ‘een slecht idee’. Het probleem ligt vaak bij de uitwerking.”

Als een idee niet werkt, ligt dat vaak niet aan dat idee zelf, maar aan de manier waarop dat is uitgewerkt. Om een heel lang verhaal kort te houden:

  1. Slechte research — Het idee kan best goed zijn, of goed werken, maar de schrijver heeft geen research gedaan. En daardoor klopt er geen zak van de uitwerking van dat idee. Ongeloofwaardige gebeurtenissen en plotgaten als gevolg.
  2. Luie uitwerking — De research kan best OK zijn, maar de uitwerking van het idee zelf is lui. Bijvoorbeeld door het volgen van al gebaande paden, of de keuze van oninteressante momenten en oninteressante personages
  3. Armzalige karakterisering — De personages doen van alles, maar zijn zo armzalig neergezet, dat ik –als lezer– geen binding met ze kan krijgen. Reacties die teveel over de top zijn, of te klungelig, of te geforceerd of juist totaal plat en afwezig. Alsof je naar een toneelstuk aan het kijken bent met acteurs die maar wat aan het rondkloten zijn.
  4. Te weinig samenhang/geratel — De scenes kunnen op zich goed zijn, maar ik kan als lezer de weg kwijtraken. “Waarom is dit stuk belangrijk voor het verhaal? Want ik zie het niet”. En soms kan een (stuk van dat) verhaal letterlijk bestaan uit het geratel van de schrijver.
  5. Teveel willen / gebrek aan focus — Soms bevat één verhaal teveel lijnen, zonder een duidelijke hoofdlijn te hebben. Het gaat over van alles, maar het is onduidelijk wat nu echt het kernpunt is van het verhaal. Waarvan geen enkele lijn geheel tot z’n recht komt. Dit komt bijvoorbeeld als de schrijver teveel wilt vertellen in één verhaal, en/of als de schrijver een gebrek aan focus heeft, bijvoorbeeld.
  6. Angst voor de lezer/risicomijdend schrijfgedrag — Een van de slechtste raadgevers bij het schrijven is “de fictieve lezer”. Fuck die fictieve lezer. Schrijf wat je wilt schrijven. Neem risico.

En hoe fix je dit soort problemen? Zie het begin van deze blogpost.

Uitgevers en pareltjes en bagger-werk — ruw beeld

[Dit is mijn hele ruwe beeld over het uitgeversgebeuren. Ik kan er naast zitten. Mede omdat ik niet direct in die wereld zit of zat, en alleen een paar verhalen ken]

Het vak zelf is sinds de jaren ’80 veranderd. Van redelijk “idealistische” instellingen waarbij het boek en de schrijver belangrijker waren (simplistisch gesteld) dan de winst, heeft een verschuiving plaatsgevonden naar de commercie.
De uitgeverij is veel meer een bedrijf geworden.

Dit heeft consequenties gehad die o.a. heel zichtbaar zijn geworden voor schrijvers zelf. Maar ook voor series. “Als het niet verkoopt, gaan we niet door” inplaats van: “we geloven in deze serie en gaan door, zelfs als de verkopen tegenvallen”.

Zilverbron/zilverspoor

Zilverspoor / Zilverbron heeft aan de ene kant een hele slimme zet gedaan: hun Zilverbron-fonds wordt geheel gefinancierd door de schrijvers zelf, waardoor de uitgeverij omzet kan halen met het uitgeven van genre-boeken die anders niet mogelijk is.
Dit is enorm knap. En het valse deel van mijzelf kan daar hele valse dingen over zeggen, maar zakelijk gezien heeft de uitgeverij het beste gedaan wat het had kunnen doen binnen dit kader.

Vervuller van wensdroom

Ik zie Zilverbron als een vervuller van een wensdroom: uitgegeven worden bij een uitgever. Het beloont de schrijver met een boek.
En zoals gezegd: het is aan de SCHRIJVER om te bepalen of de prijs voor die beloning (2000 euro, je eigen boek in druk) het dat waard is. En voor velen is dat zo.

