Aanbevolen boeken voor schrijvers

[Eerste draft] De boeken die ik hier bespreek, zijn een selectie uit ongeveer 40 boeken over schrijven in mijn persoonlijke collectie. Ze dekken zo veel mogelijk aspecten van het schrijven, van basale zaken als het bouwen van je plot, tot “hoe maak ik een bestaand verhaal, sappiger, scherper, beter?”

Deze lijst kan nog veranderen en groeien.

 

Basispakket

Boeken met 3 sterren zijn wat mij betreft een must-have. (Al kun je bij de 3 boeken over plot kijken welk boek het beste bij jouw werkwijze past.) Boeken met 2 sterren zijn wat mij betreft zeker de moeite waard (omdat de schrijver veel goede dingen aangeeft) maar vaak net even te wollig, of worden inhoudelijk grotendeels al gedekt door een basisboek als The dramatic writer’s companion toolkit.

 

1: Alicia Rasley, The Power of Point of View ***

Elk verhaal heeft een ‘point of view’ Dit is zowel “wie neemt dit verhaal waar?” als “hoe wordt dit verhaal waargenomen?” en “schrijven we dit in de ik, wij of zij/jullie/jij-vorm?” The Power of Point of view behandelt zo ongeveer elk aspect van ‘point of view’, zonder te verdwalen in bullshit. Het is goed opgezet, goed gestructureerd en simpelweg het eerste boek dat onmisbaar in je schrijfbibliotheek. Punt.

 

2: Georges Polti, 36 Dramatic Situations ***

36 Dramatic Situations is bijna 100 jaar oud. Het boek biedt geen hulp, maar een behoorlijk grondig overzicht (in de vorm van lijsten en referenties naar boeken) van dramatische situaties (die uiteindelijk het plot bepalen) uit de gangbare en leidende literatuur uit een periode tussen 18– en 1920. Een paar voorbeelden uit het boek: “Loss of the Possession of a loved One, Through Curiosity”, “Curiosity the Cause of Death or Misfortune to Others”, “Life Sacrificed for that of a Relative or a Loved One”, “Life Sacrificed for the Happiness of a Relative or a Loved One”, “Duty of Sacrificing Ones Child, Unknown to Others, Under the Pressure of Necessity” en zo voort, en zo voort. Goed om af en toe open te slaan voor inspiratie, als je vastloopt.

 

3: Will Dunne, The Dramatic Writer’s Companion Toolkit *** 

Dit boek bevat in mijn optiek alles wat een schrijver nodig heeft om een solide verhaal met sterke personages te bouwen. Een greep: Hoe open je je scenes? Wat is conflict? Waaruit komt dat conflict mogelijk voort? Hoe kun je dat gebruiken? Hoe bouw je je personages? Hoe geef je ze diepte? Wat zijn spanningsbogen en hoe pas je die toe? Te gebruiken als een aanvulling op The Art of dramatic writing of als alternatief. Het is primair geschreven als basismateriaal voor workshops voor professionele toneel- en film-schrijvers. De structuur is helder. Er is bijna geen onderwerp of insteek dat niet gedekt wordt. Het boek voelt daardoor echt super-compleet aan. Goed voor jezelf en super-werkmateriaal in schrijfgroepen en sparringsmomenten tussen samenwerkende schrijvers. Een must-have in mijn optiek.

 

4.a: Linda Cowgill, The art of plotting *** 

The art of plotting gaat (zoals de titel al verraad) over het bouwen van plots. Het is een zeer compact en behoorlijk compleet no-nonsense boek voor schrijvers die vooraf hun plot uitwerken. Hoewel geschreven voor screenwriters, blijft de basis gelijk voor elk soort verhaal, inclusief de jouwe.

 

4.b: Jack Bickham, Elements of fiction writing, Scene & structure ** 

Dit boek is net als The art of plotting behoorlijk compleet. Het volgt veel meer een “heb je hier aan gedacht?” lijn en is voor mijn gevoel veel meer geschreven voor schrijvers die een organisch proces volgen, waarbij het verhaal zich vormt tijdens het schrijven. Het boek heeft veel sterke punten, maar is hier en daar ook enigszins wollig.

 

4.c: James Scott Bell, Write Great Fiction: Plot & Structure **

Dit is het derde boek in deze lijst over plot (en verhaalstructuur) waarin jij als schrijver (redelijk) de keuze wordt gelaten in hoe je dingen toe wilt passen. Ook dit boek geeft je een paar behoorlijk goede handvatten, met heldere illustraties daar waar dat nuttig is. Scott Bell voelt voor mij iets meer sturend in “hoe het moet volgens James Scott Bell” en krijgt daarom slechts 2 sterren. Desalniettemin zeer de moeite van het checken waard.

 

5: Jack Bickham, setting ???

De omgeving (of setting) speelt zeker in genre-verhalen vaak een belangrijke rol, stuurt in veel gevallen zelfs en belangrijk deel van het verhaal. Setting geeft je genoeg handvatten om die setting goed uit te werken en tot leven te brengen in je verhaal. Nog geen sterren omdat ik het boek nog niet gelezen heb.

 

6.a: Jack Bickham, The 38 Most Common Fiction Writing mistakes **

Een hele goede checklist van de meest essentiële wat niet te doen dingen in schrijven. Essentiëel boek als je punten zoekt waarop je je (al geschreven) verhaal nog beter kunt maken. Soms wat wollig en daarom slechts 2 sterren. Overweeg eventueel:102 solutions to common writing mistakes

 

6.b: Bob Mayer, 102 solutions to common writing mistakes **

Dit boek geeft je op een lichtvoetige en praktische wijze inzicht in wat een redacteur, workshop-gever en ervaren schrijver je als advies zou kunnen geven. Leuk om te lezen, handig om te hebben en vooral zeer goed om in schrijfgroepen samen te lezen en bespreken. Het mist de directheid van “doe niet dit of dat”. Vandaar 2 sterren.

 

7: Gary Provost, 100 Ways to Improve Your Writing **

Dit boek wil eigenlijk te compleet zijn. Dat maakt dat wellicht 30% echt nuttig is voor je. Maar datgene wat het biedt aan nuttige tips is goed geschreven en goed samengevat in heldere, korte hoofdstukken. Een greep: Wat is show / dont tell? Hoe geef ik mijn verhaal (meer) dynamiek? Hoe overkom ik schrijversblok? Hoe schrijf ik een sterke opening van mijn verhaal? De moeite waard om in je boekenkast te hebben, denk ik.

 

8: Stant Litore, Write Characters Your Readers Won’t Forget **

Dit boek stelt jou, de schrijver, centraal. Het is prettig geschreven, neemt je respectvol bij de hand en is vooral bedoeld om je te prikkelen. “Stel dat je dit en dat? Hoe zou je dat doen?” Dit boek geeft je een goede start als je je specifiek op je personages wilt richten. Veel wordt echter al gedekt in eerdere boeken in deze lijst. Als je een net iets andere benadering zoekt (of de aanpak in eerder genoemde boeken voor jou niet helemaal werkt) is dit echter een goede aanvulling op je schrijfbibliotheek.

 

9: Lajos Egri, The Art of dramatic writing, its basis **

Waarschijnlijk één van de eerste goed gestructureerde boeken voor schrijvers. Net als The dramatic writer’s toolkit dekt dit alle essentiele onderwerpen in het schrijven van fictie. Een redelijk praktisch en behoorlijk compleet boek. De tekst is soms minder toegankelijk dan dat van The dramtic writer’s companion en daarom maar 2 sterren. Desalniettemin de moeite waard om te checken. Uitgegeven in 1946.

 

Aanvullend

Deze boeken zijn in mijn optiek de moeite van het vermelden waard, maar net even minder, of minder essentieel dan bovenstaande lijst.

 

Ronald Tobias – 20 masterplots and how to build them

In dit boek neemt de schrijver je aan de hand langs 20 masterplots die (volgens de legenden) op dit moment onze moderne literatuur bevolken. Aanvullend wordt in het eerste deel van het boek in redelijk heldere bewoordingen de basis van ‘plot’ beschreven. Hoe zet je je verhaal op? Hoe geef je invulling aan dingen? De reden dat ik dit boek niet op de “must have” lijst heb staan is dat dit boek in mijn optiek te sturend is, te wollig geschreven is en omdat je voor ongeveer 40 euro met The Dramatic writer’s companion toolkit,The art of plotting en 36 dramatic situations samen in mijn optiek een sterkere en veel vrijere basis hebt.

 

Nancy Kress, Dynamic characters

In Dynamic Characters geeft Nancy Kress kort en bondig de basisbeginselen van “hoe bouw je je personages?” De voorbeelden die ze geeft zijn mainstream (dus geen SF/Fantasy/Horror-specifieke zaken). Aan het eind van elk hoofdstuk geeft Kres een korte puntenlijst als samenvatting. De stijl is zeer losjes, informeel. De inhoud concreet en goed. Lees je liever een meer formelere stijl, kijk dan naar Linda Seger. Veel wat in dit boek wordt beschreven wordt al gedekt in The dramatic writer’s companion toolkit.

 

Linda Seger, Creating unfogettable characters

Mijn eerste indruk van en in dit boek was: “Linda Seger is wel heel  erg vol van haarzelf”. En dat is iets waar je als schrijver waarschijnlijk even voorbij moet lezen (sla die stukken gewoon over). Creating unforgettable characters bied een heldere structuur, die punt voor punt door de verschillende aspecten van “het bouwen van je personages” gaat. De voorbeelden die ze gebruikt zijn voornamelijk films en toegespitst op een Amerikaans publiek. Ook daar moet je even doorheen (of overheen) lezen. Wat overblijft (na al dat schrapwerk) is een zeer gestructureerd boek met al de basale aanwijzingen die nuttig zijn om je personages vorm te geven. Eigenlijk essentieel. Veel wordt echter ook al gedekt in The writer’s companion toolkit.

 

Victoria Lynn Schmidt, 45 Master Characters

45 Master Characters is een heel gevaarlijk boek. Het geeft je — net als 21 Master plots (later) — een goed overzicht van de 45 archetypen die je individueel of in groepen in boeken en films terug kunt vinden.  De inleiding over archetypen en stereotypen bevat informatie die je als schrijver in mijn optiek eigenlijk moet weten, maar of dat de aanschaf van het hele boek waard is weet ik niet. Het grootste probleem dat ik heb met 45 Master Characters is dat elk archetype te absoluut is omschreven, “type X IS dat en dat.”, waardoor bij mij een blokkade ontstaat. Ik denk dat dit boek voornamelijk heel nuttig voor schrijvers die heel planmatig werken.

 

 

 

Voor de meest eenvoudige oplossing gaan

Het einde van “Hoop”, een lang verhaal van ongeveer 13.000 woorden is ronduit kut. Niet wat er gebeurt, want actie, maar het waarom van die actie.

We zien (wat ik fake als) een zorgvuldige opbouw. We hebben een McGuffin-focuspunt waaromheen de actie gaat plaatsvinden en een einde dat in mijn optiek nog steeds behouden moet worden.

Dit is wat er mis is.

  1. De McGuffin heeft te weinig raakvlakken met het verhaal en het personage. (McGuffin: een begeerd of mysterieus object) Een beetje als: “de 64 karaats diamant waar alles om leek te draaien lag glinsterend op tafel, maar iedereen was te druk bezig met andere zaken.”
  2. Er zijn te weinig zinvolle interacties met de personage die de laatste, definitieve actie in beweging zet. Veel bijpersonen krijgen meer aandacht.

Hierdoor komt dat einde kunstmatig en geforceerd over.

De pogingen die ik heb gedaan om het eerste issue te fixen zijn niet genoeg. Ik kan kiezen om die McGuffin te droppen, maar ik kan ook kiezen om het een verbindend achtergrondgegeven te laten zijn. “De 64-karaats diamant lag op tafel, als verbindend element in het verhaal, maar niet als het centrale onderwerp. Het centrale onderwerp was de langzame onttakeling van het hoofdpersoon”.

Het tweede punt is eenvoudig te repareren, door wat extra actie bij te schrijven. 300 woorden zijn waarschijnlijk genoeg, waarin we meer kennis maken met deze eindbaas en waarin zijn rol meer is dan een willekeurige man met een stok en een hoed die een knop indrukt.

Verder is het credo sinds gisteravond: “ga voor de meest simpele oplossing, op basis van wat er al geschreven is.”

De lezer weet toch niet wat ik in gedachten had. Er is voldoende materiaal om iets goeds te maken dat past bij het einde dat ik in gedachten had. En een solide afronding is altijd beter dan wat er nu staat.

 

Personages in 1, 2 en 3 dimensies

Eerst drie voorbeelden, dan wat anderen zeggen over drie-dimensionale en multi-dimensionale personages.

Eendimensionaal

“Laten we morgen een boottocht maken,” zei hij. “En dan emigreren we naar Australie.”

“Okee,” zei ze, zonder werkelijk iets hierover te denken. Er was bij haar (net als bij hem overigens) verder geen enkele werkelijke emotie of gedachte die samenhing met dit besluit, slechts een groot leeg gat waar bij ander mensen een persoonlijkheid zat.

Aangezien ze buiten de kaders van dit verhaal toch geen werk, verplichtingen, vrienden of andere zaken hadden en het plot alles bepaalde wat in het verhaal gebeurde gingen ze zonder enige problemen op een boottocht en gaf de emigratie ook geen enkel probleem dat de moeite van het melden waard was.

“We gaan toch niet naar Australie,” zei hij aan het einde van de boottocht en er was in het hele verhaal tot dan toe geen enkele andere reden te vinden dan dan dat de schrijver zich bedacht had of een plottwist nodig had.

“Ja hoor, dat is goed,” zei ze, en daarmee was het klaar.

Beiden hadden waarschijnlijk een gezicht en benen en armen en handen en een schijn van een leven en een soort van vage, rudimentaire persoonlijkheid, maar het meeste wat de schrijver toonde van dat leven en die persoonlijkheid was een reactie op het plot. En plot bepaalt, zoals we al eerder zagen, alles voor deze personages.

 

Tweedimensionaal

Hij had evenveel diepte als bordkarton en een uiterlijk had dat tot in groot detail omschreven kon worden. Zijn emoties, zoals boosheid, vrolijkheid en verdriet kwamen absoluut voor in het verhaal, maar waren vaak voor uiterlijk vertoon, zonder enige ontwikkeling, op afroep beschikbaar en wekten niet echt de indruk dat ze gevoeld werden, of impact hadden op latere scenes.

Zo was er die ochtend dat hij verdrietig was, want zijn kat was doodgegaan. “Ik ben heel verdrietig,” had hij gezegd nadat hij het lijkje begraven had en hij huilde even hartstochtelijk. Daarna ging hij naar zijn werk en die avond was hij al weer vergeten dat hij verdrietig was.

Hij twijfelde die nacht even of hij die opdracht wel echt moest aannemen om de koning van Nabuurland te vermoorden, maar het geld won van de twijfels. Uiteindelijk zei hij altijd ja tegen geld. Altijd, want hij was meer een stereotype dan een echt mens: een persoonlijkheid die kon worden samengevat in een heel eenvoudig “als dit gebeurt dan doet hij uiteraard dat” diagram.