De consequenties (meer dan het gevaar) zijn de volgende:

  1. Positief: Er verschijnen veel meer genreboeken van eigen bodem
    Negatief: Veel daarvan zou eigenlijk nog een aantal stevige herschrijf-rondes moeten krijgen.
  2. Positief: Veel schrijvers zien hun wens vervuld worden (uitgegeven worden!)
  3. Negatief: Er komt zoveel genrewerk van middelmatige kwaliteit op de markt dat er een soort keuze-blindheid ontstaat
  4. Negatief: de uitgeverijen die minder boeken uitgeven (en mogelijk van betere kwaliteit) moeten meer moeite doen om _hun_ werk onder de aandacht te brengen. (Ze brengen één van vele titels uit dat jaar)

Uitdaging en onderscheid

Het is de uitdaging voor die uitgevers om zich te onderscheiden met schrijvers die op de één of andere manier met kop en schouders boven de anderen uitsteken.
(Wie dat bepaalt — en waar je die schrijvers gaat vinden — is nog even een andere uitdaging)

Het is daarin ook een enorme uitdaging om de productie constant te houden. Als je als uitgever per jaar één boek uitbrengt, bouw je niet echt een publiek op. Of heel langzaam.
Meer boeken, meer schrijvers is ook meer kans om op het netvlies te komen bij de lezer.

Ik denk dat uitgevers zich bewust zijn van hun merk en hun positie. “Wie ben ik? Wat geef ik uit? Voor wie is dat?”
Quasis is daarin anders dan Macc of Celtica of Zilverbron/Zilverspoor of Verschijnsel

Fonds, schrijvers, kwaliteit

Zover ik begrijp (uit gesprekken) is het grootste probleem:

  1. Om een stevig fonds op te bouwen (goede schrijvers, sterke verhalen) heb je een minimaal aantal schrijvers nodig (zeg: minstens 5 goeie schrijvers met de hoop te groeien naar 10)
  2. Er zijn maar heel weinig genre-schrijvers in Nederland die nu, op dit moment, werk kunnen leveren van een hoge kwaliteit.
  3. Deze schrijvers zijn niet allemaal even productief (lees: schrijft niet minstens één boek per twee/drie jaar)
  4. Deze schrijvers zijn niet altijd bereid om mee te werken (andere plannen, geen match met de uitgeverij)
  5. Deze schrijvers schrijven niet altijd werk dat bij een groot publiek aansluit. Soms kan dat werk zelfs ondoorgrondelijk zijn voor veel lezers. Het soort “Topschrijver, maar toch onleesbaar werk en eigenlijk bagger van zeer hoog literair niveau”

Golden age

Wat ik begrijp uit o.a. de verhalen over de “golden age” in de US hebben een aantal factoren daar een rol gespeeld tot de groei en bloei van het genre:

  1. Er was een markt en er was geld (voldoende om schrijvers het equivilent van 1 euro per geschreven woord te betalen, zodat je met een verhaal van 2000 woorden je maandlasten kon betalen)
  2. Er was een betalend platform voor korte verhalen (waardoor schrijvers zich konden ontwikkelen)
  3. Er was / kwam een redacteur die zielsveel om het genre gaf, persoonlijk investeerde in de schrijvers en schrijvers doelbewust in een bepaalde richting duwde. (Campbell en later … ben ik vergeten)
  4. Er was een lezerspubliek, groot genoeg om uitgeverijen rendabel te maken (bestsellers van 100.000 stuks en meer per titel)

Schrijvers

Voor schrijvers was er (indirect en direct)

  1. Een podium waarop- en een kweekvijver waarin ze tot bloei konden komen
  2. Stimulans en begeleiding

In mijn optiek staan we in Nederland nu waar de Amerikaanse schrijvers en uitgevers ergens in 1920 stonden. We hebben iets van 200 genre-schrijvers die zo nu en dan iets insturen.