Uiteraard had hij ook een mening over iets, bijvoorbeeld over de monarchie van Nabuurland, zodat dat hem enige schijn van diepte in het verhaal zou geven, maar echt veel moeite om die mening diepte te geven deed de schrijver niet. Net als dat de schrijver weinig moeite besteedde aan die oppervlakkige backstory (onze hoofdpersoon was een commando geweest, of een marinier of een politieagent of iets anders uit een film of een boek, en wist dus daardoor bijvoorbeeld hoe hij moest omgaan met vuurwapens), waarin duidelijk zichtbaar was dat de schrijver eigenlijk geen zin had gehad in een diepgravend onderzoek naar werkelijke mensen in werkelijke situaties.

 

Driedimensionaal

Haar leven was breder en rijker dan in het verhaal getoond werd. Ze had werk, verlangens, dromen en wensen, vrienden, vriendinnen, buren, collega’s, minnaars en ouders. Dingen die ze leuk vond en dingen die haar niet aanstonden. Mensen die ze bewonderde en mensen die ze liever ontweek, dingen waar ze goed in was en dingen waarin ze vaker faalde dan succesvol was. Haar werk en haar bezigheden hadden zeer concrete vorm en het was duidelijk zichtbaar dat de schrijver moeite had gedaan zich diep in te leven in haar wereld, degelijk was geweest in zijn / haar research.

Elk besluit dat ze maakte, elk ding dat ze toeliet, elk ding dat ze blokkeerde had consequenties op haar leven en haar toekomst. En daarom zei ze droog: “Nee,” toen hij met een voorstel kwam. Een lastige keuze, omdat ze graag wilde, maar een “ja” een conflict zou hebben veroorzaakt dat ze tegen elke prijs wilde voorkomen. En ze gaf in heldere bewoordingen drie korte redenen die direct verband hielden met haar eigen leven, haar eigen prioriteiten, haar eigen wensen, haar eigen belangen en de belangen en wensen van anderen. Voldoende om helder te zijn, en voldoende om haar eigen motieven en haar eigen gevoel van verlies verborgen te houden, want ook hij was een rond personage met eigen verlangens, wensen en doelstellingen en zodra hij ook maar een idee zou krijgen wat ze had opgegeven, zou dat zijn acties en reacties naar haar en dat onderwerp een andere koers geven.

In een ander leven, in een andere situatie had ze wellicht anders totaal gereageerd, met meer woorden, met andere woorden, of zelfs helemaal niet. Maar dit was nu. Dit was zij. En dit was hoe zij reageerde op deze situatie.

 

Driedimensionale personages volgens anderen (in het Engels)

James Frey (in: How to write a damn good novel, part 1)

[The two-dimensiona characters] are easily labeled characters who seem to have only one trait: they are greedy, or pious, or cowardly, or servile, or horny, and so on. […] They have no depth; the writer does not explore their motives or inner conflicts—their doubts, misgivings, feelings of guilt. […] when they are used for major roles, such as the principal villain, dramatic writing turns into melodrama.

Rounded characters […] have complex motives and conflicting desires and are alive with passions and ambitions. They have committed great sins and have borne agonizing sufferings; they are full of worries, woes, and unresolved grievances. The reader has a strong sense that they existed long before the novel began, having lived rich and full lives. Readers desire intimacy with such characters because they are worth knowing.

Lajos Egri (The Art of Dramatic Writing) 

Every object has three dimensions: depth, height, width. Human beings have an additional three dimensions: physiology, sociology, psychology. Without a knowledge of these three dimensions we cannot appraise a human being. It is not enough, in your study of a man, to know if: he is rude, polite, religious, atheistic, moral, degenerate. You must know why. We want to know why man is as he is, why his character is constantly changing, and why it must change whether he wishes it or no.

The first dimension, in the order of simplicity, is the physiological. It would be idle to argue that a hunchback sees the world exactly opposite from a perfect physical specimen. A lame, a blind, a deaf, an ugly, a beautiful, a tall, a short person -each of these sees everything differently from the other. A sick man sees health as the supreme good; a healthy person belittles the importance of health, if he thinks of it at all. […]

Sociology is the second dimension to be studied. If you were born in a basement, and your playground was the dirty city street, your reactions would differ from those of the boy who was born in a mansion and played in beautiful and antiseptic surroundings.
But we cannot make an exact analysis of your differences from him, or from the little boy who lived next door in the same tenement, until we know more about both of you. Who was your father, your mother? Were they sick or well? […]

The third dimension, psychology, is the product of the other two. Their combined influence gives life to ambition, frustration, temperament, attitudes, complexes. Psychology, then, rounds out the three dimensions.
If we wish to understand the action of any individual, we
must look at the motivation which compels him to act as he
does. […]

E.M. Forster (Aspects of the novel)

Dickens’ people are nearly all flat (Pip and David Copper-field attempt roundness, but so diffidently that they seem more like bubbles than solids). Nearly every one can be summed up in a sentence, and yet there is this wonderful feeling of human depth. Probably the immense vitality of Dickens causes his characters to vibrate a little, so that they borrow his life and appear to lead one of their own. It is a conjuring trick; at any moment we may look at Mr. Pickwick edgeways and find him no thicker than a gramophone record. But we never get the sideway view.

[…]

The test of a round character is whether it is capable of surprising in a convincing way. If it never surprises, it is flat. If it does not convince, it is a flat pretending to be round. It has the incalculability of life about it—life within the pages of a book.

[…]

All her [Jane Austen’s] characters are round, or capable of rotundity. Even Miss Bates has a mind, even Elizabeth Eliot a heart, and Lady Bertram’s moral fervour ceases to vex us when we realize this: the disk has suddenly extended and become a little globe. […]  her characters though smaller than [those by Dickens] are more highly organized. They function all round, and even if her plot made greater demands on them than it does, they would still be adequate. […] All the Jane Austen characters are ready for an extended life, for a life which the scheme of her books seldom requires them to lead

[…]

The test of a round character is whether it is capable of surprising in a convincing way. If it never surprises, it is flat. If it does not convince, it is a flat pretending to be round. It has the incalculability of life about it—life within the pages of a book.

Will Dunne (The dramatic writer’s companion toolkit)

If you do not fully understand the character’s needs and motivations, you may find yourself with a twodimensional “villain” who fails to emerge from the page in an interesting and believable way. […]

Stock villains—such as the heartless landlord or evil stepsister—are the stuff of fables, but in a complex dramatic story they are the products of writers who did not know their characters well enough to write them. In the end, the antagonists whom we hate or fear most are often those whom the writer loved most

[…]

Dramatic characters tend to be active beings. They do things because they want things, and they cause stories to happen. From a technical point of view, their behavior has two functions: to show us who they really are— especially when they say one thing but do another—and to move the dramatic journey forward. In a great story, these functions have been so seamlessly combined that one rarely occurs without the other: character revelation and story movement go hand in hand. […]

Through the course of a story, a multidimensional character will act many different ways for many different reasons. Even if some of these actions seem contradictory—and they often do in a great character—they all flow from the same source: the root action or “spine” of the character.

[…]

A multidimensional character manifests many different traits—both positive and negative—during the course of a story.

James Frey (in: How to write a damn good novel, part 2)

Edwin A. Peeples says in A Professional Storywriter’s Handbook that characters “must have the uniqueness of real people. They must have the contrasts of inconsistent behavior common to individuals . . . contrasts make character.” It is through such contrasts that fully rounded, three-dimensional characters are brought to life. It is through contrast that good characters can become great characters who are truly worth knowing.
Great characters are so extraordinarily interesting that if you met them at a cocktail party you’d later want to tell others about them. A good dramatic character, then, is interesting in the normal sense of what makes people interesting.

Is het nu allemaal wel zo slecht?

 

Paul Evenblij schreef een blogpost

Paul Evenblij schreef een blogpost. En die post heeft (in mijn beleving althans) een goede discussie losgemaakt.

Die blogpost geef een aantal probleempunten aan, waaronder deze:

Mijn grootste probleem dit jaar, echter, is met de vlakheid, de ideeënarmoede en de grijsheid. (Eigenlijk de witheid, maar daarover later.) De meeste inzenders lijken geen benul te hebben wat moderne science-fiction/fantasy is. Steeds weer worden dezelfde ideeën, veelal afkomstig uit film of televisieseries, even vluchtig afgestoft, hier en daar van een strik voorzien, en gepresenteerd als het beste wat het Nederlands taalgebied te bieden heeft.

Helaas heeft Paul alleen kunnen lezen wat anderen voor hem geselecteerd hebben.

 

“Het niveau van de inzendingen daalt” (in een neerwaartse spiraal)

Floris Kleijne in deze draad:

Lees een bundel als Gödel Slam en weet dat stap 1 het stuiten van de neerwaartse spiraal is.

En:

Het wordt niet alleen niet beter: het is de afgelopen 15-20 jaar erger geworden.

Ik kan de emotionele reactie begrijpen. Je doet (met wisselende organisaties) al sinds de jaren ’70 een wedstrijd en nog steeds zie je daarvan geen duidelijk-zichtbare resultaten. Zoals Paul Evenblij het in eerder genoemde blogpost omschrijft:

De meeste verhalen die ik dit jaar te lezen kreeg voor de Harland Awards vond ik saai, achterhaald, en middelmatig of ronduit slecht geschreven. Ik stond opnieuw versteld van het feit dat veertig of inmiddels zelfs vijftig jaar SF de genretuin van de Lage Landen volstrekt onberoerd lijken te hebben gelaten.

Alsof we na jaren investeringen nog steeds letterlijk in dat tijdperk zijn blijven hangen.

Maar een neerwaartse spiraal? Wat is de vergelijking of het vergelijkingsmateriaal? Datgene wat rond de jaren 90 werd gedaan en geschreven? (Het meeste daarvan was bagger, inclusief wat prijzen won.)

Of datgene wat in 2003 voor de Milleniumprijs werd ingezonden? (Het meeste was ook daar achterhaalde bagger, met 2 of 3 uitzonderingen op een totaal van bijna 100 verhalen [1])

[1] Ik was een van de juryleden van die editie

Is het “zorgwekkend dat er over de jaren geen duidelijke stijgende lijn zichtbaar is”? Wellicht. Maar wat is het referentiekader? Waar baseer je (over het algemeen) deze waarneming op? En overschat je hierin wellicht niet iets teveel het nut van een wedstrijd?

De enige manier om dat te controleren is door verschillende jaargangen van de Harland Awards / Paul Harland Prijs in z’n geheel door te werken. (Iets dat ik in 2014 met de organisatie besproken heb) en elk verhaal volgens een vaste set van criteria te beoordelen. “Wat scoort het op plot, overtuigingskracht, karakterontwikkeling, frisheid van uitwerking… en zo voorts?”

Mijn gevoel is dat het resultaat verrassend stabiel zal zijn, met een langzame stijging naar de plus.

 

De bagger van Tor.com

En doen we het echt zo slecht hier in Nederland/Belgie?

Ik heb dit eerder in een andere blogpost aangegeven: in een leessessie van de eerste 50 verhalen in: “Het beste van 5 jaar Tor.com” kwam ik een vergelijkbare hoop bagger tegen als in mijn lees-sessies voor de Millenniumprijs, Trek-Sagae en andere wedstrijden waar ik voor jureerde.

Slechts twee (twee!) van die veertig verhalen waren voor mij de moeite van het uitlezen waard. Eén daarvan was een fantasy-verhaal over  een jongen (of een meisje) die haar thuis verlaat en op weg is naar een andere stad. De ander was een steampunk-verhaal.

Beide verhalen sprongen naar voren door de kwaliteit van de uitdieping van zowel de (verzonnen) wereld als de (verzonnen) personages. Beide verhalen gingen voorbij aan de tropes, de platgetreden paden van de genres. En beide verhalen zaten sterk in elkaar.

De rest?

Was achterhaalde of slecht uitgewerkte bagger. In mijn persoonlijke optiek.

Herhalingen van dingen die al meer dan 100 jaar gedaan worden, zonder ook maar iets toe te voegen. Personages die nauwelijks uit de verf komen. Invalshoeken die (voor mij) volledig oninteressant waren, niets toevoegden aan mijn persoonlijke beleving. Verhalen die me na 2 of 3 bladzijden al deden afhaken, omdat ik niet geloofde in wat de schrijver aan het doen was, omdat ik moest braken van het platte, Amerikaanse (en vaak heteronormatieve) moralisme en uiteindelijk: omdat ik het geduld niet meer kon opbrengen verder te lezen.

Om opnieuw aan te geven dat de problematiek die we zien in de inzendingen voor de Harland Award (blijkbaar opnieuw veel middelmatigheid) niet uniek is voor Nederland.

 

Bagger hoort erbij

Het is onrealistisch te verwachten dat elke schrijver ambitieus is, onrealistisch te stellen dat elke schrijver ambitieus moet zijn. Toch lijkt dat vaak te gebeuren.

Schrijvers schrijven omdat ze schrijven. Sommigen doen dat met ambitie en een doel voor ogen. Anderen niet. Zo werkt dat. Klaar.

Bagger hoort erbij. En die schrijvers die daar bovenuit willen stijgen mogen en moeten dat zelf bepalen.

 

Selectieproces

Wat er in mijn optiek op dit moment “mis gaat” in de Harland Awards van de laatste drie edities is de voorselectie.

Ik schreef daar in eerder genoemde Facebookdraad het volgende over:

Er is bij de HA in mijn optiek een discrepantie tussen wat de voorselectie selecteert en de jury in de eindronde verwacht.

Een beetje als (in overdrachtelijke zin): “We hebben alle restaurants voorgeselecteerd waarin je als gezin veilig kunt eten (patat met applemoes!) zonder gekke dingen tegen te komen” waarbij de eindjury zich afvraagt: “Waar zijn de tenten met een uitdagend menu en uitdagende gerechten die mijn tong doet strelen met sensaties die ik nog nooit eerder heb ervaren?”

Hier zit een stuk ervaring achter.

De meeste verhalen die bovenaan komen zijn “veilige verhalen”. Vaak (redelijk) goed en degelijk (genoeg) geschreven, met een degelijk (genoeg) plot om geen echte controversie te creëren.

Deze veilige, (redelijk) degelijke verhalen scoren over het algemeen (verdiend) 6 tot 8 punten bij de jury.

Er zijn ook het soort “wilde en ongekamde” verhalen die bij sommige juryleden een negatieve reactie opleveren. De punk-verhalen, de House-muziek en trash-metal verhalen, de “ik ga (bijna) helemaal los, daarna steek ik alles in de fik (of zo) en toen reed ik — vanwege teveel ambitie — mijn auto in een greppel” verhalen die over het algemeen zeer gemengde reacties losmaken bij de jury Bijvoorbeeld omdat ze te experimenteel zijn, of omdat de personages ‘niet sympathiek genoeg’ zijn, of omdat ‘het verhaal te complex is’ of wat dan ook.

Dit soort verhalen eindig vaak in de middenmoot, omdat de jury niet eensgezind is. Een voorbeeld: “Goed geprobeerd, maar net niet goed genoeg” en: “Wat de fuk is deze schrijver aan het doen? Ik snapte er geen reet van.” en: “Dit verhaal is mijn absolute topper. Het heeft alles wat ik zoek: een ambitieuze schrijver, een ambitieus plot, het zoekt ongeveer elke grens op die opgezocht kan worden. Ja het faalt, maar het faalt glorieus, met vuurwerk en explosies”

De voorselecties zijn hoogstwaarschijnlijk funest voor dit soort “wringende” verhalen.