Een paar daarvan leveren werk van goede kwaliteit. (En zijn in overdrachtelijke zin de voorlopers zoals Jules-Vernes en H.G. Wells dat waren)

Er begint zich een markt te vormen waar je uitgegeven kan worden en waar je als schrijver kunt groeien.

Vrijwilligerswerk

Het enige belangrijke verschil is geld. Dat geld is er niet. Er is geen geld. Er is geen huidige afzetmarkt die groot genoeg is om schrijvers te betalen. Er is geen geld. Er is geen huidige afzetmarkt die groot genoeg is om… etcetera

Zonder dat geld en zonder die afzetmarkt kun je de meest mooie dingen verzinnen en willen, maar zonder dat geld blijft het hangen bij goede bedoelingen en een paar gekken die tegen alles in toch door blijven beuken.

Schrijven van genre-werk in Nederland is momenteel voornamelijk vrijwilligerswerk. Als er al een vergoeding is (vanuit de uitgever) dan is deze –zover ik de cijfers ken, en met een voorschot van 2500 euro– niet groot genoeg om een jaar van te leven.

Hoe bereiken we ons publiek?

Ik wil iets duidelijk stellen vanuit mijn kant. [In reactie op mijn eigen facebook-reacties in de draad waaruit deze tekst komt]

Ik wil heel graag dat er meer gaat komen voor schrijvers. Meer kansen, meer publiek, meer aandacht. Om die redenen heb ik o.a. donaties gedaan naar de Harland Award en de ‘Stichting voor bla bla bla’ en is er geld toegezegd naar Roelof Goudriaan voor betaling van schrijvers van WonderWaan, zodra de backlog online en/of en gratis e-pubs gepubliceerd gaat worden MET respect voor de schrijvers.

Ik kijk naar de markt op dit moment als eentje die in ontwikkeling is en net van de grond begint te komen. (Been there many times.) De regels die in dat moment gelden zijn anders dan de regels die gelden in een markt die al ontwikkeld IS.

Een markt die nog niet ontwikkeld is (lees: waarin je als bedrijf nog geen winst kunt maken en voornamelijk aan het investeren bent) vereist moed en doorzettingsvermogen en een stuk financiële steun die NIET uit die (potentiële) markt voortkomt maar onder andere van donateurs, sponsors, vrienden, familie en de eigen partner (bijvoorbeeld: “doe jij jouw ding EN hou het huis schoon en de koelkast vol, ik verdien het geld wel om de huur en het gas/water/licht en de boodschappen te betalen”)

De kans van falen (lees: de kans dat je niet voldoende omzet haalt om je bedrijf levensvatbaar te maken zonder externe steun) is groot.

Welnu:
We kennen inmiddels het truukje: “Hoe druk ik een mooi boek?”

De grootste focus nu zou moeten zijn: “Hoe bereiken we ons publiek?” En dan niet die 500 die nu voor een mooie break-even zorgt, maar die 5000 die zorgt dat we kunnen groeien.

Mijn grootste zorg nu is dat we regels hanteren die bij een ontwikkelde markt horen. “Betaal de schrijvers. Geen gratis content.” etcetera.
Dit is echter een doodlopende steeg. Je kunt niet oogsten zonder te zaaien.

Hoe ga je in dat nieuwe / onontgonnen marktgebied doorbreken? Wat is je verwachting qua markt-omvang? Hoeveel potentiële klanten denk je dat er zijn?

Zilverbron heeft daarin –vanuit hun zakelijke kant– een hele duidelijke stelling genomen: “We verwachten dat die markt er niet is, dus gaan we zelf geen risico nemen.” Daarom betalen de schrijvers zelf. Een hele gezonde en praktische keuze wat mij betreft. En in z’n eigen recht prima en vanuit andere standpunten (die allemaal ook hier besproken zijn) wat cynisch en ook niet echt leuk.
Waar is de expansie-drift naar de markt?