 

Een alternatieve opzet

De voorrondes zijn in het leven gekomen toen de inzendingen voor de Harland Awards richting de 200 verhalen ging. Teveel workload voor een jury die naast het volledig doorlezen ook per verhaal feedback moest schrijven.

 

Ik denk dat dit ten koste is gegaan van de grootste charme die de HA voor mij had: dat “ik trek een hele kast ambities open en beuk alle conventies stuk” verhalen, dat “ik ga schreeuwend op een berg brandende auto’s staan” werk hierdoor nauwelijks meer een kans krijgt.

Wat is (een mogelijk begin van) een oplossing?

  1. Alles beoordelen — Laat je eindjury alles beoordelen wat is ingezonden
  2. Filteren — Geef de jury de ruimte om te filteren. Een verhaal mag onuitgelezen blijven als dat verhaal voor dat jurylid niet in aanmerking komt voor verdere lezing
  3. Visie — Geef als organisatie aan wat je visie is met de HA. Wat zoek je? Wat verwacht je? Wat stimuleer je? (“Met de HA zoeken we naar die verhalen en die schrijvers die ….”)
  4. Nabeschouwing — Laat elk jurylid een nabeschouwing geven. Hoe jureerde hij of zij? Wat houdt het in als je als schrijver in een bepaalde regio bent gekomen (de onderste 50%, de middenmoot, de top 20)?
  5. Vooraf stimuleren — Inplaats van achteraf besprekingen te geven is het in mijn optiek nuttiger om schrijvers vooraf een stimulerende impuls te geven. Opnieuw: wat is je visie? Hoe kunnen schrijvers hier op inhaken?
  6. Tips en advies — Geef als organisatie heldere tips hoe je je als schrijver kunt ontwikkelen. Welke boeken en blogs zijn aanbevolen leesmateriaal? Welke stappen kun je nemen om jezelf te verbeteren? Hoe richt je schrijfgroepjes op? Hoe beoordeel je elkaars werk?

Optioneel:

  1. Benaderen door uitgever? — Geef schrijvers bij hun upload de mogelijkheid een vinkje te zetten met: “wil je benaderd worden door een uitgever?”. Zegt een schrijver “ja”, geef zijn of haar verhaal dan (op een gegeven moment) ook door naar uitgevers die daarin mee willen gaan. Hiermee houdt je en maak je een levendige cyclus.
  2. Adopteer een schrijver?  — Geef juryleden de optie om (inplaats van juryfeedback voor elk verhaal te schrijven) hun favoriete schrijver(s) van die editie van constructieve feedback te voorzien, te helpen, te coachen als- of zodra dat verhaal door een uitgever wordt opgepakt.

Beperk het hiertoe, zou ik zeggen.

De HA is een wedstrijd. De jury selecteert, de schrijvers schrijven en hopelijk werken een aantal van die (terugkerende) schrijvers stug aan hun eigen kwalliteiten, zodat ze elk jaar nog beter gaan worden.

Maar groei van schrijvers is iets dat een wedstrijd zich niet als doel moet stellen. Daarvoor is begeleiding nodig, zoals je onder andere in workshops en bij uitgevers met goede redacteurs zou moeten en kunnen krijgen. Daarvoor is stimulans nodig, zoals de mogelijkheid een publiek te bereiken, in publicaties te komen (zoals o.a. SF-Terra, WonderWaan, Ganymedes, Edge.Zero)

Daarvoor (groei) is ook het gat tussen inzending en uiteindelijk oordeel te groot.

Een paar gedachten over archetypische onderwerpen en literaire stromingen

Dit begon allemaal met een stelling van X over de schrijver en “de plicht van elke schrijver om voor de eeuwigheid te schrijven” (want anders neem je jezelf niet serieus genoeg als schrijver, als onderliggende motivate).

Van daar kwamen we op literaire stromingen. En of er een stroming is die eeuwig is (nee) en in hoeverre literaire stromingen onderhevig zijn aan mode (ik denk: behoorlijk).

Ik draai dingen graag om. En kwam op:

  1. Archetypische onderwerpen als basis
  2. Literaire stromingen als invulling van die archetypische onderwerpen

Twaalf voorbeelden van archetypische verhaal-onderwerpen:

  1. Liefde (romantisch, praktisch, ontluikend, stervend)
  2. Wraak (zorgvuldig uitgewerkt, in een vlaag van passie)
  3. Verwonding en ziekte (het breken van de wil, waanzinnig worden,
  4. Heling (het hervinden van de wil, genezing van een ziekte, het overkomen van beperkingen)
  5. Interne dreiging (een verrader, een moordenaar in de eigen groep, verslechtering van de eigen situatie door eigen handelen, of het handelen van een vertrouwd persoon)
  6. Externe dreiging (concurrentie, oorlog, ontslag)
  7. Verlies van iets of iemand (door dood, scheiding, afstand, onvoorziene omstandigheden)
  8. Het vinden of herwinnen van iets of iemand
  9. Een reis ergens naartoe (fysiek, in de persoonlijke ontwikkeling van een personage)
  10. Een vertrek (van een fysieke locatie, van een situatie, van een ander personage, in de vorm van een vlucht of een bewust proces)
  11. Het grijpbare (concrete doelen, fysieke objecten, rijkdom, armoede)
  12. Het ongrijpbare (goddelijke inmenging, geesten, een dreiging vanuit een onbekende bron)
  13. Een (kritische) analyse van (bepaalde trends in) een bepaald tijdsvlak (het verleden, het heden waarin de schrijver leeft, de plek waar de schrijver zelf leeft, een andere locatie)
  14. Een schets van een mogelijke toekomst (op basis van een bepaald aantal ideeën of idealen of technische en maatschappelijke ontwikkelingen)

 

Literaire stromingen als gevolg van de uitwerkingen van literaire archetypen

Elk verhaal bevat een mix van deze ingrediënten en ik denk dat de nadruk die op elk gelegd wordt één van de factoren is die bepaalt waarin een verhaal zal worden onderverdeeld.

Boeketreeksen draaien bijvoorbeeld primair rondom liefde, haat, wraak verwonding en/of heling. Primaire en eenvoudig te begrijpen onderwerpen die op zich al voldoende zijn om een meeslepend verhaal te vertellen.

Literaire werken smijten daar vaak nog een analytische laag bovenop. Liefde is niet alleen maar liefde, haat is niet alleen maar haat. Alles heeft (waarschijnlijk) context. Een reden. Alternatieven. Een duiding die vaak weer verband heeft met dat tijdsvlak en bepaalde culturele aspecten binnen dat tijdsvlak.

 

Genres

Wat maakt literatuur literatuur? En lectuur lectuur? Wat maakt dat verhaal X wel als genreverhaal wordt beschouwd, maar verhaal Y niet, terwijl beiden vergelijkbare onderwerpen behandelen? (Antwoord: dit hangt voor een groot deel af van wat centraal staat in dat verhaal en hoe dat verhaal verandert als je bepaalde elementen weglaat.)

Hoeveel verschillende redenen en manieren zijn er om verliefd te worden? Of juist een liefde te verliezen? Wie doen dat? Volwassenen? Pubers? Binnen welk kader gebeurt dat? En welke impact heeft dat? Leidt liefde tot oorlog? Wraak? Is die liefde verboden? Toegestaan? Oppervlakkig? Diep? Meer lust dan liefde? Leidt die liefde (binnen het verhaal) tot seks? En hoe expliciet wordt die seks weergegeven? Zien we meerdere lagen in dat verhaal?

Als we spreken over wraak, hoe wordt die uitgevoerd? Subtiel? Met wat onschuldige confrontaties? Moord? Doodslag? Enorm veel bloed en rondspattende ingewanden? Vanuit welk oogpunt bekijken we die wraak? Vanuit de dader? Het slachtoffer? De rechercheur die het onderzoek doet nadat de daad of daden gepleegd zijn? Richten we ons op de daad zelf? Op de reconstructie? Op de emotionele, financiële en anderzijdse gevolgen?

Als we ergens vandaan gaan (vertrek) wat maakt dat we gaan? Zijn we gedwongen door omstandigheden? Is het tegen onze wil? Is het een bewuste keuze? Zijn elders de omstandigheden beter? Of is het gewoon onderdeel van ons werk? Is de aankomst belangrijk? Of draait het om de reis? Komen we ooit op onze bestemming?

Als we ergens naartoe reizen, waarom is dat doel relevant? Wat gaan we daar vinden? Wat lokt ons? Worden we wel gelokt?

Als een liefde, een dreiging, een doel grijpbaar is, waar blijkt dat dan uit? Hoe gaan we daar mee om? Wat kunnen we daar nog meer mee doen?

Als iets ongrijpbaar is, hoe kunnen we daar dan grip op krijgen? Willen we dat wel? Geeft het vrede dat iets ongrijpbaar is? Of juist een (groot) gevoel van ongemak?

Is er sprake van transformatie? Van personages? Van de wereld rondom die personages? Zien we een reflectie van/op bepaalde culturen of culturele stromingen? Geeft ons dat meer inzicht in onszelf of de wereld rondom ons? Hoe diep gaat de schrijver daarin?  Hoeveel lagen vinden we? En hoeveel vrijheid wordt ons geboden in een eigen interpretatie van dat verhaal?

 

Cultuur en modegrillen

Literatuur en lectuur is (net als al het andere) onderhevig aan cultuur (en culturele veranderingen) mode en modegrillen. Waar het “wat” nauwelijks zal veranderen (liefde, wraak etcetera blijven onderdeel van onze menselijke belevenis) zal het “hoe” per tijdsperiode anders zijn.

Dit “hoe” dekt onder andere:

  1. Stijl en vorm van het verhaal —  gebruiken we bijvoorbeeld heel veel woorden en hoofdstukken om één bepaald ding uit te lichten, of knallen we met hoge snelheid door veel situaties heen? Schrijven we lineair of fragmentarisch? Met flashbacks of zonder flashbacks? Vanuit één gezichtspunt of meerdere gezichtspunten?
  2. Focus in het verhaal — waar ligt die focus? Op het individu? Op de omgeving rondom dat individu? Op de daden? Op de gevolgen van die daden? Op de morele boodschap? Iets anders?

Voor nu geen conclusie.

 

Diversiteit, inclusiviteit en politieke correctheid

Diversiteit

In de afgelopen 30 jaar is de diversiteit in Nedelrand alleen maar toegenomen. Eén voorbeeld daarvan: er zijn in Amsterdam in 2007 meer dan 177 nationaliteiten geteld. Verder is  diversiteit zeker in Nederland (dat ooit voor een groot deel uit moerasland bestond en voornamelijk door immigranten uit omringende landen werd bevolkt) een integraal onderdeel van de geschiedenis.

Wat doe je als schrijver met een diverse realiteit zoals de onze?

Wat als ‘de norm’ jou als lezer buitensluit?

Wat doe je- en wat wil je als schrijver met personages die binnen jouw genre nauwelijks tot niet gerepresenteerd worden?

Hoe kun je je als lezer identificeren met een verhaal waarin jijzelf, of jouw soort persoonlijkheid, of waarin personages met eigenschappen die binnen jouw voorkeuren vallen, (volledig) afwezig zijn?

Een voorbeeld: jouw lezer is niet-heteroseksueel, niet blank en niet van een blank-Europese achtergrond, maar 95% van de verhalen die beschikbaar zijn in jouw markt gaat over blanke, heteroseksuele mensen met een blank-Europese (en vaak Judeo-Christelijke) achtergrond.

Is (of wordt) diversiteit een speerpunt in je werk? Schuif je die diversiteit onder het tapijt? Hou je het allemaal vaag in het midden (bijvoorbeeld door niets te benoemen en neutrale namen te kiezen) en laat je het (geheel) over aan de lezer?  Of doe je er gewoon helemaal niets mee en is iedereen zoals jijzelf?

 

Racisme

En hoe zit het met racisme? Wanneer ben je als schrijver bezig met het bevestigen van racistische denkbeelden in je verhaal? Is het racistisch (zoals sommigen beweren) als je juist de aandacht verplaatst naar de dominantie van blanke mensen en een blanke cultuur in een bepaalde context?

Is het racistisch om bepaalde groepen uit te sluiten van je verhalen en je verhaalwereld?

 

Seksisme

Seksisme is een ander heet hangijzer. Is het seksistisch als er alleen maar mannen of alleen maar vrouwen in een verhaal voorkomen? Of als slechts één van deze partijen de macht in handen heeft en de ander niet?

Is het mogelijk sappige verhalen vol seks te schrijven, zonder seksistisch te zijn?

Zou je jezelf daar eigenlijk wel druk over willen of moeten maken?

 

Discriminatie

Breder praten we (met racisme én seksisme) over discriminatie. Drie voorbeelden:

  1. Superioriteit — Handelen naar het idee dat één volk of één specifiek geslacht (man óf vrouw) (genetisch of anderzijds) “superieur” is aan het andere.
  2. Privileges — Het (structureel) ontnemen of ontzeggen van bepaalde privileges, op basis van het geslecht, een bepaalde huidskleur of een bepaalde etnische afkomst.
  3. Uitsluiting — Het (structureel) uitsluiten van mensen die van een ander geslacht of van een andere etnische achtergrond zijn.

Een paar voorbeelden:

“Mannen zijn superieur aan vrouwen, blanken superieur aan mensen met een donkere huidskleur.”

“Mannen hebben recht op een hoger loon dan vrouwen. Mensen van een andere etnische afkomst hebben minder recht op sociale bijstand.”

“Vrouwen en mensen van een andere etnische achtergrond zijn hier niet welkom.”

In elk van deze voorbeelden is sprake van een (vaak genormaliseerde en scheve) machtsverhouding. “Wij hebben de macht. Jij niet.”

Verder is sprake van een veroordeling op basis van uiterlijke kenmerken (vrouw zijn, een andere huidskleur hebben) of op basis van herkomst (een andere buurt, een andere stad, een ander land, een ander werelddeel).

Tot slot is in heel veel gevallen sprake van een systematische herhaling van onzin/onwaarheden over die andere partijen. (“Ik ben genetisch superieur aan jou” is daar één voorbeeld van. “Mannen zijn jagers en vrouwen zorgdragers” is een tweede.)

Discriminatie is geen willekeurig is, maar heeft een heel duidelijk aantal doelen, waaronder:

  1. Het klein houden van die ‘ander’ (door hem of haar macht en zeggenschap te ontnemen).
  2. Het drijven van een wig tussen jou en die ‘ander’ (zodat er o.a. geen reden is tot samenwerking).

 

 

Inclusiviteit

Het idee van inclusivitiet binnen het schrijversvak, is dat je andere mensen, met andere kenmerken gaat betrekken in je werelden.

Niet als stereotypen en “omdat het moet” maar omdat ze ook aanwezig zijn in die wereld. Wie en wat en hoe en hoe veel of hoe vaak is aan jou als schrijver zelf.

Maar hoe doe je dat?