“Als je schrijvers betaalt, MOET je wel aan je promotie werken”

Er werd in de facebook-draad [waaruit dit komt] opgemerkt dat als je in je schrijvers investeren, je wel MOET werken aan de ontwikkeling van je markt (mijn woorden).

Dit is een foute en omgedraaide redenering.

Als uitgever maak je een zakelijk plan. Dat plan is gebaseerd op wat je denkt te weten van de markt.
Als die markt positief is (er zijn kopers, er kan winst worden gemaakt binnen X-jaar tijd) dan ga je op zoek naar investeerders. Zodat je geld hebt.

Met dat geld betaal je je mensen (inclusief je schrijvers en je markering/PR mensen). Vervolgens ga je aan de slag om je targets te halen. (Omzet)

Elk jaar check je (etcetera)

Als die markt negatief is (er zijn te weinig kopers om winst te maken) ga je afwegingen maken. “Wat doe ik wel? Wat wil ik niet?”

“Ga ik mijn schrijvers betalen?” “Ga ik investeren in marketing?” “Waar doe ik dat?” “Hoe ga ik het geld verdienen voor de investeringen die nodig zijn?” En zo voorts.

Als het niet je intentie is om tijd en moeite te steken in je schrijvers of je fonds (een truukje dat ik o.a zag bij L.S.), dan blijkt dat vanzelf. “Beste schrijver, ik wil dat JIJ je promotie gaat doen” is één van die signalen dat een uitgever eigenlijk te lui of te cheap-ass is om zelf te investeren in de marketing, promotie en groei van dat fonds.

Klein fonds

Voor een kleine uitgever in een negatieve markt zou ik kiezen voor:

  1. Focus op bereik en kwaliteit. “Zoveel mogelijk lezers bereiken met retegoeie content”
  2. Betaling van mijn schrijvers. (1 cent per woord om mee te beginnen)
  3. Geld binnenhalen via andere kanalen (o.a. sponsors en werk uit goedbetalende andersoortige arbeid)

De content die ik zou bieden zou een deel gratis zijn (promotie – een discussie die we al eerder hebben gehad) en die promotie-content zou ik gebruiken om de boeken te pluggen. “DEZE SCHRIJVER HEEFT OOK EEN PRACHT-BOEK! KOOP HET NU!” en: “ALLE 15 VERHALEN VAN DIT KWARTAAL GEBUNDELD ALS EBOOK! VOOR MAAR 10 EURO! STEUN ONS! KOOP HET NU!”

Kwaliteit zou #1 zijn. Geen bagger. Sterke content. Goed geredigeerd.

Succes zou ik meten op page-views. “Haal ik de 300 views per dag?” “Zien we effecten van online campagnes?”

Promotie van werk van eigen bodem: de favorieten van-

Ik denk dat een “de favorieten van..” zou kunnen werken (zoals eerder gezegd). “De 20 meest favoriete boeken van [X] in 2015”. Als ik op facebook al vind dat je met goede argementen komt, kan ik in je favorietenlijstje bijvoorbeeld zien welke boeken je graag gelezen hebt (met referenties als “X was met haar vorige boek al goed op dreef, maar dit boek gaat weer een stap verder”_. Wat mij weer kan aanzetten om het werk van X te gaan zoeken en lezen.

Zoals dit: buzzfeeds beste SF boeken van 2015.

Ik ben heel nieuwsgierig naar leeslijsten van Jan VantEnt en Paul van Leeuwenkamp en en Roelof Goudriaan en Jos Lexmond en andere lezers die ook recenseren (of gerecenseerd hebben). En niet zozeer recensies, maar meer: “deze schrijvers en deze boeken van eigen bodem vond ik de moeite waard. En wel om deze redenen” En wellicht ook: “Deze schrijvers MOET je ECHT lezen”