De meest eenvoudige manier (zeker als je dat nog nooit eerder hebt gedaan) is door ze precies zo te schrijven als je zou doen met je andere personages.

Denk hierin bijvoorbeeld aan Reilly in de eerste “Alien” film. Gespeeld door een vrouw, maar oorspronkelijk geschreven als een mannelijk personage. Hoe ‘raar’ dat is, komt bijvoorbeeld naar voren in deze quote: “She’s not a sidekick, arm candy, or a damsel to be rescued. Starting with Alien, Ripley was a fully competent member of a crew or ensemble — not always liked and sometimes disrespected, but doing her job all the same.” (bron)

Wie zijn dat? Een greep:

  1. Beroepen — Mannen in ‘vrouwenberoepen’ en vrouwen in ‘mannenberoepen’
  2. Windstreken — Mensen uit verschillende windstreken, die vanwege diverse redenen daar gekomen zijn waardoor ze voor dat verhaal relevant zijn geworden
  3. Geaardheden — Mensen met verschillende geaardheden (seksueel en anderzijds) die dat zijn omdat ze dat nu eenmaal zijn van hun geboorte
  4. Interne bedrading — Mensen met een andere ‘interne bedrading’, waardoor ze de werkelijkheid anders waarnemen; zich binnen hun eigen normaliteit anders denken en/of zich anders gedragen dan de meeste mensen rondom.
  5. Geloofssystemen — Mensen met andere geloofssystemen (en overtuigingen) die binnen hun eigen denkkaders volledig logische verklaringen vinden voor wat voor andere mensen vreemd is of vreemd lijkt.

Benoem je dan ook hun kenmerken? Hun ‘anders’ zijn? Hoe veel aandacht gaat daar naar uit? Hoe doe je dat?

Hier drie uitgangspunten:

  1. Relevantie — Is het belangrijk voor jouzelf en jouw specifieke doelgroep dat dit helder is? Zoja: draai niet om de hete brij heen.
  2. Sfeer en identificatie — Voegt het voor jou en je lezers toe aan de sfeer van dat verhaal en de identificeerbaarheid met dat verhaal en die personages als die verschillen helder zijn? Zoja: wees dan helder over die verschillen en eigenschappen.
  3. Eigenheid — Zijn de personages die je schrijft eigen aan jezelf? Komt het uit je hart of uit een diepe wens dit te doen? Doe het dan gewoon, naar je eigen inzicht.

Het is hierin zeker handig research te doen naar de levens- en belevingswerelden van de personages die je probeer te schrijven. Zeker als die verder bij jouzelf en wat bij jou bekend is vandaan liggen en leven.

De meest eenvoudige manier om die afstand te overbruggen is als volgt:

  1. Research — Doe research. Lees je in. Volg discussies online van mensen die dat leven leiden en in die situaties leven.
  2. Begrip — Leef je in in hun uitganspunten. Kun je hun gezichtspunt begrijpen en overnemen in je verhalen?
  3. Keuzes — Kies hoe je dat wilt doen. Wat toon je? Vanuit welk perspectief? En met wat voor soort persoonlijkheid? (Denk opnieuw aan Ripley uit “Alien”, die kundig én toevallig ook een vrouw is.)

 

Politieke correctheid

Politieke correctheid is wat mij betreft een stok. Waarmee mensen geslagen worden.

Doe je dingen omdat je graag ‘politiek correct’ wilt zijn, heroverweeg dan je redenen om meer diversiteit in je werk te brengen.

De weerstand vanuit de wereld rondom kan behoorlijk hoog worden als je bepaalde taboes of bepaalde denkbeelden expliciet en weloverwogen en goed onderbouwd in je werk naar voren brengt.

De bewering dat iets gedaan wordt “uit politieke correctheid” is wat mij betreft vaak een bewering met een politieke reden: “Hou je bek over mensen die we voornamelijk negeren. Maak ze niet zichtbaar.”

Interessant is dat “politieke correctheid” (soms nabijheid van het woord gutmensch) vaak gebezigd wordt in verband met menselijke verhalen over mensen die (vaak) buiten hun schuld in kutsituaties leven. Alsof het fout is om empathisch te zijn.

 

Je huiswerk doen

Dat “goed onderbouwd” is kern. Als je andere mensen dan de standaard keuzes (die overigens verschillen per genre en doelgroep) binnen je verhaal bestaansrecht gaat geven, is het handig als je goed onderzoek doet. (Zie wat hierboven daarover staat)

Des te beter jij je kunt inleven in je personages, des te echter ze over gaan komen in je werk.

Hoe je dat invult (en hoe ver je gaat in het benoemen van expliciete zaken) is aan jou als schrijver.

 

Uitsluiting versus fouten maken

Moet je ‘andersoortige’ personages (niet-jouw-geaardheid, niet-jouw-huidskleur, niet-jouw-overtuigingen-delend, niet-jouw-afkomst/herkomst) vermijden? (Ongeveer de meest voorkomende vraag op dit onderwerp.)

Ik zelf vind van niet. Juist het verkennen van dat soort personages waar ik vrij weinig over lees en juist het verkennen van die eigenschappen die ik bij mezelf ontken of ontwijk is voor mij wat het schrijven extra leuk maakt.

Ik maak liever fouten dan dat ik me laat opsluiten in ‘meer van mijn veilige zelf, zoals ik wil dat de buitenwereld mij ziet’.

Ik probeer daarin ook steeds explicieter te worden, zonder dat verhaal een draak te maken van — vooral — armzalige/slechtgeschreven karakterschetsen. Elke nieuwe expressievorm (in dit geval het insluiten van meer diversiteit) vereist nieuwe skills. En het leren van die skills kost tijd en moeite en gaat met vallen en struikelen en opstaan en nog meer vallen en struikelen.

 

Tot slot

Ik persoonlijk vind het resultaat daarvan (iets meer diversiteit in mijn eigen werk, een betere representatie van de wereld rondom mijzelf) lonend.

 

 

 

De echo-kamer met een beperkte set van schrijfregels

Show, don’t tell, beginnen in media-res, beperking van het aantal gezichtspunten in een (kort) verhaal, simpele woorden gebruiken en heldere zinnen schrijven, vooral een heldere en lineaire verhaalopbouw gebruiken zodat je je lezers niet verliest, het principe van ‘Chekhofs gun‘ respecteren, bloemrijke taal vermijden, bijwoorden zoveel mogelijk schrappen, de lezer niet teveel laten nadenken, de lezer niet teveel lastig vallen met moeilijke dingen.

Zomaar een greep uit schrijftips en aanbevelingen waar — in bepaalde echo-kamers van schrijvers — in mijn optiek soms teveel nadruk wordt gelegd als een ‘waarheid’.

 

1: Fuck de regels

Veel ‘schrijfregels’ zijn voornamelijk bevindingen. “Dit werkt in veel gevallen beter dan dat” waarbij rekening moet worden gehouden met het type lezer en het type verhaal. En net als bij sociale interacties heb je regels die:

  1. Helpen om die interactie tussen jou en je lezer makkelijker te maken
  2. Voor jou persoonlijke schrijven meer als een dwangbuis werken dan een hulpmiddel
  3. Totaal verkeerd aan je worden uitgelegd en daardoor een negatief effect hebben op je denken, je begrip en je werk

Een verhaal kan voornamelijk show zijn, kan helder en lineair zijn opgebouwd, kan zich richten op één personage, kan met de actie in media-res beginnen, kan een belangrijk plotpunt direct in het begin introduceren, kan zo worden opgebouwd dat elk element in het verhaal een groter cohesief geheel gaat vormen (Chekhofs gun), kan helder en efficient zijn in zinsbouw en woordgebruik. Het hoeft echter niet.

Daarom les 1: fuck de regels. Wat andere mensen graag in jouw verhaal terug zien is niet noodzakelijk wat jij wilt (of moet) schrijven. En in veel gevallen horen mensen (inclusief ikzelf) op dit vlak vaak de klok luiden maar hebben ze de fuck verstand waar werkelijk de klepel hangt.

 

2: Lees jezelf in

Literatuur en lectuur zijn geen statische objecten. Ook in de literatuur is vaak sprake van een ‘gevestigde orde’ met regeltjes die bepaald worden door een beperkte groep mensen met een grote bek en een groot genoeg platform om door (te) veel anderen gehoord te worden.

Het zijn vaak juist de tegenbewegingen die deze gevestigde orde (met hun vaak te nauwe regeltjes) zwaar onder druk zet en die deze gevestigde orde zelfs volledig in de vergetelheid kan duwen.

Zeker in de laatste 150 jaar zijn er binnen dit kader veel stijlvormen ontwikkeld waarmee je een verhaal zou kunnen vertellen (lees voor een beginpuntje dit stuk).

Twijfel je aan de dogma’s, lees jezelf dan in, in die verschillende stromingen en (bijbehorende) stijlvormen. Wat zijn de basisbeginselen bijvoorbeeld? Hoe zouden die bij jouw eigen aanpak kunnen passen? En welke effecten denk jij als schrijver daarmee teweeg te kunnen brengen bij de lezer?

 

3: Maak keuzes

Ik begin meestal met twee kernvragen:

  1. Wat wil ik overbrengen?
  2. Hoe wil ik mijn verhaal vertellen?

De stijl (het hoe in mijn geval) van een verhaal kan onder andere de emotie versterken die ik als schrijver over wil brengen (het wat in mijn geval).

Hier zijn vervolgens een aantal stijl-opties waar ik uit kies:

  1. Lineair / non lineair — Het verhaal volgt een heldere causale lijn waarin de ene actie op de andere volgt / het verhaal volgt een non-causale lijn, die zich bijvoorbeeld richt op de emotionele ontwikkeling van het personage
  2. Eén hoofdperonage / meerdere gezichtspunten — Het verhaal wordt vanuit één persoon verteld / meerdere personages geven elk hun eigen gezichtspunt, bijvoorbeeld rondom een bepaalde gebeurtenis of reeks van gebeurtenissen.
  3. Beschouwend / stream of conciousness — Het verhaal is een heldere beschouwing achteraf / we zitten midden in de actie en beleven vanuit de eerste hand (soms zonder duiding en soms chaotisch) wat er gebeurt.
  4. Afgerond / open — Het verhaal rondt netjes af waar het mee begon / het begin is slechts een aanzet tot andere gebeurtenissen die mogelijk geen conclusie bereiken.
  5. Focus op verhaal / focus op emotie — Het verhaal is de kern / de emotionele belevenis (van de lezer) is de kern van het verhaal en de gebeurtenissen ondersteunen dit proces slechts.
  6. Betrouwbare / onbetrouwbare verteller — Wat je leest is ook echt wat er binnen die verhaalwereld gebeurd is / wat je leest is een zeer subjectieve interpretatie van gebeurtenissen, die zich niet noodzakelijk werkelijk zo, of in die volgorde hebben voorgedaan.

(Ik ben hierin in de afgelopen jaren merkbaar conservatiever geworden, wat één van de redenen is dat ik de noodzaak voelde om hier een blogpost over te schrijven.)

Verder kun je verhalen schrijven als een serie brieven of e-mails, in de vorm van artikelen en berichtgevingen, in mengvormen waarin (bijvoorbeeld) emails en/of berichtgeving door journalisten en bloggers wordt afgewisseld met eerstehands ervaringen van één of meer personages.

Vanuit verhaaltechnisch oogpunt bestaan er eigenlijk geen beperkingen meer. Elke schrijfregel is al een keer grondig stukgemaakt. Sommige schrijvers hebben daar vervolgens weer een grote en prestigieuze literaire prijs mee gewonnen en de Aarde draait nog steeds rond de zon.

De vraag is daarom dan ook: wat wil jij? Waarom? Hoe? En hoe ga je dat invullen?

 

4: Gééf om je lezer, maar hou zelf de regie in handen

Lezers zijn mensen. En met sommige mensen zul je nooit een vriendschap op kunnen bouwen (omdat het gewoon een stel enorme eikels zijn, of omdat hun primaire interesses te ver van jouw eigen primaire interesses af liggen bijvoorbeeld). Daarom is het goed na te denken over wie je probeert te dienen en welke beloning je daar zelf uit hoopt te gaan halen. Ook lezers geven iets terug.

Dus:

  1. Wie is je lezer? Wie wil je (gaan) bereiken?
  2. Waarom wil jij die lezer iets geven dat aansluit op hun interesses?
  3. Hoe wil je dat gaan doen?
  4. Waarom zou jij die specifieke lezer leuk, aardig of interessant kunnen gaan vinden?

Stel een profiel op. Begin met jezelf. Wat voor persoon ben jij, of zou je (juist niet?) willen zijn? Wat maakt een verhaal voor jou (rete)interessant? Welk soort verhalen worden volgens jou te weinig geschreven? Hoe zou jij daar als schrijver in willen en kunnen voorzien?

Omdat je waarschijnlijk niet alleen voor jezelf schrijft, is het nuttig om ook naar je lezer en de markt te kijken.

Wat is belangrijk voor die lezer? Waar wordt die lezer helemaal lyrisch van? Waar knapt die lezer (die mogelijk heel veel op jouzelf lijkt) juist op af?

Wat zijn de goedlopende genres? Wie zijn de meest verkopende schrijvers? Wat maakt hun werk aantrekkelijk voor dat (grote) lezerspubliek? Welke stijlvormen gebruiken ze? Kun je die zelf ook toepassen? Kun je daar iets eigens aan toevoegen. Is het werk dat jij wilt lezen en schrijven een commercieel succesvolle stroming of juist een slechtlopende niche? Voel je je — zeker als het een niche is — daar comfortabel bij?

Waar en wanneer begin je je eigen doelen te verliezen? Waar en wanneer beginnen de verhalen voornamelijk voor andere mensen te zijn en niet meer voor jezelf?

 

5: Kwaliteit?

Kwaliteit is een subjectief begrip. Elke lezer heeft zijn/haar eigen eisen aan jouw verhaal.

Als schrijver kun je daarom maar één ding doen. En dat is je eigen kwaliteitsdoelen stellen. Een voorbeeld:

  1. Hoe moeten zinnen zijn opgesteld? Hoe moet de ritme en de flow zijn van je verhaal?
  2. Hoe diep graaf je als je onderzoek doet naar de onderwerpen die je aanhaalt in je werk? Hoe vergevingsgezind ben je als blijkt dat je feitelijk fout zit?
  3. Hoe belangrijk zijn de innerlijke werelden van je personages? Moeten ze emotioneel en inhoudelijk overtuigen of is bordkarton voldoende?
  4. Hoe coherent moeten de gebeurtenissen in je verhaal samenhangen? Mogen er absoluut geen (merkbare) plotgaten zijn, of is gatenkaas met onsamenhangende zaken goed genoeg zolang het verhaal maar lekker loopt?

 

 

Tot slot

Een korte checklist:

  1. Wat wil je zelf? Wat zijn je kaders en je eigen schrijf- en groeidoelen?
  2. Wie is je publiek? Pas jij daar zelf ook bij?
  3. Hoe past gegeven advies bij jou persoonlijke doelen? Ga je binnen je eigen kaders werkelijk beter werk leveren als je dat advies gaat volgen? Is het schrijven nog wel lonend als je het op die manier gaat doen?